Home

Wat moet Nederland met de bedrijven waarvan het vooral de lasten heeft en niet de lusten?

Bruut saneren van belastende sectoren als glastuinbouw en vleesverwerkende industrie is riskant. Beter is het de randvoorwaarden aan te passen.

Na vele jaren waarin de ontwikkeling van de Nederlandse economie zo veel mogelijk aan de vrije markt werd overgelaten, lijkt de Nederlandse politiek ineens wakker geschud. Willen we deze economie wel? Zijn sommige sectoren niet veel te belastend voor ons kleine, reeds overbelaste land?

DNB-president Klaas Knot formuleerde het onlangs het scherpst. Sommige sectoren kosten Nederland veel meer dan ze opleveren, zei hij, en daar moeten we eigenlijk van af. Hij noemde ze ook bij naam: de glastuinbouw, de vleesverwerkende industrie en de distributiecentra.

De grootste pijn zit bij de grote inzet van arbeidsmigranten. Door hun lage salarissen, die ze grotendeels in het land van herkomst besteden, leveren ze de Nederlandse economie en schatkist relatief weinig op. Ze leggen tegelijkertijd een groot beslag op de schaarse huisvesting en andere schaarse voorzieningen.

Het Westland is berucht. De tuinders daar zetten op grote schaal Bulgaren en Polen in, maar weigeren die fatsoenlijk te huisvesten, waardoor ze noodgedwongen uitwijken naar Den Haag en in achterstandswijken moeten wonen, in vaak overvolle panden. De gemeente Westland, waar de inwoners als geen ander profiteren van migratie, weigert de verantwoordelijkheid te nemen die daarbij hoort.

Extra pijnlijk is dat de meeste producten in het Westland veelal voor de export bestemd zijn. De lusten zijn voor de bedrijven en voor het buitenland, de lasten zijn voor Nederland. Voor de slachthuizen geldt hetzelfde. Veruit het meeste vlees is bestemd voor de export. Distributiecentra richten zich vooral op de Nederlandse markt, slechts een kwart van de overgeslagen goederen verdwijnt naar het buitenland. Het terugdringen ervan betekent dat Nederlanders minder pakketjes kunnen bestellen.

Wat moet de overheid nu doen? Het is verleidelijk om sommige sectoren taboe te verklaren, geen vergunningen meer te verlenen voor kassen, slachthuizen en distributiecentra, en om, net als bij de boeren, sommige ondernemers uit te kopen.

Bruut saneren is riskant. Veel tuindersbedrijven bijvoorbeeld, zijn zeer innovatief, ze kunnen uiteindelijk helpen om het wereldvoedselprobleem op te lossen. Doordat ze met gesloten systemen werken, is het ook makkelijker circulair te worden, zonder vervuiling en verspilling van grondstoffen. Omdat kassen op elk moment van de dag extra energie kunnen verbruiken of leveren, kunnen ze een rol spelen bij de energietransitie, als een soort batterij.

Het is beter om de randvoorwaarden zo aan te passen dat innovatieve ondernemingen die zo duurzaam mogelijk willen werken, blijven en bloeien, en dat conservatievere ondernemingen krimpen of afvallen. Het verstoken van fossiele brandstoffen moet zwaarder worden belast, elke fossiele subsidie voor deze branches moet worden afgeschaft. De belasting op vervuiling moet ook omhoog en de lasten van de arbeidsmigratie moeten worden gedragen door de ondernemers die er het meest van profiteren, wat betekent dat zij zelf moeten zorgen voor voldoende en goede huisvesting.

Verhoging van het minimumloon heeft voor al deze sectoren een gunstig effect. Het dwingt ondernemingen om hun productieproces waar mogelijk te automatiseren en te robotiseren, en zal bedrijven ontmoedigen die alleen maar kunnen bestaan dankzij goedkope arbeidskracht. Het is te hopen dat een nieuw kabinet deze veranderingen snel in gang zet. Van de stikstofcrisis heeft Nederland geleerd dat elk uitstel de prijs van veranderingen verder opdrijft.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Source: Volkskrant

Previous

Next