Home

Herman van der Heul is 100 jaar: ‘Om de juiste vrouw te vinden, koos ik voor de zwaarste bergvakantie’

Herman van der Heul is 100 jaar. Hoe kijkt hij terug op de eeuw die achter hem ligt?

Herman van der Heul gaat gretig in op het verzoek geïnterviewd te worden over zijn leven, want vertellen is wat hij het liefste doet, zegt hij. In de wekelijkse praatgroep waar hij steevast van de partij is, heeft hij naar eigen zeggen ‘altijd het hoogste woord’. De goedgeluimde 100-jarige vertelt in een hoge versnelling over zijn avonturen de afgelopen eeuw, maar moet naar woorden zoeken zodra zijn grote verdriet ter sprake komt.

‘Uitstekend. Mijn vader en moeder hadden een goed hart en hebben heel veel voor mij betekend. Ze hebben mij goed opgevoed – behalve dat ze verzuimden mij te vragen wat ik wilde worden en mij naar het gymnasium stuurden, maar dat heb ik ze vergeven, haha. Wat mijn broer en ik ook vroegen, we kregen altijd antwoord. Mijn ouders hadden bij hun huwelijk afgesproken dat ze maar twee kinderen wilden, want de wereld was al zo vol, en dat ze hen niet religieus zouden opvoeden. Zelf kwamen ze uit een katholiek en een hervormd nest. We mochten eenmaal meerderjarig zelf beslissen of we in God wilden geloven. Ik ben het gaan uitdokteren en zo ben ik atheïst geworden.’

‘Ik was er slim genoeg voor, maar niet geschikt. De hele dag stilzitten en luisteren – niks voor mij. Ik was een dwarsligger, kon niet tegen autoriteit en voerde geen fluit uit. Nadat ik in de tweede en de derde was blijven zitten, moest ik van school af en ging ik naar de hbs. Die zou ik pas na de oorlog afmaken.’

‘Marineofficier, dat was wat ik wilde worden. In de haven van Rotterdam zag ik als jongetje dikwijls marineschepen liggen, ook duikboten en torpedojagers, die kon je bezichtigen. Ik wilde de wereld beter leren kennen. Ik had het boek Rendez-vous in San Francisco gelezen van Erik Hazelhoff Roelfzema, die na de oorlog bekend zou worden als Soldaat van Oranje. Over een jongen die liftend door Amerika reist en allerlei baantjes aanneemt. ‘Dat kan ik ook, maar dan in Nederland’, dacht ik. Dus ging ik in het eerste oorlogsjaar met een vriend een paar weken liftend het land door. Tegen kost en inwoning namen we allerlei klussen aan. Zo heb ik van alles geleerd, zoals dakpannen leggen.

‘Toen de oorlog uitbrak, was ik net 17 jaar. Mijn ouders vonden dat ik iets voor de gemeenschap moest doen, ik werd vrijwilliger bij de luchtbeschermingsdienst. Na een bombardement moest ik op de fiets gaan kijken of er schade was. Dat ik les had gekregen in blussen kwam goed van pas toen ik 16 mei 1940 vanuit Voorburg naar Rotterdam fietste, twee dagen na het bombardement van de stad. In Rotterdam woonde veel familie van ons, mijn oma en tante bleken gelukkig in veiligheid gebracht. De huizen aan de overkant van hun straat stonden nog in brand. Een man riep: ‘Hé, kan je helpen? Ik sta hier al 12 uur achter elkaar te blussen.’ Ik nam het drie uur van hem over. Dit heb ik allemaal meegemaakt.’

‘Twee jaar dwangarbeid in Duitsland, tot het eind van de oorlog, daar heb ik enorm veel geleerd. Sociale omgang; hoe je je moet gedragen. Om iets voor elkaar te krijgen moet je goed kijken wie je voor je hebt en hoe je diegene het beste kunt benaderen. Je moet iemand nooit ergens van beschuldigen – dat werkt tegen je. Mijn vader zei voor mijn vertrek naar Duitsland: ‘Als je iets moet doen wat je niet wilt, zeg dan tegen je chef dat je naar de directie gaat. De directie krijg je natuurlijk nooit te spreken, maar zo krijg je respect. Of zorg dat je een ongeluk krijgt bij wat je moet doen, dan wordt die chef verantwoordelijk gehouden.’

‘Ik werd tewerkgesteld in een granatenfabriek in Straatsburg, waar ik de ovens voedsel moest geven: steenkool en ijzererts. Dat was een warme bedoening, daar had ik geen trek in. Ik zag iedereen zweten. Ik herinnerde mijn vaders woorden en zei tegen de chef: ‘Door de hitte beslaat mijn bril en zie ik niks, daar komen ongelukken van.’ Hij zei: ‘Dan zet je je bril toch af!’ ‘Daar komen geheid ongelukken van’, antwoordde ik. ‘Sie haben recht,’ reageerde de chef – en plaatste mij over naar een andere afdeling, waar de granaten moesten afkoelen.

‘We hebben vreselijk veel uitgehaald met de Lagerführer, die waakte over de barakken waar we sliepen. We versleten er wel drie in een jaar. Ik zat in het comité dat het hem zo zwaar mogelijk moest maken. Ik had ook de leiding over het comité dat de productie van de granaten zoveel mogelijk in het honderd liet lopen, zonder dat de chefs het merkten. God oh god wat hebben we gelachen.’

‘Dat het zo rottig gaat met de wereld. Zeer zeker is ook het overlijden van mijn dochtertje een groot verdriet, elke dag is het aanwezig. Liesbeth was 9 jaar toen ze stierf aan leukemie, een dag voor de verjaardag van onze zoon. Het hele jaar was ze ziek geweest. Haar gezicht veranderde door de prednison. Het is mij niet gelukt haar dood te verwerken.’

‘Mijn vrouw Tiny. In 1949 kwam ik tot de conclusie: ik wil een vrouw. Ik woonde nog bij mijn ouders en was het vrijgezellenleven zat. Op dansles zag ik geen leuke meisjes. Weet je wat, dacht ik, ik ga groepsreizen maken. Dan leer je een vrouw veel beter kennen. Ik koos voor een sportieve reis: een lichte voetreis in Oostenrijk. Er waren een paar loslopende vrouwen, maar die waren minstens tien jaar ouder, die moest ik niet hebben. Wat ik zocht was een vrouw van mijn leeftijd, met een hbs-opleiding, die het nodige wist en een baan had. Een ontwikkelde en actieve vrouw dus. Het volgende jaar dacht ik meer kans te maken bij een zwaardere wandelreis, maar ook daar vond ik geen geschikte vrouw.

‘Weer een jaar later, inmiddels was het 1951, koos ik voor de zwaarste reis die de Nederlandse Reisvereniging aanbood: lopen over gletsjers en klimmen met touwen in spleten in Zuid-Tirol. Aangekomen bij de hut na afloop van de eerste tocht, wilde ik in beweging blijven, en liep naar een uitzichtpunt. Daar kwam ik een meisje tegen dat ik wel leuk vond. Ik vroeg of ik naast haar mocht zitten. Ze bleek katholiek te zijn. Ik had een hekel aan de katholieke kerk; in de oorlog kwam een tante bij mijn moeder radeloos om raad vragen – ze wist niet meer wat ze de pastoor moest zeggen die om de haverklap langskwam met de vraag wanneer er weer een kind bij kwam in het gezin. Nee, een gelovige vrouw wilde ik niet. En alsof de duvel ermee speelde: de volgende die kwam aanlopen was Tiny. Zij leek mij uitermate geschikt als toekomstige vrouw: ze had hbs-b gedaan, werkte bij een levensverzekeringsmaatschappij, was ondernemend en niet gelovig. De vonk sloeg meteen over.’

‘Ik moest een bepaald type vrouw hebben. En Tiny kwam door de test. Na de vakantie zochten we elkaar geregeld op. De volgende zomer gingen we samen naar Oostenrijk en daar heb ik haar ten huwelijk gevraagd. Tiny en ik spraken af dat we niet meer dan twee kinderen wilden, want de aarde was al vol genoeg.’

‘Je ziet wat ervan komt: oorlogen, een strijd om grondstoffen en milieuproblemen door overconsumptie. De aarde is een vuilnisbelt. Nederland lijkt één grote stad te worden. De natuur raakt ondergesneeuwd.’

‘Ik vind dat ieder mens het recht heeft te zeggen: ik wil niet meer leven, en daarin gehoord mag worden en geholpen. Er moet wel worden uitgezocht hoe dat het beste te doen.’

‘Na het overlijden van mijn vrouw hoefde het van mij niet meer. Maar ik moet zeggen dat ik er iets anders over ben gaan denken sinds mijn leven wat beter is geworden, ook al word ik beperkt doordat ik slecht zie. Ik ben mij weer meer bezig gaan houden met andere mensen. Na mijn pensioen ben ik lange tijd met mijn vrouw vrijwilliger geweest voor de Ombudsman, anderen helpen. Op zaterdag zaten we bij het tv-programma Kassa in het telefoonpanel, vragen van kijkers beantwoorden. Nu ga ik elke dinsdag naar een verpleeghuis in de buurt, praatjes maken met licht dementerenden. Dat vinden ze fijn. Het zorgpersoneel heeft daar geen tijd voor. En ik zit in een praatgroep, waar we actuele thema’s bespreken.

‘Elke week komt een buddy, met wie ik boodschappen doe, kook en daarna eten we samen. Mijn zoon komt om de week, dan gaan we uit eten. Ik ben ook nog aan het schrijven, over de eerste dertig levensjaren van mijn vrouw, die ik niet heb meegemaakt. En over mijn jaren als dwangarbeider.’

‘Het allermooiste vind ik dat vrouwen steeds vaker gelijk worden beloond als mannen. Het is schandalig dat zij al zo lang minder krijgen voor hetzelfde werk. Waarom?’

geboren: 3 mei 1923 in Rotterdam

woont: zelfstandig, in Leidschendam

beroep: accountant

familie: twee kinderen (een overleden)

weduwnaar: sinds 2019

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next