Home

In hun dikke biografieën hebben Theo van Gogh, Ischa Meijer en Anil Ramdas veel gemeen

Onlangs zijn biografieën van een Churchill-achtige omvang verschenen over drie bekende Nederlanders. De bolle Gogh over Theo van Gogh van Jaap Cohen is 688 pagina’s dik. Alles gaat op vroeger terug over Ischa Meijer van Annet Mooij is 494 pagina’s dik. In wat voor land leef ik eigenlijk? over Anil Ramdas van Karin Amatmoekrim is 517 pagina’s dik. Ik las ze alle drie, omdat ik ze alle drie heb gekend. Van Gogh goed en Ischa vrij goed. Anil Ramdas kende ik slechts oppervlakkig, maar als toenmalige redacteur van Zomergasten heb ik zijn opkomst van dichtbij meegemaakt. Het programma maakte hem in één klap bekend.

De drie beschreven personages hebben veel gemeen. Anders dan Churchill, die op zijn 90ste overleed, werden zij niet erg oud. Van Gogh werd 47, Ischa 52 en Ramdas 54. Hun dood kwam niet vanzelf. Theo werd vermoord, Ischa kreeg een hartverlamming door oververmoeidheid en Anil pleegde zelfmoord. De laatste twee stierven op hun verjaardag.

Wat zij wel met Churchill gemeen hadden, was hun grote werklust én hun ongebreidelde drankzucht. Het schijnt dat Churchill alleen al aan champagne 42 duizend flessen heeft gedronken. Ook Theo van Gogh kon mateloos drinken. Op de premières van zijn eigen films placht hij dronken in een zijkamertje te eindigen. Ischa hield eveneens van een slok en hij heeft zelfs geprobeerd af te kicken. Van eten hield hij trouwens ook, vooral als het ‘lekker duur’ was. Hij kon zo schrokken dat hij alles al op had als de anderen nog moesten beginnen. Drank heeft het leven van Ramdas verwoest. Naast het volle bad waarin hij aangekleed en wel werd aangetroffen, lagen twee flessen wodka.

Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Alle drie waren ambitieus, hadden ook succes, maar voelden zich toch miskend. In het perspectief van wat zij hadden willen bereiken, zijn ze alle drie mislukt. Gedreven door haast en de daarbij behorende slordigheid, maakten zij nooit het meesterwerk dat zijzelf voor ogen hadden. Van Gogh moest zijn beste film nog regisseren, toen hij werd vermoord. Ischa, die eigenlijk niet kon acteren en zingen, moest zijn beste toneelstuk nog schrijven, toen hij stierf. Zijn boeken waren verwoede pogingen en zeker geen verkoopsuccessen. En interviewen, dat wist hij zelf ook, was in feite ‘een parasitaire bezigheid’, waarop je nooit erg trots kon zijn. Het verhaal van Ramdas is een triest drama, dat werd verhevigd door een hooghartigheid die sterker werd naarmate hij zijn pretentieus gedrag minder kon waarmaken. Het niveau van Naipaul zou hij nooit aanraken.

Ik beschouw het als typisch Nederlands dat over deze drie antihelden dikke biografische turven zijn geschreven. We hebben nu eenmaal geen Churchill, Bertrand Russell of Picasso.

Theo, Ischa en Anil verzamelden alle drie een vriendengroep om zich heen, maar hadden ook vijanden. Van Gogh achtervolgde zijn vijanden, maar werd ook zelf achtervolgd. Ischa deed het in de vorm van een brouille door iemand te negeren – tot hij degene weer nodig had. Anil leed, lijkt het, in stilte. Wel is het vreemd, absurd zelfs, dat de naam van zijn tegenpool Ayaan Hirsi Ali in de biografie nergens wordt genoemd. Dat is op zichzelf al een prestatie, want over Ayaan heeft Ramdas zich zeer negatief uitgelaten. Hij schreef dat zij haar beveiliging als een statussymbool beschouwde, een opmerking die voor Joost Zwagerman – ook zelfmoord – aanleiding was een verontwaardigde polemiek te beginnen.

Theo, Ischa, Anil en de vrouwen is een hoofdstuk apart. Anil was de normaalste van de drie, al liep zijn vrouw met wie hij vele jaren lief en leed had gedeeld, ten slotte bij hem weg. Theo van Gogh zou een womanizer zijn geweest, wat ik een beetje met een korreltje zout neem. Hij liet eens een prostituee komen, maar veel gebeurde er niet en het eindigde ermee dat ze, op bed zittend, bleven praten. Hij kon erg lief zijn voor vrouwen en op zijn begrafenis waren er een paar die het weduwschap opeisten.

Voor Ischa geldt praktisch hetzelfde, maar hij kon ook ongelooflijk grof zijn. Ik maakte mee dat ik een geanimeerd gesprek had met Ischa en een van zijn vrouwen. Toen we buiten stonden, zei hij achter zijn hand tegen mij: ‘Wat is ze dom, hè’.

Maar met Connie Palmen was het echt anders. Ik begrijp wel dat ze het ‘een Judas-biografie’ vindt en voor een groot deel geef ik haar gelijk. Nog geen twee weken voor zijn dood kwam ik met mijn toenmalige echtgenote bij Ischa en Connie eten. Ischa had gekookt en Connie had net De vriendschap gepubliceerd, waarop Ischa zo trots was dat het leek of hij het zelf had geschreven. Het werd erg gezellig en ik weet nog dat mijn echtgenote na afloop zei: ‘Nu heeft Ischa eindelijk een vrouw die hem helemaal de baas is.’

Source: Volkskrant

Previous

Next