Wiebke Hüster houdt erg veel van dansvoorstellingen, behalve als ze door Marco Goecke zijn gemaakt. In zeventien jaar recenseren heeft ze maar twee keer iets positiefs over zijn werk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung geschreven. Begin vorig jaar noemde ze een choreografie van Goecke ‘een blamage voor de virtuositeit van de dansers’. Ze schreef: ‘Het publiek wordt afwisselend krankzinnig, of sterft van verveling.’
Korte tijd later, vlak voor alweer een nieuwe première, ging Goecke nog even zijn hond uitlaten, een teckel. Terug in de schouwburg liep hij Hüster tegen het lijf. ‘Wat doe je hier’, riep de choreograaf, ‘na alle shit die je over me hebt geschreven.’ Toen ze deze opmerking naar zijn idee weglachte, duwde Goecke uit boosheid en frustratie een zakje hondenpoep van zijn teckel in het gezicht van de danscritica.
Over de auteur
Peter Middendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant. Van zijn hand verschenen onder meer de romans Vertrouwd voordelig en Jij bent van mij. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Twee dingen vroeg ik me wel een beetje af. Wat deed Goecke met een zakje poep in de Staatsopera in Hannover? Was hij in de war, stonden er rond de schouwburg geen prullenbakken? In alle tijd die ik op een buurhond heb gepast, ben ik nog nooit ergens met een zakje in de hand naar binnen gelopen. En: het zakje zat er toch wel goed om?
Zelf heb ik ook eens overwogen een recensent wat feiten in het gezicht te duwen. Zijn recensie begon zo: ‘Dit is overduidelijk een parodie op een roman van Simon Vestdijk.’ Maar dat klopte niet, het was helemaal geen parodie, ik kende dat boek van Vestdijk niet eens. Vervolgens werden beide boeken puntsgewijs vergeleken – dit leek er niet op, dat had er niets mee te maken – en volgde de conclusie: wat een slechte parodie. Nul sterren.
Naar aanleiding van het poepzakje schreef Herien Wensink in haar Volkskrant-column: ‘Recensies zijn er niet in de eerste plaats voor makers, maar voor lezers.’ Zo is het precies. Makers moeten niet reageren op recensies, er wordt niet tegen ze gepraat. Het heeft ook totaal geen zin, of je moet leedvermaak willen verspreiden. Nooit zul je iemand horen zeggen: deze traantjes overtuigen me volledig, de kritiek heeft het vast verkeerd.
Makers houden hun mond, gemak en fatsoen, altijd, wat er ook gebeurt. Nu mijn eerste toneelstuk De kant van Ada op tour gaat en door bijna alle kranten met sterren is begroet, en alleen in de Volkskrant met enige reserve, zal ik daar bijvoorbeeld niets van zeggen. Ook nu het met de ontvangst van mijn nieuwe, gelijknamige boek, dezelfde kant op lijkt te gaan, zal ik de laatste zijn die het constateert.
Vorige week stond er een mooi interview met Goecke in deze krant. Aardige man wel, leek het. Een uitzonderlijk kunstenaar, die in 25 jaar negentig choreografieën maakte. Nu zit hij thuis met zijn berouw, eenzaam, werkloos. Zijn teckel is gestorven, Goecke durft zich nauwelijks buiten te vertonen.
Eigenlijk zou je nu ook een interview met Hüster willen lezen. Misschien kun je van zo’n aanval herstellen en als vanouds aan het werk gaan, het lijkt me niet makkelijk.
Maar wat had de wereld er anders uitgezien – die gedachte laat het verhaal wel in je achter – en vooral de levens van de betrokkenen, als Goecke vlak voor de ontmoeting met Hüster niet net zijn hond had uitgelaten, maar bijvoorbeeld een softijsje had gehaald.
Source: Volkskrant