Home

Verzoening klinkt mooi, maar in Sri Lanka heerst cynisme over een nieuwe commissie

Sri Lanka In Sri Lanka’s bloedige verleden lieten het leger en rebellengroepen tegenstanders en burgers ‘verdwijnen’. Mensenrechtenactivisten zijn sceptisch over regeringsplannen voor een nieuwe verzoeningscommissie.

De eerste keer dat ze een kinderlijkje uit een massagraf getild zag worden is haar bijgebleven. „Op z’n zachtst gezegd. Ik ben geen forensisch expert, maar als ouder reageerde ik instinctief. En als jurist dacht ik gelijk: wat is hier gebeurd? En hoe komen we daarachter?” Mensenrechtenadvocaat Ranitha Gnanarajah valt even stil in haar kantoortje in Colombo, de grootste stad van Sri Lanka. Destijds, tijdens haar eerste onderzoek naar een massagraf, wendde ze haar blik af.

In Sri Lanka komen zulke gruwelijke vondsten vaker voor. Verspreid in het hele land, van noord tot zuid en in bossen of buitenwijken, liggen waarschijnlijk de lijken van tienduizenden mensen. De slachtoffers zijn veelal burgers, omgekomen in opeenvolgende geweldsgolven in het land. Vanaf de jaren tachtig kende Sri Lanka meerdere opeenvolgende conflicten, waarin de regering streed tegen het Bevrijdingsfront JVP (dat een socialistische staat wilde stichten) en daarna tegen de separatisten die bekendstaan als de Tamil Tijgers. Aan die laatste burgeroorlog kwam in 2009 een eind.

Om grip te krijgen op dat duistere verleden publiceerde de regering begin januari een wetsvoorstel om een Commissie voor Waarheidsvinding, Eenheid en Verzoening in te stellen. Het initiatief stuit al op cynisme sinds president Ranil Wickremesinghe vorig jaar de plannen ter sprake bracht. Het voorstel „lijkt eerder bedoeld om verantwoordelijkheid voor de wreedheden uit het verleden af te schuiven”, zei mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch deze maand. Volgens de organisatie negeert de regering bestaande kennis en de oproepen van nabestaanden.

Neem de onderzoeken naar blootgelegde massagraven. In juni stuitten arbeiders die een snelweg moesten verbreden in het noordoosten van het land op stoffelijke overschotten in de berm – minstens dertien. Daarmee kun je zeker van een massagraf spreken, maar het is volstrekt onduidelijk wie het zijn en waarom ze daar begraven werden. Advocate Gnanarajah moest via de rechter afdwingen dat er überhaupt een onderzoek naar de vondst zou worden ingesteld. „Je zou denken dat bij zoiets vreselijks forensisch onderzoek en identificatie de prioriteiten zijn. Maar dat valt hier nogal tegen.”

Haar ervaringen komen overeen met de conclusies van de ngo International Truth and Justice Project (ITJP), die vorig jaar een zeer kritisch rapport publiceerde over de massagraven. Van de naar schatting enkele honderden graven zijn er maar zo’n twintig uitgegraven. Daarvoor bestaat geen protocol, en er zijn amper middelen voor forensisch onderzoek. Slechts enkele lijken zijn geïdentificeerd. Anonieme oud-ambtenaren getuigden dat vervolgonderzoeken van hogerhand werden tegengewerkt.

De reden daarvoor is simpel, stelt de ervaren activist Britto Fernando: „Er is geen politieke wil, elke politicus heeft bloed aan de handen.”

De Verenigde Naties houden de regeringstroepen verantwoordelijk voor veel buitengerechtelijke executies en zogenoemde ‘gedwongen verdwijningen’ van militanten of vermeende aanhangers. Fernando noemt het een „beproefde methode”: „Kidnapping, mensen uit hun huizen sleuren. Zo werden mensen geïntimideerd en gestraft door de autoriteiten. En veel figuren die nu een politieke functie hebben, bij verschillende partijen, waren eerder betrokken bij het leger.”

In de massagraven moeten die ‘kwijtgemaakten’ liggen naar wie Fernando namens nabestaanden op zoek is.

Wickremesinghe is niet de eerste president die het land in het reine wil brengen met het eigen verleden. Er zijn al zeker tien vergelijkbare projecten geweest, maar met de adviezen werd niets gedaan. De voorbereidingen voor de nieuwe commissie vonden veelal achter gesloten deuren plaats. Moslims en Tamils – bevolkingsgroepen die vaker slachtoffer waren van overheidsgeweld – zouden onvoldoende zijn geraadpleegd. En ook kijkt de commissie niet naar alle gewelddadige periodes, stelt HRW.

De vorige president, Gotabaya Rajapaksa, deed in 2020 een opvallende uitspraak. De Tamils die nog altijd vermist waren uit de burgeroorlog waren „eigenlijk dood”. Zelf was Rajapaksa in de bloedige eindfase van de burgeroorlog staatssecretaris van Defensie.

Fernando legt een beduimeld vel papier voor zich op zijn bureau: een overlijdensakte – de administratieve oplossing van Rajapaksa’s regering. Namens een moeder die sinds 2007 niets meer van haar dochter heeft vernomen, vulde hij de doodsoorzaak in: langer dan één jaar vermist. „Voor vermisten bestond geen papierwerk. Maar als nabestaanden bijvoorbeeld een pensioen wilden opvragen, hadden zij een officieel document nodig.” Sommige nabestaanden vonden de doodsverklaring, zonder dat ze een lichaam hadden teruggevonden, té pijnlijk.

Veel families hebben zich nu al bij Fernando afgemeld voor deelname aan de nieuwe commissie. „Ze willen niets weten van een nieuw proces, zogenaamd voor gerechtigheid. Moeten ze weer hun zware geschiedenis oprakelen, en waarschijnlijk krijgen ze er niets voor terug.”

Hun getuigenissen zijn inmiddels ook onduidelijk, of vaag – een nachtelijke gewelddadige kidnapping maakt weliswaar indruk, maar bij welke politieke factie hoorde de vermoedelijke dader ook alweer? De tijd, het trauma en de valse hoop tasten het geheugen aan, heeft Fernando geleerd. „Gedwongen verdwijningen zijn zo’n goed wapen, vanwege de diepe impact. Niemand sprak erover – zelfs niet als de kans groot was dat de buren hetzelfde hadden meegemaakt.”

De ngo’s staan ook wantrouwend tegenover Wickremesinghe’s voorstel vanwege zijn repressieve bewind. Hij werd in 2022 president na volksprotesten, maar slaat zelf ook verzet neer. Sommige analisten verwachten dat de strenge maatregelen dit jaar zullen toenemen, in aanloop naar de verkiezingen, in september.

Fernando merkt dat de jongere generatie, opgegroeid met verhalen over uit hun bed gelichte ooms of grootouders, na de recente protesten voorzichtig is. „Mensen zijn ervan overtuigd dat het hier iedere twintig, dertig jaar misgaat in de politiek. De jongeren van nu houden er rekening mee dat zij de volgenden zijn die misschien worden opgepikt”, speculeert de activist.

Advocate Ranitha Gnanarajah verwacht dat het nog lang zal duren voordat Sri Lankanen rust hebben over hun verleden. „Mijn zoon van twaalf zou zich na zijn studie nog kunnen inzetten voor deze zaak. Ik wens het hem niet toe. De staat zou zo’n zware taak niet aan burgers moeten overlaten.”

In Hokandara, een voorstad van Colombo, werd in 1989 na een fatale aanslag op een politieman een reeks wraakmoorden gepleegd. De slachtoffers zouden samen een politieke organisatie hebben gevormd, stelde de politie na een onderzoek dat jaren later werd gedaan. Hun lichamen werden verbrand; in een groenstrook aan de rand van Hokandara werden „zeker 21 lichamen gevonden”, kopten lokale kranten.

Dassanayake Perera (79) vertelt: „Het was avond, mijn echtgenoot was thuis. Ik stond in de keuken toen onbekende gewapende mannen binnendrongen en mijn man dwongen om mee te komen. Ik ben naar familie gevlucht, maar we wisten dat we niets konden doen.

„Toen mijn oom me naar huis bracht, zagen we brand bij de weg. Ik weet niet meer of we het direct begrepen, of achteraf pas, maar ik herkende de geruite stof van de sarong die mijn man aanhad.”

„Ik woon nog steeds in hetzelfde huis. Mijn kinderen groeiden hier op, nu is het gezin van mijn zoon bij me ingetrokken. We spreken nooit over het verleden, om de kinderen te sparen – er zijn al te veel mensen door gekwetst.

„Mijn zoon ging als achttienjarige in het leger. Ik was er niet blij mee, maar hij wilde bewijzen dat de autoriteiten, al zaten ze misschien achter de verdwijning, niet alles voor het zeggen hebben.”

Mehindu (78) woont in een hutje in Divulapitiya, een voorstad van Colombo. Haar broer M. Wijerathna verdween in oktober 1989.

„Elke moeder zegt wel eens tegen haar kind: Als je niet luistert, komt de boeman je halen!’ Maar ik weet wat de billa echt doet – ik krijg er de rillingen van.”

„Mijn broer stond op een dodenlijst, zo neem ik aan. Hij werkte als privéchauffeur, en op een nacht kwam hij gewoon niet thuis. Zijn auto vonden we half uitgebrand terug in een zijstraat, leeg. Toen we rondvroegen, zeiden bekenden dat mijn broer té politiek actief was, maar ik was zo jong dat ik niet begreep wat zij bedoelden. In de eerste weken was zijn verdwijning als een akelige puzzel. We hoorden geruchten over andere vermisten, maar volgens mij heeft niemand de politie ingeschakeld. Ik zou dat in ieder geval niet durven. We namen gewoon aan dat Wijerathna en de anderen gedood waren.

„Wijerathna’s lichaam gevonden is nooit gevonden. Zijn vrouw en drie dochters zijn vertrokken, ik woon alleen. Dat is moeilijk. Ik heb stapels krantenknipsels, dossiers, vragen van advocaten die later langskwamen om over mijn broer te praten. Ik ben nu heus niet nog bang voor de billa, of voor vreemden. Hier weet iedereen wat er met mijn broer gebeurd is, niemand behandelt me anders. Het is wel zwaar om weer over hem te spreken. Ik wil niet meedoen aan weer een onderzoek. Ik krijg er mijn broer toch niet mee terug.”

Source: NRC

Previous

Next