Aukje Vennik is in stilte opgegroeid, met ouders die amper met elkaar spraken. De bescheiden 100-jarige is in het centrum van de stad Groningen gaan wonen, zodat ze in de buurt is van haar 70-jarige dochter. Ze mist het leven en gewroet in de tuin die ze altijd heeft gehad. Nu steekt ze haar liefde voor alles wat groeit en bloeit in de planten op haar vensterbank, die er blakend van gezondheid bij staan. Ze mag dan een beetje verlegen zijn, ze houdt ook van een potje schelden, zo af en toe.
‘Oja, er is veel minder variëteit. De bermen en weilanden staan niet meer volop in bloei in de zomer. Dat was altijd zo’n prachtig gezicht. Gelukkig worden tegenwoordig bermen ingezaaid. Mijn leven lang ben ik een liefhebber van vlinders. In de tuin en op de hei uit mijn jeugd in Hilversum zag ik volop groentjes, die zie je nu bijna niet meer. Als vrijwilliger bij de Vlinderstichting heb ik jaren meegedaan aan tellingen in de Achterhoek, waar ik toen met mijn gezin woonde. In de loop der jaren zag ik van bepaalde soorten de populatie afnemen. Ik maak mij grote zorgen over de achteruitgang van de natuur. Ik hou mijn hart vast.
‘Mijn vader hield van bijen, ik van vlinders. Hij was imker. Als hij de bijenkasten ging openmaken, mocht ik mee. Dan gingen we samen de koningin zoeken en zag ik aan de pootjes van de bijen stuifmeel zitten in de kleuren geel, bruin, oranje, rood en wit, zo’n mooi gezicht. In de oorlog kwam het goed uit dat mijn vader imker was, want konden we potten honing ruilen voor schaars voedsel.’
‘Ja, ik zit op de schoot van mijn overgrootmoeder. Links staat mijn opa, rechts mijn vader. Mijn overgrootmoeder was vroedvrouw. Haar eerste kind, mijn opa, was geboren uit een klant van haar, de man van een vrouw die zij had bijgestaan bij de bevalling. Ze was toen nog maar 20 jaar en ongetrouwd. Na zijn geboorte heeft ze hem naar haar zus gebracht, die heeft hem opgevoed. Er werd niet over gesproken in de familie. Mijn opa heeft nooit geweten wie zijn vader was. Na de dood van zijn moeder is nog geprobeerd het uit te zoeken, maar het mysterie is nooit opgelost.’
‘Ik was enig kind en een kruk. Ik was heel vaak ziek en moest om de haverklap verzuimen van school. Toch ben ik nooit blijven zitten, op mijn rapport stond voor vlijt altijd een 9 en voor gedrag een 8. Ik hield van leren, anders verveelde ik mij maar.
‘Mijn moeder was ziekelijk en verbleef toen ik klein was perioden in een sanatorium. Ze had vaak een dikke keel, was hypernerveus en gehaast. Daar gaf ze mijn vader de schuld van, ik wilde er niks van weten want ik was dol op hem. Ik denk dat ze allebei ongelukkig waren in hun huwelijk. Toch zijn ze tot het einde bij elkaar gebleven.’
‘Ik werd vaak uit logeren gestuurd, bij familie in Amsterdam, ik denk dat mijn moeder van mij verlost wilde zijn. In Amsterdam had ik het altijd erg naar mijn zin. Ik kon goed opschieten met mijn nichtje Fietje. Mijn twee tantes kwamen ook wel bij ons thuis als mijn moeder ziek was. Dan maakten ze uitstapjes met mij, naar de kermis bijvoorbeeld. En dan mocht ik gewoon ergens blijven staan kijken, dat was ik niet gewend.
‘Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader stationschef bij de spoorwegen. Als we met zijn drieën waren, werd er stommetje gespeeld. Tijdens het eten deden mijn ouders geen mond open. Dan zei ik ook maar niks. Ik ben altijd een beetje stil gebleven, hoewel ik dat van nature niet ben.’
‘Ja, mijn vader vond dat belangrijk. Mijn moeder niet. Als ik met mijn schoolrapport thuis kwam, zei ze: ‘Waar is dat eigenlijk voor nodig?’ Ik ging naar de hbs-b. Wiskunde was mijn lievelingsvak en daar wilde ik mee verder. Toen ik in 1940 eindexamen had gedaan, was het oorlog en kon je alleen studeren als je een verklaring van de Duitsers ondertekende, dat deed niemand, ik ook niet. Ik ging op zoek naar een baantje, maar er was weinig werk. Bij de spoorwegen werd ik aangenomen. Het was heel saai werk, ik dacht: god oh god, hoe houd ik dit uit? Gelukkig werd mijn vader overgeplaatst naar Borne. In Hengelo kon ik aan de slag als kaartjesverkoper op het station.’
‘Bij de Vlinderstichting ontmoette ik een jonge vrouw die in Wageningen ging studeren. Haar drijfveer was verhoeden dat het misgaat met de natuur. Dat was ook iets voor mij geweest.’
‘In het kosthuis in Hengelo waar ik tijdens de oorlog woonde. Hij was de zoon van de hospita, en ook enig kind. Ik zag hem eerst helemaal niet staan. Ik was 19 en zag een jochie van 17 in een korte broek met knokige knieën. Bij mijn kennismaking met de hospita ging hij heel demonstratief piano spelen, om te laten zien wat hij kon. En hij kon er wat van, Eduard was een getalenteerd musicus. Later zou hij conservatorium doen en dirigent en muziekdocent worden. Hij was een grote ouwehoer en erg geestig, ik moest altijd vreselijk om hem lachen. Toen ik een keer met zijn moeder naar de bioscoop was geweest, stond hij ons voor de uitgang op te wachten. Zijn moeder ging met een kennis mee en ik liep met Eduard naar huis. Wat daar gebeurde zeg ik niet, maar toen is het begonnen tussen ons.’
‘Het was heel gezellig met hem. Hij was oerkomisch. Hij verraste mij met een andere manier van doen en praten dan ik gewend was en wilde van alles met mij doen: wandelen, op dansles, op vakantie. Later, tijdens ons huwelijk, hebben we ook heel wat af geruzied, het is een wonder dat we altijd bij elkaar zijn gebleven. Maar met hem was er altijd wel wat te beleven, hij nodigde vaak mensen uit. In zijn eentje kon hij een kathedraal vullen, zei een vriend van hem.’
‘Hij bepaalde in grote mate wat er gebeurde, wilde alleen dingen doen met het gezin die hij zelf had bedacht, en zo niet dan gingen we niet. Als ik op mijn strepen stond, werd hij woest en liep weg. Dat vond ik wel even rustig. Maar na een paar dagen kwam hij altijd weer terug. Bij thuiskomst wilde hij meteen samen een dansje maken en dan zong hij: ‘Ik heb een huis met een tuintje gehuurd, gelegen in een gezellige buurt. En als ik zo naar mijn bloemetjes kijk, voel ik mij net als een koning zo rijk.’ Een heel vrolijk liedje van Henri Theunisse.
‘Ik had er geen last van financieel afhankelijk van mijn man te zijn. Ik hoefde hem nooit om geld te vragen, dat gaf hij uit zichzelf. Wel hield ik nauwkeurig een kasboek bij. In de jaren zeventig ging ik op een Vos-cursus, Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving, bedoeld om vrouwen zelfbewuster te maken. Daar zag ik hoe gedwee veel vrouwen waren. Een notaris kwam uitleggen wat je kon regelen om minder afhankelijk te zijn. Dat was nieuw voor mij. Ik trof een jonge vrouw die bang was voor haar man en nooit zomaar de deur uit mocht van hem. Mijn man was dominant, maar niet op die manier. Wel had hij er moeite mee dat ik naar die cursus ging, hij voelde zich bedreigd en was bang dat ik mijn eigen weg zou gaan. Hij wilde wel dat zijn kostje werd gekookt. Maar ik ben niet mijn eigen weg gegaan, ik kon niet loskomen van hem.’
‘Elvis Presley. Ik hoorde zijn muziek voor het eerst toen we met familie naar een wedstrijd kunstrijden keken op tv. Ik had nog nooit zoiets gehoord en vond de muziek meteen erg leuk en zijn stem geweldig. Mijn man hield niet van rock ’n roll, na zijn overlijden ben ik Presleys cd’s gaan beluisteren. Op mijn 100ste verjaardag hebben mijn kinderen en kleinkinderen een zelfgemaakt lied voor mij gezongen op de tekst van mijn favoriete nummer: Wooden Heart.’
De tekst ligt geplastificeerd naast de bank. Het tweede en derde couplet luiden:
Het nieuws haalt ze uit de krant / de hele wereld staat in brand / ze heeft haar mening klaar / hufters zijn het allemaal.
Haar eigen potje koken, dat vindt ze heel fijn / En de boodschapjes doet ze bij Albert Heijn / Ze leeft sober en gezond / maar wordt toch een beetje rond / zou het van de toetjes of van de taartjes zijn?
(Ze begint te lachen:) ‘Mag het? Ik kan goed schelden hoor. Rotzakken vind ik mensen die ambulancepersoneel lastigvallen, dat doet alleen maar goed werk. Op zulke lui kan ik ongelooflijk woest worden. En op voetbaltuig met hun zinloze geweld.’
‘Oja? Ik ben ook dol op koekjes en gebak. Daar kun je dus gewoon 100 mee worden.’
geboren: 12 januari 1924 in Hilversum
woont: zelfstandig, in Groningen
familie: twee kinderen, drie kleinkinderen, twee achterkleinkinderen
beroep: secretaresse
weduwe: sinds 1995
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Antwoord op al uw vragen
Updates, wijzigingen en klachten
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden