Mijn pieper gaat af. ‘Dat is de buurvrouw zeker’, zegt mevrouw Geeris (98), en ze trekt misprijzend haar neus op. ‘Die moet vast weer naar de wc.’
Mevrouw Geeris zit in haar nachthemd op de rand van haar bed. Ze is zelf net naar de wc geweest. Ik heb nachtdienst en dit was vannacht de vierde – en vast niet de laatste – keer dat ze me met een druk op haar alarmknop heeft opgeroepen omdat ze moest plassen.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ze is bijna 100 en alles gaat in slowmotion. Langzaam bewegen, traag praten, en als ze heel erg moet lachen, staat ze zelfs helemaal stil. Dan opent ze haar mond in een grote glimlach en bevriest, alsof het lachen zo veel energie kost dat ze verder even helemaal niets meer kan. Geluid komt er ook niet uit: ze zit erbij als een heel vrolijk standbeeld, totdat ze is uitgelachen. Omdat dat er zo grappig uitziet, probeer ik haar telkens aan het lachen te krijgen, maar grappen werken meestal niet. Ze moet vooral lachen om dingen die per ongeluk gebeuren.
‘Waarom moet ik ’s nachts toch zo vaak plassen?’, vraagt ze.
‘Dat komt door uw hart.’
Mevrouw Geeris snuift schamper.
‘Echt waar. Uw hart pompt niet meer zo krachtig als vroeger. Er wordt te weinig bloed rondgepompt en daardoor te weinig vocht afgevoerd. Overdag zit u vooral in uw stoel, dus dan zakt dat vocht door de zwaartekracht naar beneden, naar uw voeten, enkels en onderbenen. Maar ’s nachts, als u horizontaal in uw bed ligt, vloeit het terug in uw bloedbaan, en dan moet u het uitplassen.’
Mevrouw Geeris kijkt naar mij omhoog met zo’n blik van: laat die jongen maar jeuzelen. Ze heeft andere dingen aan haar hoofd.
‘De buurvrouw drukt altijd op de alarmbel als jij bij mij bent’, zegt ze. ‘Dat vind ik heel irritant.’
Het hart van de buurvrouw pompt nog goed rond, maar die heeft weer wat anders: een tumor die tegen haar blaas drukt. Zo zijn er een heleboel bewoners die om allerlei verschillende redenen heel vaak op de alarmbel drukken om naar de wc geholpen te worden.
Ik hoop dat een robot mij naar de wc helpt als ik later oud ben. Ik wil anderen niet tot last zijn. Ik weet niet waarom ik dat denk, want zelf vind ik het helemaal niet lastig om bewoners naar de wc te helpen. Of nou ja, het is weleens lastig, als je druk bent met een noodgeval of je collega is ziek of als je eindelijk met je broodtrommel onderweg bent naar de kantine en een bewoner roept: ‘O, reddende engel. Ik moet zó nodig.’
Maar in het algemeen: het kan me niets schelen. Mensen moeten nou eenmaal poepen en plassen en ik krijg ervoor betaald. Het gebeurt allemaal in de baas z’n tijd.
‘Werk je vannacht weer?’, vraagt mevrouw Geeris.
‘Nee. Ik ben een paar dagen vrij.’
‘Hè, gatverdamme. Wie werkt er dan?’
‘Ik zal even voor u kijken.’ Op mijn tablet ga ik naar het rooster.
Mevrouw Geeris kijkt me verwonderd aan. ‘Wat ga jij vanavond dan doen?’, vraagt ze. Mevrouw Geeris heeft in elk geval niet het gevoel mij tot last te zijn. Integendeel. Ze kan zich amper voorstellen dat ik iets anders te doen zou kunnen hebben.
‘Ik ga lekker op de bank zitten met mijn hond. Netflix kijken.’
‘Waarom ben ik geen hond?’, verzucht ze. ‘Mag jouw hond ook bij jou in bed slapen?’
‘Nee, mevrouw Geeris. Mijn hond mag niet in bed.’
‘Ik ga je vannacht wel missen, hoor’, zegt ze. ‘Jij mij ook?’
‘Vreselijk. Als ik vannacht lekker in mijn bed lig, denk ik: ach, kon ik mevrouw Geeris maar even op de po zetten.’
Dat toontje bevalt haar niet. Ze bekijkt me vanonder haar half geloken ogen. Ze maakt zich op voor een revanche.
Intussen heb ik het rooster voor me. ‘Vannacht werkt Michelle.’
‘O, die vind ik heel leuk. Jij bent ook leuk, maar Michelle is leuker.’
Ik kijk op van mijn tablet. Ik ben ook maar een mens: een lichte verontwaardiging kan ik niet onderdrukken, en mevrouw Geeris leest die in mijn blik.
Mevrouw Geeris spert haar mond open in een brede lach en bevriest. Ze lacht haar geluidloze lach.
Source: Volkskrant columns