‘Ja, zo krijg je wel 700 pagina’s vol’, klaagde ik na de eerste alinea’s van De bolle Gogh (Jaap Cohen, 2024). ‘Het dashboardklokje staat op 9.48. Twaalf minuten te vroeg rijd ik de brede laan in. Hier, in dit mooie gedeelte van Wassenaar, wonen de ouders van Theo van Gogh. Wat zal ik doen? Alvast aanbellen? Nee, dat is geen goed idee. Het maakt geen goede indruk om voor het afgesproken tijdstip bij de mensen thuis te komen. Zal ik dan voor hun deur blijven wachten tot het tien uur is?’
Er volgt een verhandeling over de bomen die ‘al volop in bloei’ staan, bladeren die ‘glanzen in het zonlicht’, ‘rijk gevulde plantenbakken’ en ‘twee kliko’s’ die ‘keurig naast het hekje voor de ingang staan’, waarna het dashboardklokje eindelijk op 9.59 staat: ‘Het duurt even voor ik voetstappen hoor, maar dan gaat de deur open.’
Na zo veel spanningsopbouw verwacht je zo ongeveer dat het bebloede lijk van Theo zélf door die deur naar buiten komt vallen, maar het blijkt gewoon zijn oude moeder, met een ‘smal en fijn gezicht, sprekende ogen, opgestoken grijs haar, eenvoudige, maar elegante kleren, en zilveren oorbellen’.
Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.
Het moge duidelijk zijn: Cohen (pikant detail: zoon van Job Cohen, door Theo van Gogh als ‘NSB-burgemeester van Amsterdam’ afgeschilderd) heeft een (misschien iets té) vlotte pen, en schuwt in zijn biografie de details niet. Dat laatste maakt het boek tot een hele zit, al zijn die details vaak wel de krenten in de pap.
Zo is het leuk om te lezen over de ‘roze pantoffeltjes met zilverstiksels aan de bovenkant’ waarop Van Gogh dagen door New York liep omdat hij blaren van zijn schoenen kreeg. Of over Van Goghs datingshow, ‘waarbij hij zich liet assisteren door een extreem kleine vrouw met een asbak op haar hoofd’.
Later lezen we dat Van Gogh een lijstje bijhield van zijn sekspartners: ‘de teller stond op 137,5 – die halve sloeg op een extreem kleine vrouw met wie hij ooit het bed had gedeeld’. Zou dat diezelfde vrouw geweest zijn, of had hij een stoet van dwergen in zijn coterie? (Van een vriend van Van Gogh hoorde ik trouwens ooit dat de geslachtsdaad in kwestie niet in een bed plaatsvond, maar op een kerkhof, bij nacht.)
Cohen streeft, kortom, naar volledigheid, en komt een heel eind. We krijgen zeer, zeer veel te weten over Van Gogh, over zijn vele vrienden en vijanden, zijn verbeten vetes (hoe hij een schuld van 3.000 gulden aan zijn gewezen makker Thom Hoffman wilde inlossen met een grote emmer besmeurd kleingeld), over zijn talloze (veelal slechte) films, zijn islamkritiek, over zijn moeder, met wie hij op zijn 17de naar bed zou zijn geweest (wat zij overigens hardnekkig ontkent) en over zijn gruwelijke dood.
Was Van Gogh een klootzak met weerzinwekkende meningen of was hij een dappere strijder voor de vrijheid van meningsuiting? De biografie schetst een mild en genuanceerd beeld. De schoft was eigenlijk erg onzeker, en vaak ontzettend lief, gul en zorgzaam. Ook zorgde hij met ontroerend stuntelige toewijding voor zijn zoon Lieuwe, die nooit naar school werd gestuurd zonder een lunchpakket van ‘twee rijpe bananen, twee literflessen Hero-fruitontbijt en een aantal krentenbollen met vijf centimeter dikke plakken grillworst’.
Ook door zulke fijne details is het, hoewel hier en daar écht te wijdlopig, een geslaagde biografie en tijdsbeeld, waarin één onderwerp merkwaardigerwijze nogal onderbelicht blijft: de oorzaak van Van Goghs enorme dikte (130 kilo!). Kwam dat echt alleen van het zuipen? Cohen rept, zeer terloops, over een maagband die Van Gogh zich uiteindelijk liet aanmeten. Had hij een eetstoornis? Daar had ik, van iemand die zich zelfs heeft verdiept in de dikte van plakken grillworst, toch wel wat over willen weten.
Source: Volkskrant