Home

‘Mijn droom is een pelgrimshuis voor dakloze jongeren aan de route naar Santiago de Compostella’

Tijdens een voetreis naar Santiago de Compostela besluit Musti Önlen dat hij iets goed te maken heeft met zijn familie en met de maatschappij. Het leidt tot een project voor dakloze jongeren. ‘De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens is mijn kompas.’

‘Ik hou van u, maar ik val op mannen.’ Met die bekentenis op 15-jarige leeftijd neemt het leven van Musti Önlen een dramatische wending – van oogappel wordt hij plotseling outcast. Tot dan toe is hij de geliefde, intelligente, jongste zoon in een Turks gezin, woonachtig in het Belgische dorpje Neerpelt, niet ver van Eindhoven. Met zijn denksnelheid en gevoel voor humor ligt hij zowel thuis als op school goed: ‘Ik was de lolmaker van de klas, een speelvogeltje die de lachers op zijn hand kreeg door het Frans van onze juf te imiteren.’ Hij is ook degene die bij onrecht in het geweer komt: ‘Als iemand werd gepest omdat hij dik was of een bril had, sprak ik me daartegen uit.’ In zijn favoriete sport, het kunstschaatsen, excelleert hij.

Dat hele bestaan raakt hij in 2007 kwijt na de bekentenis aan zijn vader – een moslim van eenvoudige komaf, werkzaam als buschauffeur, die de hoop koestert dat zijn oudste zoon arts of advocaat wordt en later voor veel kleinkinderen zal zorgen. Voor hem is het vooruitzicht dat hij zijn omvangrijke familie en kennissenkring moet vertellen dat zijn Musti homoseksueel is, een gruwel. Met zijn vuisten slaat hij hard op de muur. Nog die nacht verlaat zijn zoon voorgoed het ouderlijk huis – weg familie, weg school, weg warmte: ‘Ik moest opeens overleven, iedere dag weer. Ik had geen thuis meer en voelde me enorm verloren. Wie moest ik zijn?’

Een terugkeer naar huis blijkt onmogelijk, waardoor hij jarenlang is aangewezen op jeugdzorginstellingen. Die zijn geen onverdeeld succes. ‘Ik heb zeker veel te danken aan de begeleiders. Zonder hen zou ik er niet meer zijn geweest. Maar wat ik het meeste nodig had, liefde, krijg je daar niet echt. Dat gaven ze thuis aan hun eigen kinderen. Wij moesten mee in hun structuur. Het was goed dat die ons werd geboden, maar ik miste toch enorm een warme thuisomgeving.’ Önlen krijgt last van depressies en suïcidale gedachten.

Een ommekeer komt wanneer hij een vrouw hoort vertellen over haar wandeling naar Santiago de Compostela. Als 20-jarige neemt hij het besluit de pelgrimsroute te lopen. Dat blijkt een succes: door de wandeling is hij in staat zijn ouders te vergeven en zijn de onderlinge relaties weer goed gekomen. Ook besluit hij ‘iets terug te willen doen voor de maatschappij’. Hij doet een studie sociaal werk op een hbo-instelling en richt Homie op, een organisatie voor dak- en thuisloze jongeren. De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens noemt de inmiddels 31-jarige Belg ‘mijn kompas’.

‘Ik begon eraan met een verlangen naar vrijheid en wilde eigenlijk vooral met rust gelaten worden. Ik zag het als een bezinningstocht op vragen als: wie ben ik, wat stelt dit leven voor en wat wil ik ermee? Onderweg kom je mensen vanuit de hele wereld tegen die zich diezelfde vragen stellen. Met hen kwam ik in gesprek, ik voelde me met hen verbonden. Velen hadden aanzienlijk meer levenservaring dan ik, het was voor mij, als jong mannetje van 20, echt leerzaam. Het is de reis van mijn leven geworden.

‘Ik heb in totaal 2.100 kilometer gelopen in 77 dagen. Het was het voorjaar van 2012, met enorm slecht weer. Rond de zeventigste dag kreeg ik een zware inzinking, ik moest heel hard wenen. Stress en woede waren tot dan toe echt struikelblokken voor me geweest. Op dat moment, tijdens die crisis, voelde ik heel sterk: wil ik verder komen met mijn leven, dan moet ik vergeven. Ik kon voor het eerst inzien hoe mijn ouders ook maar hun best hadden gedaan, vanuit de normen en waarden die zij hadden meegekregen. Ik heb mijn vader opgebeld en we spraken af elkaar bij terugkeer te zien, hij had mij ook gemist. Dat is het begin van een jarenlang proces geweest, het was aanvankelijk moeilijk om te praten, maar nu zit het heel goed tussen mij en mijn ouders. Ik heb mijn verleden een plaats kunnen geven. Na Santiago besloot ik ook dat ik iets terug wilde geven aan de maatschappij.’

‘Ja, toch wel. Mijn begeleiders in de jeugdhulp, de psychologen, de dokters, mijn leerkrachten – al die mensen zijn er voor mij geweest, dat is van onschatbare waarde gebleken. Zij waren mijn enige houvast, in al die moeilijke momenten stonden ze aan mijn zijde. Als ik die hulp en ondersteuning niet had gehad, dan was ik nu dood geweest. Dus ik heb mijn leven aan hen te danken. En daarmee aan de maatschappij.’

‘Belangrijk was een gesprek dat ik voerde met een Nederlandse vrouw die ook naar Santiago liep. Zij vertelde over haar werk met Peruaanse straatkinderen. Ik wilde ook daarheen en besloot sociaal werk te studeren. Vergeleken met mijn medestudenten had ik veel levenservaring en kon ik gemakkelijk de link tussen theorie en praktijk leggen. In mijn derde jaar ging ik in Peru werken met kinderen die in extreme armoede opgroeien. Ik was tot op het bot gemotiveerd, de gangmaker in de groep. Op de Dag van de Armoede was ik degene die zei: kom, we gaan wafels verkopen. Of ik organiseerde Music for Syri, met bekende artiesten. Zo viel ik op, ook al omdat ik een mondige kerel ben en voor panels werd gevraagd. Uiteindelijk kreeg ik het verzoek van het team van Jo Vandeurzen (destijds een Vlaamse, christen-democratische minister, red.) te helpen zijn departement Welzijn ‘cultuursensitiever’ te maken. Dat heb ik een jaar gedaan. Toen is hij met zijn politieke carrière gestopt en ben ik met Homie verdergegaan.’

‘Wat meespeelde, was de affaire rond Jordy Brouillard in 2016 - een jongen van 19 die zijn leven in de jeugdzorg had doorgebracht en moederziel alleen in een tentje van de honger was gestorven. Er ging een golf van verontwaardiging door België. Zijn dood raakte mij persoonlijk, omdat ik ook thuisloos was en in de jeugdzorg had gezeten. Ik was zelf Jordy. In zo’n rijk land als dat van ons vond ik het onaanvaardbaar. Ik kwam erachter dat er jaarlijks zo’n zestien jongeren uit de jeugdhulp op hun 18de dakloos worden. Voor die groep wilde ik in actie komen. Dat leidde tot de oprichting van Homie. Via Facebook kreeg ik van iemand een oude caravan waar ik dakloze jongeren in kon opvangen. Inmiddels hebben we drie caravans, vijf opvanghuizen en twaalf burgergezinnen die crisisopvang aanbieden.’

‘Ik haal meer voldoening uit de praktijk. Het beleid is zeker interessant en geeft meer status, maar daar gaat het mij niet om. Ik geloof dat ik echt iets voor dak- en thuisloze jongeren kan betekenen door een vertrouwensfiguur voor ze te zijn. Mijn verhouding tot hen is heel informeel, ze komen ook bij me thuis. Dat is echt anders dan de benadering van de jeugdhulp. Bij Homie worden jongeren ook niet geplaatst, ze komen vrijwillig, we zijn dag en nacht voor ze bereikbaar. Vanuit mijn eigen ervaring denk ik goed te kunnen aanvoelen wat ze nodig hebben.

‘Als je op een kabinet van een minister zit, moet je in het gareel blijven en diplomatiek reageren. Dat vind ik lastig wanneer zich iets onrechtvaardigs voordoet. Vanuit de praktijk kan ik ook invloed op het beleid uitoefenen door tegen schenen te trappen. Onlangs had ik een flink aantal politici over de vloer bij de presentatie van mijn boek Een nieuw hoofdstuk, waarin ik jongeren zelf hun verhaal laat doen. Beleidsmakers zien wel onze meerwaarde. Het verhaal van Homie, dat ik vanuit mijn emotie kan vertellen, heeft impact.’

‘Genoeg. De afgelopen jaren zijn financieel verre van makkelijk geweest, omdat we geen vaste subsidie hebben. Dat brengt veel stress met zich mee. Projectsubsidies zijn schaarser geworden, ik lig er soms wel wakker van of we de lonen nog kunnen betalen. We zijn maar met twee betaalde krachten. We kunnen zo’n dertien jongeren opvangen, meer kunnen we niet aan, al nemen we in noodsituaties er toch meer op. Ik zou willen dat de organisatie wat minder van mij afhankelijk wordt, maar zover is het nog niet.’

‘Inhoudelijk vind ik het een erg mooi document, omdat het rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid bovenaan plaatst. Voor die principes wil ikzelf als mens ook staan. Als alle landen de verklaring als hun kompas zouden hanteren, zou de politiek minder om eigenbelang gaan. Dan zouden we als mensheid meer solidair met elkaar samenleven en niet zulke breuklijnen in de samenleving creëren. Als jonge student beriep ik me al op de universele verklaring wanneer ik gemeenten opbelde om meer voor daklozen te doen. Artikel 23 zegt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan, riep ik dan, dus u moet zorgen voor een dak boven hun hoofd. Ik was echt een luis in de pels.’

‘Ja, maar ik merk wel dat mijn utopische gedachten realistischer worden. Ik had gedacht dat er nu al geen daklozen meer zouden zijn, dus dat wij meer impact zouden hebben gehad. Er wordt helaas te weinig op de bestrijding ervan ingezet – het is geen sexy doelgroep en het is ook duur. Maar niets doen kost de samenleving uiteindelijk meer. Help je jongeren niet, dan dreigen criminaliteit en overlast. Een nacht in de gevangenis kost veel geld. Toch wordt er op daklozenhulp bezuinigd, dat is echt kortzichtig.

‘Als ik kritiek lever, bijvoorbeeld wanneer ik me opwind over een jongere die de toegang tot hulpvoorzieningen wordt geweigerd, merk ik dat beleidsmakers zich snel op hun tenen getrapt voelen. Zo’n bericht van mij op sociale media wordt door media opgepikt en dan worden beleidsmakers ter verantwoording geroepen. Dat maakt latere samenwerking met hen lastig. Dus ik ben er terughoudend mee geworden, het ligt gevoelig, heb ik gemerkt.’

‘Ik snap wel wat daarmee wordt bedoeld. Ik haal er ook profijt uit: ik krijg een inkomen, een netwerk, naamsbekendheid en respect van mensen. Maar dat is nooit mijn opzet geweest, ik deed dit ook voordat ik iets ervoor terugkreeg. Dit werk is altijd een constante in mijn leven geweest. Ik haal er vooral voldoening uit, wanneer ik bij een ander de positieve gevolgen van mijn handelen zie. Maar ik merk ook dat ik steeds meer behoefte krijg aan iets nieuws. Ik zou een pelgrimshuis voor dakloze jongeren aan de route naar Santiago de Compostella willen beginnen. Een maand lang ze samenbrengen en dan de laatste drie weken gezamenlijk daarheen wandelen. Dat is het grote project waar ik momenteel van droom.’

‘Tijdens mijn voettocht naar Santiago de Compostella betekende dit boek veel voor me. De hoofdpersoon in De Alchemist leert tijdens een bijzondere reis dat je aan het universum kunt vragen wat je nodig hebt – geloof intens in iets en het dient zich aan. Dat is ook mijn ervaring.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next