Iedereen weet inmiddels dat je nooit per ongeluk je telefooncamera op de selfiestand moet aanzetten terwijl je zit te poepen. Want dan zie je je hoofd in zijn natuurlijke staat, en dat is niet wat je wil. Alle onderkinnen, de wallen, de binnenkant van je neus, de gehele druipkaars.
Je moet überhaupt, ook buiten de wc, proberen om nooit op een onbewaakt moment de camera op selfiestand aan te zetten. Het komt ongeveer overeen met wat vroeger, in het pre-telefoontijdperk, gebeurde als je jezelf op een grauwe dag ineens in een etalageruit zag. Wie is die woedende persoon met die gebogen rug, dacht je dan, en dat was je dan zelf.
Een aanverwant telefooneuvel waar ik nooit iemand over hoor, maar waar ik zelf veel last van heb, is niet herkend worden door je eigen telefoon. Mijn kinderen, die het belachelijk vonden dat ik geen beveiligingscode en geen gezichtsherkenning op mijn telefoon had, stelden dat in. Dus nu zou ik in principe mijn hoofd voor mijn telefoon kunnen houden, of mijn telefoon voor mijn hoofd, en dan zou hij zichzelf voor mij ontsleutelen. Wel zo aardig, want hij is ook van mij.
Maar dat herkennen, dat gebeurt de helft van de tijd niet, en daar ga ik dan redenen voor verzinnen. De afgelopen week had ik een flinke griep, dus daarom herkende mijn telefoon me niet, dacht ik. Dat vond ik niet erg; ik zag er een erkenning van mijn griep in. Maar het gebeurt veel vaker. Als ik volgens mijn telefoon de verkeerde bril op heb. Als ik een muts draag. Als ik in de wind heb gefietst. Als mijn neus rood is van de kou. Althans, al die verklaringen verzin ik voor al die keren dat de gezichtsherkenning niet werkt en mijn telefoon mij heel pedant de toegang weigert.
Het voelt als een persoonlijke aanval, als flauw doen, want telefoons kunnen verder extreem veel. Hij luistert mijn gesprekken af en stuurt me dan gerichte advertenties. Soms stuurt hij me zelfs advertenties voor dingen waarvan ik helemaal niet wist dat ik ze wilde (een puntige, platte leren schoen, een boekenkastje dat van een sardineblikje gemaakt is). Hij ziet dat ik een concertkaartje koop en noteert ongevraagd de datum in mijn agenda. Hij verzamelt herinneringen uit mijn eigen foto’s, zet er een muziekje onder en maakt me aan het huilen.
Maar mijn gezicht herkennen als ik verkouden ben, ho maar.
Net zoals je veel kunt projecteren op gezinsleden en huisdieren, kun je ook heel veel projecteren op je eigen telefoon. ‘Vind je me soms lelijk/moe/knalrood/verwaaid?’, wil ik mijn telefoon dan vragen. Maar dat doe ik niet. Al zou hij wel antwoord geven, dat weet ik zeker.
Source: Volkskrant