Home

‘Zit!’, riep de man autoritair. Die hond dééd het nog ook

In het park liep ik langs het zogeheten ‘hondenveldje’. Daar vallen, zoals te verwachten, elke dag vele honden te bezichtigen, van zeer divers allooi. Die doen daar allerlei zinloze hondendingen, zoals aan elkaars kont ruiken, eenden opjagen en rondsjouwen met een veel te grote boomtak in hun bek.

Er kwam een man aanlopen met een hond aan een lijn. De man leek als twee druppels water op Ralph Fiennes in Schindler’s list, u weet wel, in de rol van SS’er die tijdens die massamoord in Warschau onaangedaan een van Bachs Engelse suites (No. 2 in A klein) zit te spelen op een piano. De kop van die man, kortom, beviel me niet.

De hond was een ander verhaal. Hij was onstuimig, jong en vrolijk, het resultaat van een amourette tussen een labrador en een boxer. ‘Zit!’, riep de man autoritair. Die hond dééd het nog ook. Vervolgens haalde de man zo’n toestel tevoorschijn, waarmee hondenbezitters ballen lanceren; zo’n stok van buigzaam plastic met een soort schepje aan het eind.

‘Apport!’, riep Ralph, en zwiepte met grote snelheid een bal in de richting van het drukke hondenveldje. De hond stormde achter de bal aan en probeerde die, nog in volle vlucht, te vangen. Dat mislukte: wél nam de bal door de sprong van de hond een andere wending, en knalde tegen het hoofd van een kale, gedrongen wandelaar.

‘Au, godverdomme’, riep de kale. De hond pakte de bal, rende terug naar zijn baas en liet hem voor diens voeten uit zijn bek vallen. ‘Zit’, zei de baas, met een minachtende blik op de kale man, die, over zijn hoofd wrijvend, aan kwam lopen om verhaal te halen.

‘Kan je niet uitkijken?’, riep de kale. Ralph produceerde een smalend lachje. ‘Sorry hoor’, zei hij. ‘Die hond kan gewoon niet vangen. Hè Max? Domme hond...’ De hond kwispelde. ‘Misschien moet je niet zo teringhard met ballen gooien in een druk park’, antwoordde de kale nijdig. Daar zat beslist wat in.

‘Stel je niet aan, man, zo’n speelgoedballetje’, zei Ralph, weer zo geringschattend. ‘Met een béétje haar op je kop had je ’t amper gevoeld.’ De hond keek verwachtingsvol van de ene man naar de andere, nog steeds kwispelend, alsof er sprake was van een leuk spelletje.

‘Jij bent een lieve hond’, zei de kale man vertederd. Hij bukte en aaide hem even over zijn kop. ‘En jij’, zei de kale tegen Ralph: ‘Jij bent een grafkankerpleurismongool.’ Ook daar zat beslist wat in.

Hij liep weg. De hond kwispelde hartstochtelijk. ‘Zit!’, riep Ralph nijdig, maar dit keer gaf het beest gelukkig geen sjoege.


Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Source: Volkskrant

Previous

Next