Bijna alle recensies van The Zone of Interest vatten deze film over Auschwitz-kampcommandant Rudolf Höss in de overtreffende trap samen. Een „briljant, gruwelijk, gewaagd en ziek meesterwerk”. Een „niet te evenaren waarachtigheid” aan „ gene zijde van de moraal” die ons confronteert met „ons vermogen tot verdringing” om „zonder schuldgevoel van onze welvaart te genieten”.
In talrijke kritieken duikt ook het begrip ‘banaliteit van het kwaad’ op, de term die Hannah Arendt na het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem in 1961 gebruikte om de meelopermentaliteit van de nazi-bureaucraten te munten.
Die verwijzing naar Arendt ligt voor de hand. Regisseur Jonathan Glazer schildert het SS-gezin in de dienstwoning van het vernietigingskamp af als kleinburgerlijke collaborateurs. Het egoïstisch carrièrisme van de Hössjes heeft elke autonome menselijkheid overwoekerd. Dat is kennelijk hun gewone aard.
The Zone of Interest biedt daarom amper aanknopingspunten voor engagement. Bewust. Het moordende werk van de kampbeul komt niet in beeld. Zijn slachtoffers zijn alleen hoorbaar. Op één uitzondering na is er in de film geen deugdzaam wezen te bekennen. De kijker komt zelfs niet te weten waarom Höss’ schoonmoeder, een conformiste die haar zielloze dochter komt bezoeken, op een nacht halsoverkop terug naar huis gaat. Wordt ze achter de muur van het vernietigingskamp ziek van de geur van de gaskamers en crematoria, net als wij kijkers? Of is het pathetisch zelfmedelijden, zoals bij haar schoonzoon die, als hij promotie maakt in Eichmanns Endlösung, ineens moet kotsen?
De film is volgens de meeste recensenten hoogst actueel. Kijken ook wij driekwart eeuw later niet opnieuw weg van systematisch geweld tegen de medemens? De criticus van The Guardian verliet de bioscoop daarom „geschokt en getroffen”. Ze hield er maanden last van.
Met bezwaard gemoed stond ook ik zaterdagavond buiten. Wat te denken? ‘Vervreemding’, mompelde ik gewichtig. Vervreemding is een stoplap als je het niet meer weet. Een sjiek woord om gelaagdheid te zien, zelfs als die er niet is. Een fetisj om jezelf te vrijwaren van wellevendheid. Een intellectualistisch argument tegen klassieke Hollywood-identificatie, waarin het goede het uiteindelijk wel (deels) wint van het kwade.
Het beroep op vervreemding hielp niet. De verzuchting dat „de geschiedenis pervers” is en de goddeloze mens slechts tot het kwade geneigd, zoals de Heidelberger Catechismus (1563) stelt, kon niet verklaren waarom de critici in katzwijm hadden gelegen en ik de makers allerminst kon adoreren.
Glazer gaat ervan uit dat de kijker weet wat de Shoah behelsde. Niet weten is inderdaad niet willen weten. Maar kennis alleen is niet voldoende. Vervreemding kan namelijk ook een excuus worden om niet verder en meer te willen weten. Schindler’s List (1993) dwong de kijker positie te kiezen. The Zone of Interest doet het omgekeerde. Wegduiken is er zo’n algemeen menselijk patroon, dat je je als kijker niet hoeft te schamen dat je na afloop wel een glas wijn gaat drinken.
De banaliteit van het kwaad kan zo uiteindelijk leiden tot het banaliseren van het goede. Hetgeen vervolgens ook de meest elementaire hiërarchie in de menselijk moraal kan ondermijnen.
Op basis van een enkele scene had een criticus „authentieke glimpen van menselijkheid in een wrede wereld” gezien. Ik vrees dat de wens hier de vader van de gedachte is geweest. The Zone of Interest is niet per se een waarschuwing om alert te blijven op het kwaad hier en nu. Als de film al actuele betekenis heeft, dan stemt die eerder tot zorg dan tot optimisme. Glazer doet namelijk geen appèl op het maken van keuzes, maar biedt alleen een a priori verklaring voor voortdurende apathie.
Source: NRC