Heel even nog over die rechtsstaat. Er is sinds de verkiezingsuitslag vrees ontstaan over de intentie van potentiële regeringspartijen om met die rechtsstaat een potje te gaan zitten kleien. Uit twee nieuwsberichten deze week blijkt dat die vrees onterecht is; de huidige ploeg is met dat kleien al lang en breed begonnen.
Allereerst de trotse vertelling van Kees Loef in NRC van afgelopen weekend. Deze heer mag zich een vertrouweling noemen van onze (demissionaire) minister van Justitie en heeft in die hoedanigheid, zoals hij dat heldhaftig omschreef, een bloedig gevecht achter de rug. Hij was namelijk door de minister benoemd tot ‘nationaal coördinator overlastgevende asielzoekers’ en moest ervoor zorgen dat Het Probleem werd opgelost. Loef blijkt een man waar je van op aan kunt: de meeste van zijn voorstellen zijn realiteit geworden. Mijn nieuwsgierigheid was groot; hoe was het deze man in vredesnaam gelukt om landen als Marokko en Algerije eindelijk hun onderdanen terug te laten nemen?
Wat blijkt: meneer Loef heeft dat niet voor elkaar gekregen. Zijn probleemoplossend vermogen kwam neer op het plaatsen van een hek. Gewoon hier in Nederland, de veiligelanders gaan nog steeds niet terug. Voor die ‘aanpak’ heeft Loef een stoet regels en voorschriften aan z’n laars gelapt. Zo heeft hij voor 3 miljoen euro een vriendje ingehuurd, werd geëist dat een weigerachtige politiechef zou worden overgeplaatst, werd het openbaar ministerie geïnstrueerd om strafrechtelijke veroordelingen uit de boom te schudden en zijn criteria om mensen vast te zetten opzettelijk vaag gehouden. Het bezwaar van ambtenaren die de grenzen van de wet in herinnering riepen, werd weggezet als ‘mopperen’ en beantwoord met: ‘De minister wil dit nu eenmaal’.
Dan het tweede nieuwsbericht. De Nederlandse staat gaat in cassatie tegen de uitspraak van het Haagse gerechtshof waarin is bevolen een eind te maken aan de uitvoer van F-35-onderdelen naar Israël. Minister Van Leeuwen liet weten in cassatie te gaan omdat het aan de staat is zijn buitenlandbeleid vorm te geven.
In de uitspraak staat trapsgewijs beschreven welke vragen het hof allemaal is nagelopen, wat het wettelijk kader is dat daarbij is gebruikt en op welke manier het hof de regels heeft geïnterpreteerd. De uitspraak biedt, kortom, veel aanknopingspunten om inhoudelijke bezwaren naar voren te brengen die een oordeel van de Hoge Raad verlangen. In plaats daarvan wordt door de regering gesuggereerd dat het hof zich het buitenlandbeleid heeft toegeëigend.
Dat argument wordt vaker van stal gehaald wanneer de overheid op haar vingers wordt getikt; dan heet het dat de rechter op de stoel van de wetgever is gaan zitten. In werkelijkheid is er vaak iets anders aan de hand: als de overheid een verplichting heeft dan kan zij, net als ieder ander, aan die verplichting worden gehouden. Dit is een fundamentele regel van de rechtsstaat.
Als de persoonlijke wil van bewindslieden tegen grenzen van de rechtsstaat aanloopt, zou die wil moeten afbuigen, niet de rechtsstaat. Als een rechter tot een onwelgevallig oordeel komt, betekent dat niet meteen dat hij zijn boekje te buiten is gegaan.
Het recht is soms vervelend, en dat is ook de bedoeling. De overheid staat boven haar burgers, maar niet boven het recht. Het zou fijn zijn als dat kostbare systeem niet zulke zichtbaar chagrijn oproept bij degenen die juist het goede voorbeeld moeten geven.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.