Ze wordt door haar man het koninginnetje van Auschwitz genoemd en ze beweert dat Auschwitz een paradijs is. Geen wonder dat ze die plek niet wil verlaten, zelfs niet als haar man wordt overgeplaatst. Een paradijs verlaat je niet, daaruit word je verdreven.
Jonathan Glazers film The Zone of Interest, die verleden jaar in Cannes de Grand Prix won en die losjes gebaseerd is op de gelijknamige roman van Martin Amis (1949-2023), gaat over de gelukkige jaren van kampcommandant Rudolf Höss en zijn vrouw Hedwig, het koninginnetje, uitmuntend gespeeld door Christian Friedel en Sandra Hüller. Hüllers Hedwig is elegant en plomp tegelijk, wetend en onwetend, volstrekt beheersd en toch permanent op de rand van een zenuwinzinking. Aan het begin van de film krijgt ze een bontmantel toegespeeld van een naar alle waarschijnlijkheid vergaste Jodin, weinig is expliciet in deze film. Zoals Frau Höss de bontmantel past, heb ik zelden iemand een mantel zien passen, alsof ze in een nieuwe huid kruipt. En als ze in een van de zakken lippenstift vindt, probeert ze die uit met zichtbaar ingehouden wellust. De Joden moeten verdwijnen, als de dood de meest doelmatige manier van verdwijnen is dan moeten ze sterven, maar verder is Hedwig niet overdreven vies van hen.
Over de auteur
Arnon Grunberg schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang. Zijn laatste boek is De vluchteling, de grenswacht en de rijke Jood.
Waar Steven Spielbergs Schindler’s List uit 1993 vooral een poging was tot educatie, een geslaagde poging, daar is Glazer voorbij alle didactiek. We zijn dan ook dertig jaar verder. Wie nu nog niet onderwezen is zal altijd blijven dromen. Deze uitspraak van de Oostenrijkse schrijver Ingeborg Bachmann (1926-1973) zou als motto bij de film kunnen dienen: ‘Ik ben hier ook niet om te beleren, te doceren of te choqueren, want de ontzetting is al in u en zo niet kan niemand u helpen.’
Glazer (58) stelt zich op het standpunt, en dat lijkt me uitstekend, dat de toeschouwer weet. Niet weten is niet willen weten. Daarin verschilt de film overigens niet van de roman.
Er zijn wel verschillen. Bij Amis heette Rudolf Höss nog Paul Doll, en zijn vrouw wordt in de roman Hannah genoemd. In de film is dit fictieve laagje glazuur weer afgevijld. Vermoedelijk terecht, Amis zelf schrijft in een nawoord bij zijn roman al dat hij zich ‘slechts één vrijheid ten opzichte van de historische feiten’ heeft gepermitteerd: hij heeft generaal Von Paulus die door het Rode Leger bij Stalingrad werd verslagen ‘17 maanden’ eerder laten overlopen naar de Russen.
Amis, de ironicus, lijkt zich anders dan in zijn eerdere Auschwitzroman De pijl van de tijd (1991) niet echt raad te weten met zijn onderwerp. In De pijl van de tijd gaat de tijd de andere kant op en komen mensen in de gaskamers tot leven. Dat beeld van de gaskamer als plek waar het leven wordt geboren zal niemand snel vergeten.
Als poging daders en meelopers van binnenuit te penetreren verbleekt de roman van Amis bij De welwillenden van Jonathan Littell (56) die de hellevaart van Obersturmbannführer Aue een kleine duizend pagina’s lang van reliëf voorziet. Littells roman is een krankzinnige en geniale uitwerking van het inzicht dat er retourtjes naar de hel bestaan. Hij begint zo: ‘Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het is gegaan. Wij zijn uw broeders niet, zult u antwoorden, en we willen het niet eens weten.’
De juiste toon is niet alles, maar bij deze toon voel je dat je plaatsgenomen hebt in een trein die niet snel zal ontsporen. Overigens kan de juiste toon ook uiterst behulpzaam zijn bij het zo rustig mogelijk opdrijven van mensenmassa’s richting gaskamers, iets wat ook in Amis’ roman ter sprake komt. Slecht is zijn roman niet, hij blijft een vakman, hij heeft alleen de pech dat de film zoveel beter is. En wie zijn roman Het interessegebied heeft gelezen kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn veelgeprezen ironie ternauwernood onderdrukte pathetiek is, melodrama dat net niet aan de oppervlakte komt.
Waar Amis verscheidene personen een stem heeft proberen te geven – naast de kampcommandant en zijn vrouw ook een meeloper en SS-officier genaamd Golo Thomsen en een lid van het Sonderkommando genaamd Szmul – daar concentreert de film zich op het echtpaar Höss en hun kinderen. Wat deze film zo geslaagd maakt, is Glazers keuze de slachtoffers grotendeels onzichtbaar te maken, daarmee plaatst de film zich aan gene zijde van de herinneringscultuur waarin het nazisme onvermijdelijk is uitgelopen. De slachtoffers zijn een geluidsdecor, hooguit zichtbaar als de vlammen van het crematorium die ervoor zorgen dat de slaapkamers van de kampcommandant en zijn gezin nooit echt donker worden. Iets wat vooral de moeder van Hedwig Höss zo onaangenaam lijkt te vinden dat ze een bezoek aan haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen voortijdig afbreekt.
De film gaat niet over de toch wat afgezaagde vraag van de filosoof George Steiner (1929-2020) hoe het kan dat massamoordenaars soms zo mooi Beethoven spelen, of in het verlengde daarvan zulke overtuigende romantici zijn. Höss toont in de film geen noemenswaardige artistieke ambities, laat staan talenten, conform de waarheid. En hoewel hij in de film seksuele betrekkingen onderhoudt met een Joodse gevangene, conform de waarheid, lijkt zijn grootste liefde zijn paard te gelden, wat vermoedelijk ook conform de waarheid is.
In zijn na de oorlog in gevangenschap geschreven memoires noteert Rudolf Höss dat hij op zijn zevende verjaardag een koolzwarte pony kreeg, genaamd Hans. ‘Ik had eindelijk mijn vriend gevonden’, noteert Höss. Deze pony Hans zou ook de enige zijn geweest aan wie de jonge Höss zijn geheimen toevertrouwde. In zijn nog altijd inspirerende studie Männerphantasien schrijft de socioloog Klauw Theweleit (81) ook over Rudolf Höss en zijn liefde voor het paard, een liefde die volgens Theweleit juist als vervangende erotische liefde moet worden begrepen. Hoe dan ook vond Höss in Auschwitz naar eigen zeggen– want ook hij had daar troost nodig – niet zozeer troost bij vrouw en kinderen, maar bij zijn paard ’s nachts in de stallen.
Glazers film gaat evenmin over dat andere tot gemeenplaats verworden inzicht van Hannah Arendt (1906-1975) die stelde dat menig schrijftafelmoordenaar gewoon zijn werk deed, zij het met fanatieke maar vreugdeloze precisie. Iemand als Eichmann zou volgens dat schema net zo lief gymschoenen hebben geproduceerd als Joden naar vernietigingskampen hebben getransporteerd. Dat beeld is inmiddels gecorrigeerd, onder andere dankzij het werk van historica Bettina Stangneth. Het gaat er natuurlijk precies om dat Höss geen gymschoenen produceerde maar lijken, na de oorlog verklaarde hij dat er ongeveer 3 miljoen mensen vermoord zijn in Auschwitz, onder wie 1,1 miljoen Joden.
Waar Glazers film over gaat, en in dat opzicht bevindt de film zich aan gene zijde van de moraal, is de mogelijkheid dat massamoord voor de moordenaar en vooral voor de meeloper niet meer hoeft te zijn dan wat ongerief. Als Höss voor zijn verjaardag van zijn gezin een kano krijgt en met zijn kinderen uit varen gaat met een hengel – nabij Auschwitz stromen de Weichsel en de Soła – is hij ontzet als hij een kunstgebit opvist. Of dit conform de waarheid is, is mij niet bekend. Het had heel goed zo kunnen zijn. Zeker is dat mevrouw Höss Auschwitz werkelijk een ‘paradijs’ heeft genoemd en dat ze er niet weg wilde.
Wat de echte mevrouw Höss heeft geweten, daarover is weinig bekend. Er is een apocrief verhaal dat ze per toeval hoorde dat er in Auschwitz massamoord plaatsvond en dat ze toen niet meer met haar man in één bed wilde slapen. Het zou in overeenstemming zijn met het feit dat zij, nadat ze gevangen was genomen door de Engelsen, relatief snel de verblijfplaats van haar man prijsgaf. Zij vertrok uiteindelijk naar Amerika waar ze hertrouwde. In 1989 is ze in de stad Washington in haar slaap overleden.
In zijn afscheidsbrief aan zijn vrouw schrijft Höss op 11 april 1947, kort voor hij zou worden opgehangen, op verzoek van oud-gevangenen in Auschwitz, dat ze haar naam moet veranderen. Dat heeft ze niet gedaan. Hij noemt haar Mutz, dat was zijn bijnaam voor haar. Ook schrijft hij dat het tragisch is dat hij ondanks zijn vriendelijke en behulpzame karakter de ‘grootste vernietiger van mensen’ werd. Het lijkt hem te zijn overkomen. Hij werd massamoordenaar zoals je per ongeluk in de verkeerde trein stapt. Hij heeft geen troost kunnen putten uit de woorden van Arendt, die kwamen voor hem te laat.
Het heden komt in de film van Glazer kort voor het einde even aan bod, Auschwitz is een museum geworden. We zien hoe employees van dat museum een gaskamer afstoffen en hoe de ruimte waar enkele brillen, protheses en koffers van de vermoorde slachtoffers tentoongesteld zijn wordt gestofzuigd. Zeer passend dat een film die zich aan gene zijde van de moraal en de herinneringscultuur plaatst, eindigt met de schoonmakers van het verleden.
Wie wil weten hoe terecht deze omgang met het verleden is, het verleden als museum buiten openingsuren, zou de documentaire Hitler’s Children van Chanoch Ze’evi moeten bekijken. Al zou men ook zelf naar Auschwitz kunnen reizen om de ambtswoning van de commandant te aanschouwen.
Hitler’s Children gaat over de kinderen en kleinkinderen van hooggeplaatste nazi’s. Ik noem de namen: Himmler, Frank, Göth, Göring, Höss – en zal me hier beperken tot de laatste. Ik moet bekennen dat deze documentaire mij, toen ik hem de eerste keer zag, enorm emotioneerde. De documentaire volgt onder anderen Rainer Höss, kleinzoon van Rudolf, zoon van diens jongste zoon Hans-Jörgen.
Samen met een Israëlische journalist bezoekt kleinzoon Höss Auschwitz, vooral gefascineerd is hij begrijpelijkerwijs door de villa waar zijn vader vanaf zijn derde heeft gewoond.
Een Auschwitzoverlevende wil de kleinzoon van de commandant omhelzen, een jong Israëlisch meisje geeft hem een kettinkje. De kijker vraagt zich af, wie helpt hier wie?
In 2021 interviewde Die Zeit de vader van Rainer, Hans-Jörgen die na de oorlog een bestaan opbouwde als Volvodealer in Stuttgart. Het huwelijk met zijn vrouw Irene was geëindigd in een ‘drama’. Ze beschuldigde hem van ontrouw en dreigde met zelfmoord. Daarna probeerde ze hem met een briefopener dood te steken, maar dat mislukte. Met zijn zoon Rainer wil Hans-Jörgen niets meer te maken hebben nadat die is veroordeeld wegens fraude. Hij zou onder andere 17.000 euro hebben afgetroggeld van een gepensioneerde man.
De journalist die met Rainer Höss naar Auschwitz reisde, verklaarde: ‘Iedereen die langer met Rainer te maken heeft, heeft traumatische ervaringen.’
Wie geen genoeg kan krijgen van de familie Höss – en wie kan van die familie genoeg krijgen? – raad ik ook de documentaire Enkel (Kleinzoon) aan van Aleksandar Reljić, niet zo goed als Hitler’s Children maar toch inzichtelijk.
We zien daarin onder andere hoe Rainer Höss contact zoekt met Eva Mozes Kor, een van de weinige overlevenden van de tweelingexperimenten die dokter Mengele uitvoerde in Auschwitz. Eerst schrijft hij haar een brief waarin hij vraagt of hij haar mag omhelzen, in een tweede brief vraagt de kleinzoon van Höss of zij zijn grootmoeder wil worden. Eva Mozes Kor is in de film overtuigd van de goedheid van Rainer Höss, ze stemde in en maakt Rainer Höss symbolisch tot haar kleinzoon.
Mensenbroeders, laat me u vertellen dat de geschiedenis altijd weer doorgaat en dat er geen lessen uit kunnen worden getrokken, of beter gezegd, dat die lessen uiteindelijk futiel zullen blijken te zijn. De geschiedenis is pervers, het beste wat je kunt doen is van haar genieten.
U zult zeggen, wij zijn uw broeders niet en uw cynisme staat onze vooruitgang lelijk in de weg.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Antwoord op al uw vragen
Updates, wijzigingen en klachten
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden