De Amsterdamse Partij voor de Dieren wil Artis opdoeken, las ik, want Artis is een ‘dierengevangenis’. Ik fietste erheen, snel, voor het te laat was. Wat zouden de dieren er zélf van vinden?
Ik vroeg het aan de kleine olifant, Oscar. Hij had juist een schijfje winterpeen gegeten en liet een klein boertje, waarvoor hij zich beleefd verontschuldigde. Kom daar maar eens om, in het oerwoud! Daar rukken ze de winterpenen zó met hun slurf uit de grond, en verslinden die smakkend, met loof, zand en al, waarna ze het op een onbekommerd ruften en boeren zetten.
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
‘Ik vind het hier fijn, mevrouw’ zei Oscar. ‘Ik woon hier gezellig met me moeder en me zussie. We krijgen vaak sinaasappels. Er is een zwembad. Er zijn ook wolven, maar die zitten verderop, dus die doen niks.’
‘Maar de vrijheid dan, Oscar?’ vroeg ik, want als verslaggever moet je soms advocaat van de duivel zijn. Hij dacht even na. ‘Vrijheid betekent verantwoordelijkheid. Daarom zijn de meeste mensen er bang voor.’ zei hij. ‘Jij bent een slim olifantje!’ riep ik. ‘Ik heb ’t niet zelf bedacht, hoor’ antwoordde hij bescheiden. ‘Het is een citaat van George Bernard Shaw.’
Peinzend liep ik verder, naar de lemuren. Lemuren zijn met rood pluis beklede primaten ter grootte van een poes. Ze wonen niet in een afgesloten kooi of hok. Ze klimmen rond in de bomen, en als je niet oppast jatten ze je krentenbol.
‘Hoe vinden jullie het hier?’ vroeg ik ze. ‘Hebbie geen krentenbol?’ antwoordde de kleinste van het stel. Ik schudde mijn hoofd. ‘Ga er dan effe een paar halen’ sprak de lemuur. ‘Er zit een bakker op het Kadijksplein.’ Een grotere vrouwtjeslemuur, kennelijk zijn moeder, gaf hem een stomp. ‘Hou toch je inhalige bek, Freddie’ zei ze. En tegen mij: ‘We hebben het hier bést, mevrouw. Elke dag kiwi! Dat kregen we niet hoor, thuis in Madagaskar.’
Ze keek even tersluiks achterom, en lispelde: ‘Doe mij eens even lekker aaien? Het mag niet van de oppassers, maar ik ben er zo dol op... toe dan... hier, bij mijn schouders...’ Ik deed het, snel en stiekem, waarbij zij haar oogjes dichtkneep.
Daarna wandelde ik verder, naar het vlinderverblijf. Het was er doodstil, warm en vochtig. De prachtigste vlinders fladderden om me heen. Net toen ik weer weg wilde gaan kwam er een vlinder op mijn arm zitten, een heel mooie, van fonkelend blauw. ‘Wil je mee naar buiten?’ fluisterde ik. ‘Dit is je kans op vrijheid...’
Heeft u ooit een vlinder horen lachen? Ik wel.
‘Als ik gék ben!’ schaterde hij.
Source: Volkskrant