Op een ochtend krabde mijn zoon mijn neus open. Hij had lange, vieze nagels. Ik had die nog niet geknipt, ook uit angst voor de confrontatie met mijn onkunde. Op mijn neus zat wat bloed, ik depte het, daarmee leek de zaak afgehandeld.
’s Avonds pas zag ik dat er een wondje op mijn neus zat. Ik goot er ontsmettingsmiddel over. Nog geen 48 uur later kwam er pus uit het wondje, eromheen was een rode vlek ontstaan.
Vooral omdat die vlek midden op mijn neus zat, was ik gereduceerd tot vlek.
Mijn dermatoloog was op vakantie, ik had alleen nog wat zalf die hij me ooit had voorgeschreven voor uitslag op de borst. Wat goed is voor de borst is ook goed voor de neus.
De zalf hielp niet, maar aangezien mijn vriendin nog altijd niet had gezegd: ‘jij hebt een rode vlek op je neus’, klampte ik me vast aan het idee dat ik de enige was die de vlek zag.
Toen wij vrijdag naar Europa vlogen zei mijn vriendin op JFK opeens: ‘Er zit een rooie vlek op je neus.’
Ik greep haar vast. ‘Zeg eerlijk’, zei ik, ‘hoelang al?’
‘Een paar dagen’, antwoordde ze, ‘misschien een week.’
Ik liet haar los. Mijn wereld was uiteengevallen.
‘Wordt het erger?’
‘Erger niet’, zei ze, ‘beter ook niet.’
Het was de sterfdag van mijn moeder. Zij heeft me geleerd dat overleven betekent dat je je niet te zeer om de doden bekommert, maar vooral om de eigen gezondheid.
Het is natuurlijk vervelend als er van een schrijver niets overblijft, nog vervelender is het als er van de schrijver alleen een rode vlek op de neus achterblijft.
In Amsterdam maakte ik meteen een afspraak met een bevriende huisarts. Het kostte me moeite niet naar de spoedeisende hulp te rennen.
Source: Volkskrant columns