Ik trok de deur open. Daar stond hij. In het volste ornaat. De Beuker. Eindelijk weer bij me thuis, na maanden van omzwervingen. Mijn Odysseus. Was hij groter geworden? Of ik misschien kleiner? Zijn schaduw viel tot ver in de gang en verpletterde mij en mijn dochters, die net nog kwetterend hun jassen aan stonden te trekken.
‘Hallo Julien.’ Hij ademde zwaar. Achter hem, op de parkeerplek die altijd bezet is, stond zijn schip: een witte, gebutste bestelbus zonder ramen. Zo een waarin heel veel schilderspullen passen, of lichamen. ‘Koffie?’, piepte ik. ‘Melk en suiker.’
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Hij volgde me naar de keuken en keek toe terwijl ik de beste cappuccino uit mijn leven maakte. Mijn dochters stonden nog in de gang, met hun jassen aan, klaar om naar school te gaan. ‘Papa’, riep de jongste, ‘wie is die meneer?’
‘Nou’, antwoordde ik, ‘dit is dus de…’
‘Schilder’, vulde mijn oudste dochter mij aan. ‘Ja, de schilder’, zei ik, ‘die komt nog even een paar dingetjes afmaken.’ Ik gaf hem zijn koffie en we maakten een rondje door het huis. De muren in de gang hadden wat strepen opgelopen tijdens de verhuizing en in onze slaapkamer moest er op een klein stuk nog een extra laag.
‘Ik ga even de kinderen naar school brengen’, zei ik, ‘ben met vijf minuten terug.’ De Beuker nam een slok van zijn koffie. ‘Dan begin ik alvast’, zei hij. Toen ik terugkwam zat hij in de keuken op me te wachten. Was hij al klaar? Aan de strepen op de muur in de gang te zien nog niet. ‘O ja’, vroeg ik, alsof het me toevallig te binnen schoot en me niet al maanden lang slapeloze nachten had bezorgd, ‘heb je onze sleutel nog?’
Hij stond op en liep langs me heen. ‘Even een peukie.’ Ik volgde hem naar buiten, waar de Beuker het portier van zijn bus opentrok en op de bestuurdersstoel ging zitten. Hij bukte, graaide wat in het dashboardkastje en trok een oude, doorzichtige plastic zak tevoorschijn, vol met sleutels. ‘Hier, leef je uit.’
‘Zijn dit allemaal…’, vroeg ik. Ja, knikte de Beuker. ‘Soms vergeet ik ze terug te geven.’ Hij stak een sigaret op. Binnen leegde ik de zak op tafel. Sleutels, in allerlei soorten en maten, met sleutelhanger, zonder, sommige aan elkaar geplakt met plakband, een enkele uitgedrukte sigarettenpeuk. Al die huizen, al die levens, die samenkwamen in deze oude plastic zak vol verweesd staal.
Een voor een vergeleek ik ze met mijn huissleutel. Uiteraard zat de onze er niet tussen, want waarom zou het ook een keer meezitten? Ik stopte alle sleutels en de peuk weer terug in de zak en gaf hem hoofdschuddend terug aan de Beuker. ‘Nee?’, vroeg hij, met geveinsde verbazing. ‘Dan zitten ze waarschijnlijk in mijn andere bus.’ Maar er is geen andere bus, dat weten we allemaal.
Source: Volkskrant