Home

Ook toen hoorde je: ‘Als dat vliegtuig op Amsterdam-Zuid gevallen was in plaats van op Zuidoost ...’

Aan de andere kant van de bergen is het Nederlandse nieuws ver weg. Ik neem er kennis van via de mond van mijn geliefde, die zijn krant via internet blijft lezen, terwijl de krant voor mij niet bestaat als hij niet in papieren vorm op mijn deurmat valt.

Mijn geliefde zegt: ‘Zo vreemd, je leest heel weinig over die ingestorte flat in Rotterdam. Als dit in Amsterdam-Zuid was gebeurd, zou de Volkskrant er veel meer aandacht aan besteden.’

Het resoneert met het verhaal over die andere flat, de flat in Amsterdam-Zuidoost waar ik een roman over schrijf, die in 1992 verwoest werd door een neerstortend vrachtvliegtuig. Een schokkend ongeluk, een ramp, waar genoeg over geschreven werd, maar bij de jarenlange nasleep, met de mysteries rond de verdwenen cockpitvoicerecorder en de lading van het vliegtuig, hoorde je ook geregeld mensen zeggen: ‘Als dat vliegtuig op Amsterdam-Zuid gevallen was in plaats van op Zuidoost...’

Gerda Blees is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Dan zou er veel meer ophef over zijn geweest, dan zou alles tot op de bodem zijn uitgezocht, dan zouden omwonenden die in de jaren daarna gezondheidsklachten kregen serieuzer zijn genomen. Dan zou het kabinet, dat door de parlementaire enquêtecommissie vliegramp Bijlmermeer op talloze fouten en nalatigheden werd gewezen, zijn opgestapt, in plaats van te blijven zitten met een houdinimanoeuvre die heette: ‘We onderschrijven de aanbevelingen, maar niet de conclusies.’

Nadat ik in deze krant had geschreven over mijn zoektocht naar mijn vroegere oppas, die in het flatgebouw woonde toen het vliegtuig neerstortte, vond ik haar, dankzij twee Volkskrant-lezers die met me mee zochten. Ik sprak haar twee keer.

Ze vertelde me over die avond, hoe er bezoek was gekomen, onverwacht, familie van haar man uit Suriname.

‘Komen jullie even het bezoek groeten?’, had ze gezegd, tegen haar twee middelste kinderen, die in hun slaapkamer met hun nieuwe gameboy aan het spelen waren. Ze liepen met haar mee naar de woonkamer. Enkele ogenblikken later zagen ze een fel licht en stond de slaapkamer achter ze in lichterlaaie. Mijn oppas greep haar jongste dochter, de middelsten renden naar het balkon en het bezoek volgde. Van balkon naar balkon kruipend bereikten ze veilig het trappenhuis.

Nog een wonder: de oudste dochter, die bij haar tante in een naburige flat op bezoek was, zag het brandende gat op de plek waar haar huis geweest was. Samen met haar tante naar de televisie kijkend had ze tegen God gezegd: als u bestaat, geef me dan een teken dat ze nog leven.

Even later zag ze op televisie haar moeder lopen, met haar zusje op de arm.

Ik vroeg mijn oppas hoe het verder was gegaan.

Haar zoon had er lang last van gehad. Bedplassen, nachtmerries, vliegangst. Zij had hoofdpijnaanvallen gekregen die nooit meer over waren gegaan.

‘Denk jij ook dat dat door de lading kwam’, vroeg ik. ‘Of door het trauma?’

‘O ja’, zei ze, alsof ze voor het eerst besefte dat het een traumatische gebeurtenis geweest was. ‘Daar had ik nog niet over nagedacht, dat het daardoor kon komen. Wat ik wel heb sinds de ramp: deuren van kamers moeten altijd open blijven staan. Of anders een raam. Ik moet weg kunnen.’

Hulp hadden ze nooit gezocht. ‘Het kwam niet in ons op. Ik was blij dat ik al mijn kinderen nog had.’

Aan de andere kant van de bergen probeer ik het allemaal op te schrijven, in een verhaal te gieten. Mijn geliefde zegt dat Pieter Omtzigt is weggelopen uit de kabinetsformatie. Ik probeer me voor te stellen wat dat betekent, maar er zitten bergen in de weg.

Source: Volkskrant

Previous

Next