Home

Ik zag eens dat een redacteur van DWDD me twaalf keer had gebeld in drie kwartier. Bezorgd belde ik terug

Ik heb de medewerkers van DWDD ook voorbij zien komen, in mijn goeie, ouwe tijd als columnist op het Binnenhof, lang geleden. Nieuwe redacteuren, meestal jong, knap, vrouw en sprankelend ambitieus. Ze werden met enige opwinding begroet en liepen een tijdje rond, voordat ze bijna ongemerkt van het toneel verdwenen en door een frisse werden vervangen.

Het was telkens een unieke kans en een hele verantwoordelijkheid: door het belangrijkste tv-programma van de wereld naar Den Haag worden gestuurd. Soms kostte het weken voor ze een gast van de buitencategorie hadden gestrikt. Vlak voor de uitzending keek de presentator er nog even naar: mwah, saai. Gaan we niet doen. Bel maar af.

Over de auteur
Peter Middendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant. Van zijn hand verschenen onder meer de romans Vertrouwd voordelig en Jij bent van mij. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Persoonlijk is het niet goed als je werk zo van tafel wordt geveegd en je de gast moet afbellen: sorry, ik zei de hele tijd van wel, maar bij nader inzien vinden we u toch niet boeiend. En ook niet voor je kans nog eens een topgast te verleiden. Bij toenemende druk en afnemende kansen raakten sommigen in een paar maanden volkomen leeggesprankeld.

Waarom is afbellen van gasten eigenlijk gewoon? Als eenmaal keuzen zijn gemaakt, moet je niet terugkrabbelen, zou je zeggen, of het opnieuw willen doen omdat zich iets beters aandient. Je moet je eigen nederlagen lijden, geen voetballer zijn die zegt: achteraf bedoelde ik de bal eigenlijk in de andere hoek geschoten te hebben.

Ik zag eens dat een redacteur van DWDD me twaalf keer had gebeld in drie kwartier. Bezorgd belde ik terug – wat kon er gebeurd zijn? Waarom bel je?, vroeg de redacteur. Ik noemde de reden, hij zuchtte diep. Als we je nodig hebben, zei hij, bellen we je wel.

Als jongste bediende heb ik me indertijd ook laten koeioneren en het riet in laten sturen. Het hoorde erbij, je moest ergens doorheen. Maar zo gortig als bij DWDD had ik het nog niet gehoord. Dat moet je toch erg vinden, zei ik eens tegen een DWDD’er. En, na twee biertjes: dat laat je je toch niet welgevallen? Dat pik je toch niet?

Maar daar bleef het bij – een paar keer makkelijk praten. Veel was bekend, maar we vonden het niet erg genoeg. Het sloeg ook niet aan bij de redacteuren. DWDD was voor hen het centrum van de wereld. Daar slagen was de beste start van een tv-loopbaan, falen eerder het tegendeel. Slagen of mislukken, winnen of verliezen, en geen enkel weggetje ertussen – prestatiedruk die presentatoren voor eigen schouders hadden mogen bewaren.

Onder aandacht blijft bijna niemand heel en gaan velen stuk. De camera vreet aan je ziel, zeiden de mensen vroeger; bewondering is een duivelse verlokking. Intussen wordt het verschijnsel wel winnaar-effect genoemd. Als je nooit wordt tegengesproken en alleen wordt bewonderd, ga je in eigen grootheid geloven en verlies je vanzelf de greep op de werkelijkheid en je empathische vermogens. Normale beslissingen kunnen zulke winnaars al gauw niet meer nemen, op het laatst komen alleen nog Jort en Sywert door je ballotage.

Eén ding begrijp ik niet. Als iemand zijn heelheid voor televisieroem wil ruilen, moet-ie dat zelf weten, al mag je hem best herinneren aan de dag dat de duivel de rekening komt presenteren. Maar waarom is zo iemand de baas?

Source: Volkskrant

Previous

Next