Home

Wouter Godijn is op zijn best in zijn nieuwe roman ‘Meneer L en het meisje’

O, nog eens te kunnen lezen zoals je als kind las: met ingehouden adem en gloeiende wangen, heb-honger-moet-plassen wegduwend, zó opgaand in het verhaal dat je, als je dan toch even van de bladzijde opkeek, verdwaasd moest knipperen: jij was al maandenlang onderweg, door de bossen en bergen, met een geheime brief voor de koning, maar de druilerige zondagmiddag was onveranderd gebleven.

Het grotemensenleven lijkt erop gebrand elke vorm van zulke diepe, genotzalige concentratie af te snijden met acute kopzorgen, to-do-lijstjes en vooral heel veel pingeltjes (die telefoon!). En anders zijn het de grotemensenboeken wel, die ons overgeëngageerd de zoveelste crisis inpeperen. Je kunt er natuurlijk een fantasyboek bij pakken, in de hoop daarin te verdwijnen, maar voor je het weet, zit je vast in een veel te dikke zevendelige reeks over het leven in een alternatieve realiteit, waar het óók crisis is, trouwens.

Gelukkig zijn er schrijvers als Wouter Godijn (1955), wiens oeuvre gebouwd is op lichtheid, fantasie en avontuur. Zijn personages beleven vreemde avonturen, losjes beschreven met een nostalgische en magisch-realistische toets. Denk aan Rob van Essen, Tomas Lieske, Allard Schröder, die hoek.

Over de auteur
Bo van Houwelingen is sinds 2015 literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Godijns stijl wekt altijd de indruk dat schrijven geen plechtige bedoening is, maar een spelletje met woorden; iets leuks. Hij is zo’n schrijver die zijn personages vaak (maar gelukkig niet de hele tijd) fonetisch laat spreken: ‘nih-hiks’, ‘nou-hou’, ‘gód-fur-dómmuh’, ‘muh moeder’, ‘kedootjes’, ons tussen haakjes leesaanwijzingen geeft: ‘(De lezer moet zich bij deze passage een aanzwellend gedreun voorstellen)’, en zichzelf soms vermanend toespreekt: ‘met zo’n formulering zou ik alles naar z’n mallemoer helpen. Die zinnen komen er niet in.’ Proza, kortom, waarvan je de achterkant mag zien; de gedachten van de schrijver, en zelfs de manier waarop woorden in zijn hoofd klinken, maken deel uit van het geheel.

In zijn achtste roman, Meneer L en het meisje, komen al die elementen uitstekend tot hun recht. Waar eerder werk soms maar een nippertje weg was van literatureluur, zijn in deze roman alle godijnigheden functioneel; ze versterken het beeld van de personages, ze verdiepen de constructie van het verhaal.

O ja, het verhaal. Aan het woord is schrijver Wout Wensink, die ons gaat vertellen over de ‘wonderbaarlijke’ en ‘de verbeelding tartende’ gebeurtenissen die hem als jongen overkomen zijn. Het begint allemaal als de 8-jarige Wout vriendschap sluit met een nieuw meisje in de klas: Katja. Haar moeder is ziek, de ‘hele boel’ is ‘eruit gehaald’, hoort Wout zijn ouders smiespelen. Dan gebeurt er iets vreemds: de moeder geneest, tegen alle verwachtingen in, maar Katja wordt ziek. Ze vraagt Wout om hulp. Hij moet meekomen om ene Meneer L, die kennelijk iets met die ziekte te maken heeft, te verslaan.

Ze moeten eerst door ‘het grensgebied’, waar ze geleidelijk de gedaante van volwassenen aannemen. Katja verandert in een soort Lara Croft, Wout in een gespierde vent in tuniek, met een zwaard. En dan gaan ze rennen. Almaar rennen, en springen, door bossen, over bergen, kliffen, open vlaktes, onderwijl de wilde honden die Meneer L op ze afstuurt van zich af vechtend. Godijn beschrijft de tocht zo’n beetje van boomstam tot boomstam, maar toch blijft de vaart erin – ik kreeg soms het gevoel in een gedetailleerde videogame te zitten (met al dat geren) en dan weer in een roman van Tonke Dragt, Thea Beckman of Tolkien, op queeste door paradijselijke landschappen, op de hielen gezeten door het kwaad. Of is het allemaal ‘maar’ een waanzinnig fantasiespel waarin twee kinderen helemaal opgaan? Zou dat eigenlijk niet het mooiste zijn? Godijn hint er subtiel op.

Hoe dan ook, die Meneer L, die wil de hele wereld ‘in niets’ veranderen. Hij valt niet te verslaan, maar hij is wel terug te dringen, alleen door kinderen, die, als ze de tocht vol ontberingen weten te overleven, één kans krijgen om een speciale steen te gooien in een cirkel waarin Meneer L staat en dan… Nou ja. Het doet er niet toe (‘doettur wél toe!’, zouden Wout en Katja roepen). Het gaat erom dat Godijn deze reis zo beschrijft dat je in zo’n zeldzame kinderleeservaring terecht komt terwijl – en dit is het knappe – er op hoog literair niveau ook voor de serieuze volwassen lezer van alles te genieten valt.

Wat te denken, bijvoorbeeld, van de manier waarop de schrijver het verhaal inkleedt met een voor- en nawoord, zogenaamd geschreven door de literatuur hatende zoon van Wout Wensink? Hij heeft het manuscript gevonden, een paar ‘stukkies’ gelezen en vond het toch wel spannend, ‘Daddy goes Marvel’. Maar: ‘net als je dan bij jezelf denkt: eindelijk iets voor mij, krijg je weer van die abracadabrastukken. Dat de personages gaan nadenken. Zo vaak tegen hem gezegd: pap, láát dat nou. Geen personages die nadenken in je boek stoppen.’ Wat wil Godijn hier nou mee zeggen? Is het een verkapte uithaal naar het leesniveau van de gemiddelde mens? Is het een voorschot op mogelijke kritiek? Is het gewoon grappig? Het blijft op een prettige manier aan je knagen.

Of neem de manier waarop je deelgenoot wordt gemaakt van allerlei gewaarwordingen; van op de rand van een klif staan, van je onzichtbaar wanen, van iemands hart horen bonzen, van ‘misschien niet alles-, maar wel véélomvattende gelukzaligheid’. Misschien nogal vaag, maar toch zit je er tijdens het lezen instemmend bij te hummen, jaaa, precies zo ja, kan zo’n gewaarwording je overvallen. En dan voel je het zelf ineens ook, sta je boven aan die klif.

Mocht er toch nog twijfel rijzen – bijvoorbeeld over zijn soms buitenissige beeldspraak (een fietspad en een weg die ‘likkenbaardend’ liggen te wachten tot er iemand oversteekt? Echt waar?) – dan heeft de schrijver dat zelf allang door. ‘Weliswaar zag ik geen gelikkebaard, ik wist zelf ook niet zo eentweedrie waarmee een weg en een fietspad dat zouden moeten doen – maar in het geniep deden ze het wél, het scheelde maar een haar of ik had ze betrapt.’

De enige momenten waarop de betovering verstoord wordt, is wanneer Godijn al te expliciet naar God, de duivel en de Bijbel verwijst. De inmiddels flink opgevoerde verbeelding heeft dat niet nodig.

Na het uitlezen van Meneer L en het meisje staarde ik een tijdje beduusd naar buiten. De druilerige middag was er nog.

Wouter Godijn: Meneer L en het meisje. Atlas Contact; 382 pagina’s; € 23,99.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next