Wie naar de podcast Mediameiden luistert, weet dat Tamar ‘absoluut’ Bot en Fanny ‘klopt’ van de Reijt een geheel eigen taal bezigen. Onlangs hadden ze het over een BN’er die altijd zogenaamd hartelijk informeert ‘hoe het nu toch met de Mediameisjes gaat’. Mediaméísjes, hoonden de twee: hoe denigrerend klinkt dát?
Ziedaar, het verschil zit ’m in slechts drie letters: meiden klinkt goed, meisjes klinkt niet goed, kennelijk. Dat vinden ook twee Volkskrant-lezers (v) die reageren op de reportage ‘Waarom zijn het zo vaak meisjes en jonge vrouwen die zichzelf verliezen in het donker?’ Dat moet meiden zijn, mailen ze. De krant schrijft toch ook niet over jongetjes? ‘Meisjes is een verkleinwoord’, dus dat bevordert de gelijkheid niet.
Is meisje een verkleinwoord? Of is het zoals sprookje, poffertje, toetje, uitstrijkje, dubbeltje, watje en akkefietje een woord dat nu eenmaal eindigt op ‘je’? Zelfs een trip naar Costa Rica met de hele afdeling recruitment heet een bedrijfsuitje; sommige woorden laten zich niet vergroten.
Een jongetje is onder de 10, een vrouw van 25 kan een meisje zijn voor de oudere generatie, die ‘meid’ juist neerbuigend vindt klinken – zo werd vroeger een dienstmeid genoemd. Het Wikiwoordenboek vermeldt ook keukenmeid, moffenmeid, straatmeid, allemaal afkomstig van het Middelnederlandse meit, ontstaan uit meget/maget (maagd) – ‘meid’ had lang een negatieve bijklank.
Dat is al jaren niet meer zo. ‘Die meid heeft zó’n leuke broek’, zegt mijn dochter (19) nu: geen ‘geuzennaam’, zoals meid in de jaren negentig dan weer genoemd werd (‘een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’), maar gewoon, het woord dat je gebruikt voor een vrouwspersoon. De Mediameiden noemen elkaar trouwens continu ‘meis’ – zou meisje dan toch een verkleinwoord zijn?
Evelien van Veen
Op het eerste gezicht geen bijzonder woord, ‘koevoet’. Maar nadat mijn Spaanse vriendin en ik laatst met een breekijzer het valse plafond in ons huis hadden losgewrikt, dacht ik toch: hé, bijzonder woord.
Voor wie het niet weet: een koevoet is een ijzeren staak die aan één zijde eindigt in een soort klauw.
Tussen het vallen van de schrootjes door (ook een fraai woord, ‘schrootje’, een ‘betrekkelijk smalle strook gezaagd hout voor betimmering van wanden, plafonds e.d.’, aldus Van Dale) vertelde ik mijn vriendin over mijn genegenheid voor Nederlandse woorden met een dubbele oe-klank, zoals oehoe en koekoek, of kroepoek, doekoe, bloedgroep (stoephoer, niet te vergeten; oergoeroe staat ook in het woordenboek).
Onze voertaal hier ten huize is Engels, dus we spraken over de crowbar, de koevoet dus. Zij zei dat de Spaanse vertaling daarvan pie de cabra is. Asjemenou, dacht ik. In het Engels zegt men ‘kraaienstang’, in het Spaans ‘geitenvoet’, in het Nederlands ‘koevoet’ (waarom niet ‘koeienvoet’?). Eén werktuig, drie talen, drie dieren.
Later, achter de computer: Wikipedia, koevoet, hetzelfde lemma in verschillende talen. Asjemenou. In het Frans is het een pied-de-biche, oftewel hertenvoet. In Italië zegt men piede di porco, varkensvoet. Vijf talen, vijf dieren. Een Engels synoniem is bovendien gooseneck.
Met uitzondering van die laatste, een vreemde doch begrijpelijke eend in de bijt, hebben al deze dieren gespleten hoeven, zoals ook het werktuig na het ganzenhalsje een gespleten klauw heeft.
Dieren met gespleten hoeven, ik heb het Oude Testament er nog eens op nageslagen: er zijn er vele, van schapen tot reeën en giraffen. Zijn er talen waarin een breekijzer een bokkenpoot heet? Spreekt men in Noord-Afrika van een kameelvoet (niet te verwarren met de kamelenteen)? Zuidelijker, een antiloopvoet?
Henk Bovekerk
‘Ze was somber, lusteloos en jaloers op dieren die een winterslaap houden’, las ik ergens over een vrouw met een winterdepressie. Ik knikte vol herkenning, niet vanwege somberheid of lusteloosheid, maar vanwege die jaloezie. Als slaapliefhebber, koukleum en anti-ochtendmens lijkt een winterslaap me heerlijk: je oprollen, staart om je heen, in slaap vallen en pas weer wakker worden als het warm en licht is. Het internet staat vol foto’s van winterslapende vossen, beren en egels die al mijn vermoedens rond de idylle van de winterslaap lijken te bevestigen.
Nu moet je zulke dingen niet kapotchecken, maar helaas, toch gedaan. Vossen en beren doen helemaal niet aan een échte winterslaap, maar aan ‘winterrust’ (minder diep slapen, af en toe wakker worden en wat eten). Toch nog bibberend aan de bak.
Anderzijds heb je naast lichte winterslapers ook diehards die aan de overtreffende trap van de winterslaap doen: zij gaan in torpor. Zoals de arctische grondeekhoorn, die wel acht maanden per jaar winterslaapt. Tijdens de torpor raakt het diertje helemaal verstijfd en kan zijn lichaamstemperatuur dalen tot onder de nul graden (!) – met uitzondering van het brein, dat niet tegen bevriezing kan.
Helemaal niet benijdenswaardig eigenlijk. En er komt nog iets verdrietigs bovenop: de vrouwtjes ontwaken door klimaatverandering steeds vroeger uit hun torpor. De mannetjes doen dat echter niet en missen steeds vaker de vruchtbare periode van de vrouwtjes. Daardoor slinkt het aantal nakomelingen. Gemma Venhuizen schreef erover in de NRC dat je dit wel ‘een tragedie van shakespeareaanse proporties’ kunt noemen: ‘twee geliefden die elkaar nét mislopen’.
De droge slotsom van haar artikel: ‘Bijtijds opstaan loont.’ Precies níét wat ik wilde horen.
Janna Reinsma
Laat mij maar even, ik draai me nog een keer om, wat kan mij het ook allemaal bommen. Pfoe, dat was me het jaartje wel zeg, vooral december is altijd slopend. De laatste loodjes wegen het zwaarst, zeggen ze. Nou, dat kan ik beamen.
Wat een gedoe. Mezelf grauw van zonnegebrek naar het kantoor slepen om daar weer een hele zonloze dag te typentypentypen. Al op dag twee van de maand radeloos worden van de vraag wat ik ga doen met Oud en Nieuw. Vol schaamte wakker worden na de kerstborrel op het werk. Klauwend door legbatterijachtige winkelstraten om de laatste inkopen te doen. Holderdebolder boemeltjes in en uit om familie en vrienden te zien. Mezelf op rabelaisiaanse wijze scheeldrinken en volvreten.
Uitgeput ben ik. Al bijna een hele week lig ik in bed. Het enige waar ik nu druk mee ben, is mijn tijd verbeuzelen. Ik dommel weer weg, ik lummel wat aan. Een beetje klooien, veel lanterfanten, verder voornamelijk luiwammesen en lapzwansen. En soezen, dat doe ik het liefste.
De Groningers onder ons zouden me direct uit bed sleuren, me om de oren slaan met de Groningse betekenis van soezen. Soezen onder de wol, wat een onzin! Nait soez’n zul je – niet zeuren, zaniken, zeveren.
Soezen is terug te voeren op ‘suizen’, met een betekenisontwikkeling van ‘ruisen’ via ‘gesuis in het hoofd hebben’ tot ‘suffen’. Bij soez’n is het ruisen belangrijker gebleven, als in: een hevig, onaangenaam storend lawaai maken. En de Groningers hebben in dezen natuurlijk gelijk. Wat een luxe, wat een weelde, dat ik voldoende werk heb, geïnteresseerde lieverds om me heen, plezier op borrels, geld om inkopen te kunnen doen en me vol te gieten.
Ik ga eruit. Niet meer soezen, niet meer soez’n. Het nieuwe jaar begint.
Wout van Gils
Al een paar keer heb ik mensen, studenten met name, die tentamenvoorbereidingen combineren met een intensief nachtleven, horen zuchten dat ze last hebben van hersenmist. Waarmee bedoeld wordt dat ze zich niet kunnen concentreren, de stof niet kunnen onthouden, langdurig moeten opstarten en veel ijskoffie nodig hebben om überhaupt een beetje te functioneren.
Het begrip hersenmist komt dan heel goed uit. Klinkt als een gewichtig excuus, toch? Het staat al geruime tijd in Van Dale (sinds 2007: ‘verwarde toestand waarbij je je hersenen niet goed kunt gebruiken en je niet goed kunt concentreren’), maar het heeft een enorme boost in het spraakgebruik gekregen door corona, en vooral de gevolgen daarvan.
Longcovidpatiënten zien hun leven er behoorlijk door ontregeld. Immunoloog René Lutter, die biomedisch onderzoek doet naar het postcovidsyndroom, vertelde in de Volkskrant over een jonge collega die na een hevige corona-infectie opeens geen grafiek meer kon lezen. ‘Ze begreep niet wat er stond.’
Een ernstige aandoening dus, en als zodanig ook door medici erkend. Sinds juli 2021 (precies: midden in coronatijd) is ook het begrip ‘brainfog’ aan Van Dale toegevoegd: ‘concentratiestoornis die kan optreden na een ziekte’. Heel goed voor iedereen die daar serieus aan lijdt; een deugdelijk woord tot je beschikking hebben voor zo’n complexe en verwarrende kwaal voelt als erkenning en het maakt het makkelijker erover te praten. Minder goed dat excuuszoekers ermee aan de haal gaan: geef iemand met zoiets ontregelends als hersenmist maar eens een schop onder zijn kont.
Ik houd dan ook mijn hart vast voor het begrip PEM (post-exertionele malaise, oftewel vermoeidheid na inspanning), dat ik zag opduiken in nieuws rond long covid. De afwasmachine inruimen? Sorry, net een TikTok gemaakt, ik heb nu even heel erg last van PEM.
Evelien van Veen
Jan van Tienens zelfhulpparodie De verworvenheden, waarover onlangs een reportage in deze krant stond, biedt de lezer handvatten om net als de verteller een verlangen te ontwikkelen op Hompelvoet te zijn. Hompelvoet is een onbewoond eiland in het Grevelingenmeer. Het is ook een woord op een landkaart waarvan de klank en gevoelswaarde de verteller bekoren, en hij wil weten ‘of het er zijn net zo goed voelt als het uitspreken van de naam zelf’.
Hoewel de verteller een paar keer dichtbij komt, weerhouden diverse drempels hem ervan Hompelvoet te betreden. Een daarvan is een gebrekkig zelfvertrouwen, waardoor hij als journalist en schrijver niet het gevoel heeft ooit iets wezenlijks te kunnen zeggen. Een studie geschiedenis afronden bracht daar geen verandering in. Wel leerde hij er dat zijn ouders, die een dierenwinkel hadden, leden waren van de petite bourgeoisie, de kleine burgerij, die zich koest hield tussen de woelige arbeidersklasse en de gegoede middenklasse.
Langs die weg belandt het verhaal bij een nieuwe invulling van het woord hompelen. ‘Hompelen is een vorm van liefde die leunt op zelfverwijt’, schrijft Van Tienen (ik ken hem al bijna twintig jaar, hij heeft genoeg zinnigs te zeggen). ‘Hompelen is een werkwoord dat is voorbehouden aan de depri bourgeois’ – een fraai neologisme, ‘depri bourgeois’, dat in 2010 ook voorkwam in het prozagedicht Oude koeien lonesome baby bagger van Adrie Krijgsman.
De Van Dale definieert ‘hompelen’ als ‘op moeilijke of gebrekkige wijze lopen, mank of kreupel lopen’. Al hompelend en mompelend bereikt de schrijver het eiland niet, maar voor hoe de reis zich tot de bestemming verhoudt, en het verlangen zich tot de bevrediging ervan, kun je dit boek als een manifest beschouwen. (De eerdergenoemde reportage liet zien hoe hij het eiland toch heeft bereikt.)
Henk Bovekerk
Onlangs werd in België het ‘ontbreekwoord’ van het jaar bekendgemaakt: lepeltjesverdriet. Dat is het gevoel dat je kunt krijgen als je je geliefde een tijdje moet missen (en dus niet lepeltje-lepeltje zult liggen).
Passend wel, dat in het ontbreekwoord zelf een gemis zit – maar ook toeval. ‘Het ontbreekwoord’ is namelijk een rubriek in het Vlaamse radioprogramma Nieuwe feiten, waarin elke week wordt opgeroepen een woord in te sturen voor iets waar nog geen woord voor bestaat. Zo gingen luisteraars op zoek naar een Nederlands alternatief voor het Duitse Strohwitwer (‘voor langere tijd zonder je partner zijn’), en voilà, lepeltjesverdriet zag het licht.
Opvallend veel van de woorden waar we blijkbaar om verlegen zitten, draaien om sociaal ongemak of mislukking. Zeer fraaie woordvondsten dit jaar, die bovendien nog van pas kunnen komen tijdens de feestdagen, zijn bijvoorbeeld huicheljuichen (de geveinsde dankbaarheid bij het ontvangen van een teleurstellend cadeau), blunderdrang (een Nederlandse tegenhanger van de pregret, ‘het iets te gretig richting afgrond gaan’, zoals een van de presentatoren het mooi omschrijft) of sneuvelambitie (een loos goed voornemen, waarvan je toch al weet dat het niet gaat lukken).
‘Lepeltjesverdriet’ mag dan wel zijn uitverkozen tot hét Ontbreekwoord van 2023, mooier nog vond ik de nummers 2 en 3 uit de favorietenlijst: kwijtruimen (iets zo goed opruimen dat je het nooit meer terugvindt) en breinpuin (volstrekt nutteloze informatie die je hardnekkig blijft onthouden).
Zelf ben ik meer van het breinpuin en uiteenlopende andere vormen van rommel dan van al te rigoureus opruimen, dus ‘dingen kwijtruimen’ is voor mij vooral iets om naar te streven. Ik voeg het met liefde toe aan mijn lijstje sneuvelambities voor 2024.
Janna Reinsma
Veel Drenten hebben – in letterlijke zin – aan een half woord genoeg, dat ook nog eens alleen wordt uitgesproken als het de moeite waard is. Je moet daardoor af en toe goed je best doen om ‘een gesprek’ met hen te voeren. Hoe gaat het? Giet wa. Ga je nog wat doen dit weekend? Wa moek dan, niks toch. Woorden worden samengevoegd, woordeinden ingeslikt. Eens in de zoveel tijd dienen ze je van repliek met een wijze spreuk, iets als: as is verbraande turf (aan ‘als’ heb je niets). Daarna is het weer stil.
In mijn jeugd was daarop in ieder geval één uitzondering: mijn vroegere beste vriend, met wie het makkelijk kletsen was. Als jonkies, spelend in de buurt, raakten we niet uitgepraat over de avonturen die we later – samen – zouden beleven. Later, op de middelbare school, hadden we het over meisjes, feesten, wat we gingen studeren. Daarna verhuisde ik. We raakten het contact kwijt en onze gesprekken droogden op.
Eerder dit jaar kreeg hij een hersenbloeding. Toen ik hem in het ziekenhuis opzocht, kon hij niet meer praten. Afgelopen maand overleed hij. Nu zal hij nooit meer praten.
Als ik hem nou eerder had opgezocht, als ik hem gewoon weer eens had gebeld, as...
Er is van alles wat ik tegen hem zou willen zeggen, van alles wat ik zou willen horen, maar ik wil niet inhalig zijn. We hoeven niet veel met elkaar te delen, misschien zegt hij alleen dat ’t giet als ik vraag hoe het nu gaat. Dat ik de mogelijkheid niet meer – nooit meer – heb om met hem te spreken, zelfs geen halve woordjes, maakt me erg verdrietig. Ik had dat graag gewild, al was het maar voor even, veur eem.
Wout van Gils
Toen ik gisteren met een vriendin naar May December ging, vertelde zij dat haar stiefdochter de film ‘heel intens’ had gevonden. ‘Intens wat?’, vroeg ik. ‘Intens gevoelig, intens broeierig, intens vervelend misschien?’ Boomergezeur, natuurlijk: ze vond de film gewoon, nou ja, inténs.
Ziedaar een opmerkelijke verandering die het woord de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. In Van Dale wordt nog vooral de betekenis ‘een hoedanigheid in hoge graad bezittend’ onderstreept. ‘Intens genieten’ en ‘intens burgerlijk’ geeft het woordenboek als voorbeelden; dat iets zonder meer intens kan zijn, staat er nog niet bij.
Buiten het woordenboek tiert het begrip tout court echter welig. ‘A Nearly Normal Family is naast een spannende misdaadserie ook een intens familiedrama’, schrijft de Volkskrant over een Zweedse tv-serie. NRC kopt in september over het gezin dat gezamenlijk het Boekenweekgeschenk schrijft: ‘Eén Chabot aan tafel is intens, zes Chabots bij Khalid & Sophie is hallucinant’ (overigens ook een woord dat oprukt, en wel als de overtreffende trap van intens).
Woordenboekmaker Ton den Boon, van Van Dale, wijdde er dit najaar al eens een stukje aan: intens is jongerentaal geworden, in de betekenis van heftig, gaaf en cool. Ook wordt het woord in toenemende mate gebruikt om aan te geven dat iemand een uitgesproken mening heeft. ‘Zij is een heel intense vrouw’, geeft hij als voorbeeld – een intens intense vrouw, zou je ook zomaar kunnen zeggen – ‘en dat is soms best vermoeiend.’
Want ja, internet mag dan wel roepen: ‘Ook een intens mens? Dit zijn de 8 tekenen (en ze zijn oké!)’, over het algemeen wordt het van een mens, en zeker van een vrouw, niet als een superpositieve kwalificatie beschouwd als ze heel intens is. Van een film, vermoed ik, wél.
Evelien van Veen
Na de PVV-zege van afgelopen week werd her en der gedemonstreerd tegen fascisme. Het verband tussen het een en ander leek duidelijk. Bij een talkshow zat een jonge demonstrant in het publiek. ‘Was het een demonstratie voor of tegen iets?’, vroeg de presentator haar – het niveau was hoog. Ze zei dat het een demonstratie tegen fascisme was. ‘Omdat je vindt dat Wilders fascistisch is?’, vroeg de presentator door. ‘Ja’, zei de vrouw.
Wilders speelde de dag erna de gebeten hond. De presentator zou de vrouw hebben uitgelokt hem een ‘fascist’ te noemen, wat zou aanzetten tot geweld tegen hem, liet hij weten op X. Aldus de man die de menigte uitlokte ‘minder! minder!’ te scanderen, aangaande Marokkaanse Nederlanders.
Van Dale definieert ‘fascisme’ als streven naar of heerschappij van een ‘politiek systeem berustend op ultranationalistische, corporatistische, autoritaire en onverdraagzame beginselen’. Corporatisme? Dat is ‘staatsordening op grondslag van samenwerkende corporaties’. Corporaties zijn ‘vakgenootschappen’, zoals vakbonden en werkgeversorganisaties. Corporatisme is dus min of meer het poldermodel. Zich distantiëren van polderpolitiek lijkt voor de PVV – ultranationalistisch, autoritair, onverdraagzaam – de enige uitweg uit de klem van deze woordenboekdefinitie.
Een AD-columnist sprak over het ‘polderfascisme’ van Wilders, wat in deze context verwarrend kan overkomen. Voor mij was het een nieuw woord. Hij bedoelde: een variant van het fascisme in Nederland.
Van Dale definieert fascisme verder als ‘benaming voor uiteenlopende (populistische) ideologieën en militante (of militaristische) bewegingen die gericht zijn op het al dan niet met geweld omverwerpen van een pluriforme, door diversiteit en verdraagzaamheid gekenmerkte democratische rechtsorde waarin burgerlijke vrijheden gerespecteerd worden’.
Belangrijker dan de vraag of Wilders wel of niet een woordenboekdefinitie belichaamt, is: in hoeverre is Nederland een pluriforme, door diversiteit en verdraagzaamheid gekenmerkte democratische rechtsorde waarin burgerlijke vrijheden gerespecteerd worden?
Henk Bovekerk
Een vriend omschreef iets wat op zijn werk was gebeurd als ‘micro-onrechtvaardigheid’. Hij moest een mooi project, waar hij middenin zat, plots afstaan aan een collega en kreeg er andere, minder leuke werkzaamheden voor terug. Dat alles werd gepresenteerd als vooruitgang. Maar hij kreeg gewoon iets in de maag gesplitst.
‘Micro-onrechtvaardigheid’: dit zelfbedachte woord is uiteraard familie van de ‘microagressie’, een term waarmee kleine vormen van alledaags racisme, seksisme en andere soorten discriminatie worden aangeduid. Bij een microagressie gaat het om opmerkingen die per ongeluk of expres kleinerend en uitsluitend zijn, die meestal moeilijk zijn om aan te kaarten of zelfs maar te herkennen, maar die tezamen een groot effect hebben, zoals druppels water een steen kunnen uithollen.
Toen die vriend het had over ‘micro-onrechtvaardigheid’, dacht ik dat hij de kwestie met dat ‘micro’ wilde relativeren: alsof er weliswaar sprake was van een onrechtvaardigheid, maar dat hij ook wel snapte dat Vrouwe Justitia hier niet van wakker lag. Maar nee, hij vertelde dat er op zijn werk een heleboel onrecht plaatsvindt, van klein tot groot – hij ontdekte bijvoorbeeld onlangs dat sommige mensen er voor hetzelfde werk als een ander buitensporig meer betaald krijgen. Zijn werk is in zijn ogen een plek vol vriendjespolitiek, waar oneerlijke machtsverhoudingen steeds worden bestendigd door precies het soort micro-onrechtvaardigheden als waar dit stukje mee begon.
Het woord ‘microagressie’ maakt iets zichtbaar wat subtiel en complex is, en onthult dat de duivel kan schuilen in details. Ik voorzie ook een grote toekomst voor de ‘micro-onrechtvaardigheid’: het reikt ons een woord aan voor dingen die het best waard zijn om ’s nachts – samen met Vrouwe Justitia – van wakker te liggen.
Janna Reinsma
Het is te koud en het regent te hard om het van de daken te schreeuwen, maar het moet eruit, ik kan het niet voor me houden, dus ik zet het maar in de krant: ik ben verliefd. Zo, dat is dat. Het is érg lang geleden dat ik me zo heb gevoeld, zo lang dat ik niet wist of dat gevoel voor mij nog wel bestond, en daarom wil ik het deze week hebben over een heerlijk maar ondergestoft woord, een woord dat in onbruik is geraakt.
Dat woord is smoddermuilen. Het staat niet meer in de Van Dale, dus voor de betekenis ervan moeten we terug naar het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), voor woorden van 1500 tot 1976. Smoddermuilen is een werkwoord dat is gevormd uit smodderen en muil. Smodderen? Dat is volgens het WNT ofwel een afleiding van ‘smodder’ (gewestelijke vorm naast ‘modder’, in zuidelijke dialecten), ofwel een bijvorm van ‘modderen’, wat ‘zekere bewegingen met den mond of de lippen maken bij het vrijen’ betekent. Smoddermuilen zelf betekent: (elkander) op de lippen kussen, inzonderheid kleverig of langdurig.
We doen dat graag en gretig. Goed, ik zal enigszins kies blijven en niet te veel uit de school klappen, maar ik ben zo gelukkig, zelfs in deze barre tijd. Ik heb louter zin om neopetrarcaans de liefde te bezingen.
O mijn zalige waggelgansje, m’n versgemaakte aardbeienbavarois, o m’n eerste zonnige dag van de krokusvakantie, jij krijgshaftige walkure, lieve leeuwin met woeste manen, m’n wiegende smikkelbips, m’n koosnaampje! Ineens komen andere vergeten woorden, gelijk mijn verloren gewaande gevoelens, naar boven borrelen. Ik wil met je sneukelen, snobbelen, snollen. Laten we een eeuwige horlepiep dansen.
Gottegod, wat doe ik hier nog, hop, de deur uit, kou en regen trotseren, hoepla, als een razende naar je toe, smoddermuilen!
Wout van Gils
Een avond zoals je ze eigenlijk alleen maar spontaan voor elkaar krijgt. Vrienden aan tafel, geïmproviseerde doch erg goed uitgepakte gerechten, genoeg wijn en smakelijke verhalen. Het wordt al donker, dus schemerlampjes en kaarsjes aan, hè, gezellig. Helemaal autumn girl aesthetic: grote gebreide truien en sjaals, dekentjes, Gilmore Girls, kaneel, pompoen, stoofpotjes, Taylor Swift, paddestoelen, vallende blaadjes, sokken, alles uitgevoerd in zachte herfstkleuren. Etentjes met vrienden terwijl het buiten donker wordt horen daar ook bij, besluit ik ter plekke.
Een van de disgenoten is de Franse illustrator Clémentine Latron, die tekeningen maakt over het leven van een expat in Nederland. Onze gektes kennen we natuurlijk zelf wel: fietsen, haring, op een verjaardag iedereen feliciteren, veel te veel panterprintjes, bijzondere stemlocaties, boterhammen, weerapps, botheid (gewoon eerlijk!).
Als het om taalgebruik gaat, wordt het al interessanter: wist u bijvoorbeeld dat woorden als souterrain, bonbon en horloge in het Frans iets heel anders betekenen? Andersom is onze Franse gast geïntrigeerd door woorden als ‘natafelen’, ‘uitbuiken’ en de tongbreker ‘gegrilde groenten’, woorden die vanavond erg van pas komen. Het verschil tussen een fluitje en een vaasje wil er alleen nog niet in.
Wanneer ik uitleg dat ‘schemeren’ niet alleen iets is wat de natuur doet, namelijk van licht overgaan naar donker, maar ook iets wat je als mens kunt doen, namelijk lekker nietsdoen in het halfdonker, gaat er een lachsalvo op aan de Nederlandse helft van de tafel. Dat is toch geen woord! Hoe kom ik erbij!
Moet u net deze letterknecht hebben, die zelfs in het inmiddels behoorlijk donkere halfdonker feilloos de Van Dale weet te vinden en de gasten zo betekenis 6 van het lemma ‘schemeren’ kan voorschotelen. Een overwinning die de autumn girl aesthetic van de avond extra glans verleent.
Nienke van Leverink
Ik wilde Merlín y familia lezen, een Galicische klassieker over de tovenaar Merlijn, maar omdat er geen Nederlandse vertaling is, week ik uit naar Arthur, koning voor eens en altijd van Terence H. White. Ik las de versie van Max Schuchart uit 1979, en hoewel deze slordigheden bevat – neem een zin als ‘De mensen in die tijd hielden dr heel andere denkbeelden over het africhten van honden op na als wij’ – verkneukel ik me in het verouderde taalgebruik en mag ik er regelmatig het woordenboek op naslaan.
Zo las ik dat de kennel van Sir Ector, pleegvader van Arthur, bestond uit ‘wolfshonden, honden die op het gezicht joegen, en bloedhonden en brakken’. Ik kende ‘brak’ goed als de gammele toestand na overmatig alcoholgebruik (zie ‘krokant’), maar behalve een kater blijkt brak dus ook een hond te zijn: een ‘jachthond die lopend, met de neus aan de grond, wild zoekt en volgt’, ook wel ‘brakhond’ of ‘braque’ genoemd. Zoek ik op ‘brak hondenras’, dan vind ik onder meer de Tiroler Brak en de Braque Saint-Germain.
‘De brakken zagen eruit als beagles’, lees ik in het verhaal over koning Arthur, en ‘de brakken blaften muzikaal’ toen tijdens de jacht een zwijn uit zijn leger verdreven werd.
Brak zou verwant zijn aan het Middelhoogduitse bræhen, dat ‘ruiken’ betekent, iets wat deze honden goed kunnen. Volgens Wikipedia heeft de Braque Saint-Germain daarbovenop het fabelachtige instinct ‘om wild met opgeheven voorpoot aan te wijzen’. Het Latijnse fragrāre (‘sterk ruiken’) zou met braehen samenhangen, de stam van het Engelse fragrance (geur, welriekendheid). Braque, bracke, braco, bracco – in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië heten jachthonden ook zo. Al deze informatie was met drie muisklikken te vinden; ik hoefde er niet lang naar te speuren.
Henk Bovekerk
Bij een strandtent in Zandvoort ben ik duidelijk niet de enige die interesse heeft in mijn bananencake met aardbeien. Een mus verschijnt, hipt rond, springt op het bordje met kruimels en neemt het ervan.
De serveerster vertelt me even later alles over de omvangrijke mussenkolonie die blijkbaar het hele jaar door in deze strandtent woont. Hoe bijdehand ze zijn (héél), wat hun werkterrein is (het café en de keuken) en hoe ze zich schuilhouden bij de hoge plafonds en de hangplanten, waardoor de tafeltjes eronder soms vol aarde en vogelpoep liggen. ‘Heb je net alles gedekt, kun je weer opnieuw beginnen.’
Ze ergert zich aan de troep die de mussen maken en is ook niet onder de indruk van hun arbeidsethos. ‘Als ik om half negen binnenkom, zijn er nog maar een paar wakker. De meeste zijn uitslaapmussen.’
Eens in de zoveel tijd komt een valkenier langs om ze levend te vangen met een speciaal net. Hij zet ze vervolgens weer uit in Limburg. ‘Dat zegt-ie tenminste.’
In een kort gedicht schreef Kees Stip eens dodelijke woorden over Zandvoort. Het gaat als volgt: ‘‘Helaas’, zegt een bedroefde kwal,/ ‘de aarde is een tranendal,/ een zee van zuchten en geween./ Waar zwalpt het blinde lot ons heen?’/ En zelf geeft hij meteen het antwoord:/ ‘Ik weet het al, we gaan naar Zandvoort!’’
Als het blinde lot je naar Zandvoort zwalpt, is dat waarschijnlijk niet best. Misschien is het de serveerster overkomen. Maar als Zandvoort de plek is waar je ná het aardse tranendal belandt, zou het dan niet ook een soort hemel kunnen zijn, waar je terechtkomt... als uitslaapmus? Die lekker laat ontbijt met bananencake, en af en toe op vakantie mag naar Limburg?
Janna Reinsma
Laatst was ik een paar dagen in Parijs. Vlak bij Place des Vosges werd een huis verbouwd, knoestige mannen waren druk in de weer met sjouwen, schaven, zagen. Ik was er al bijna voorbijgelopen toen ik in de hoek van het huis een jonge jongen zag, een zoontje van een van de mannen misschien, stuntelend met een eigen project: hij was bezig een tafel in elkaar te zetten.
Ik had geen haast en hield even stil om te kijken naar zijn werk. Dit was geen tafel van de Ikea, de jongen was er echt een aan het maken. Met hout, een zaag, een lijmspuit en schuurpapier binnen handbereik. Maar, en dit nam me zo voor hem in, hij deed het niet goed; hij deed het, zogezegd, met de Franse slag. Twee poten hield hij voor zich, de ene was overduidelijk korter dan de andere.
De Fransen hebben voor deze arme jongen een woord: bricoleur (een doe-het-zelver), van het werkwoord bricoler, dat knutselen betekent. In de Van Dale staat een afgeleide daarvan: bricolage (geknutsel, knutselwerk, of, in negatievere zin, broddelwerk).
Wat ik zag, deed me denken aan mezelf. Toen ik zelf nog een jonge jongen was, deed ik ook aan bricolage, in de werkplaats van mijn vader, een timmerman. Het was mijn taak om ‘de zaak’ (zijn woorden) schoon te maken, maar af en toe liet hij me wat knutselen. Veel stelde dat niet voor, veel was broddelwerk, soms viel het me zwaar, maar dat was niet erg.
Ik ben altijd doorgegaan met knutselen; nu doe ik dat bij de Volkskrant. Ook als een stukje ogenschijnlijk nergens heen lijkt te gaan, dreigt te mislukken, is er met een beetje zaag- en schaafwerk veel te redden. Bon courage, petit bricoleur, geef niet op!
Wout van Gils
Geregeld smokkel ik het woord ‘prompt’ een tekst in; een fijn, tikkie ouderwets woord vind ik het, dat voor mij niet alleen ‘vlot, snel’ (Van Dale) betekent, maar ook iets heeft van ‘zul je nét zien’. ‘We stonden een beetje over haar te roddelen en prompt stond ze voor onze neus.’
Een bijwoord dus, of een bijvoeglijk naamwoord, zoals in ‘een prompte betaling’. Dat ‘prompt’ ook bestaat als zelfstandig naamwoord wist ik niet, tot ik het tegenkwam in een mail van het cursusprogramma van de Volkskrant dat journalisten van de nodige bijscholing voorziet. Er werd een webinar ‘prompts schrijven voor AI’ georganiseerd. De uitleg: ‘Veel mediamakers zijn al druk aan het experimenteren met kunstmatige intelligentie (AI) als ChatGPT. Maar het schrijven van goede opdrachten voor deze modellen, ofwel prompts, kan een uitdaging zijn’.
Nu ben ik, mediamaker, geenszins druk aan het experimenteren met AI, maar sindsdien zie ik wél overal ‘prompt’ opduiken in deze voor mij nieuwe betekenis. Een opdracht aan de computer dus, die deze vervolgens vlot, snel uitvoert; etymologisch zijn ‘prompt’ en ‘een prompt’, zo vind ik, verwant.
Ze komen van het Latijnse promptus, dat inderdaad ‘gereed, klaar, vlot’ betekent en dat vandoen heeft met een ‘promptuarium’. Een provisiekamer is dat, een magazijn, waar alles voor het grijpen ligt, zodat je het vlot, snel kunt pakken. Een prompter (Engels) in het theater geeft acteurs vlot, snel hun tekst aan als ze die vergeten zijn.
Goed, nu maar eens experimenteren met AI en het ouderwetse woord modern gebruiken. ‘Schrijf een stukje over de herkomst van het woord ‘prompt’’, luidt mijn prompt. Een wonder ontrolt zich voor mijn ogen: het magazijn, de theaterterm, ChatGTP weet het ook allemaal, al schrijft-ie het wat bloedeloos op. Maar wel vlot, snel.
Evelien van Veen
Wopke Hoekstra werd ondervraagd door de milieucommissie van het Europees Parlement, in het kader van zijn aanstelling als Eurocommissaris voor Klimaat. Bas Eickhout van GroenLinks, ondervoorzitter van de commissie, zei tijdens de hoorzitting dat Hoekstra niet bekendstaat als ‘klimaatkampioen’.
Wat is een klimaatkampioen, vroeg ik me af. Een kampioen is de winnaar van een competitie, dacht ik: Nederlands kampioen bowlen, olympisch kampioen reuzenslalom. ‘Klimaatkampioen’ lijkt een noviteit, geschikt voor een kwartetspel met woorden als ‘klimaatklever’ en ‘klimaatdrammer’ – rollen die Hoekstra ook niet op het lijf geschreven zijn.
Maar ‘kampioen’ betekent nog meer. Het is ook ‘iemand die de wapens voor een ander opneemt’ en de ‘beschermer, verdediger in woord en/of daad van een persoon, een partij, een zaak, een gevoel’ (Van Dale). In die zin is het synoniem aan ‘pleitbezorger’ en ‘voorvechter’, en kan Hoekstra – toch een beetje een loser – zich ook kampioen wanen. Maar wiens pleit zal hij als Eurocommissaris bezorgen?
‘Klimaatkampioen’ blijkt geen neologisme van Eickhout, maar lijkt te zijn ontstaan na de VN-klimaatconferentie in Parijs. Vrij vertaald vanaf de website Climate Champions: ‘Om het werk van overheden te verbinden met vrijwillige en gezamenlijke acties van steden, regio’s, bedrijven en investeerders, besloten landen twee High-Level Champions aan te stellen.’ Egyptenaar Mahmoud Mohieldin en Razan Al Mubarak uit de Verenigde Arabische Emiraten mogen zich officieel ‘klimaatkampioen’ noemen.
Klimaatkampioenen is ook een programma op Cartoon Network waarin kinderen met tips over energiebesparing wordt aangeleerd dat de oplossing voor de klimaatcrisis bij individuele consumenten ligt, terwijl die crisis de uitkomst is van een systeem waarin regeringen met miljarden belastinggeld vervuilende sectoren subsidiëren. Shell-man en KLM-vriend Hoekstra lijkt niet de aangewezen persoon om dat als klimaatkampioen aan banden te leggen.
Henk Bovekerk
YouTube vroeg aan mijn vriend of hij weet waarom zijn kat ‘loaft’. Inmiddels weet ik het ook. Misschien prikkelt het ook uw aandacht als u weet dat loafing hier zoveel betekent als ‘de vorm van een brood aannemen’.
Met loafing wordt de houding aangeduid waarbij de kat op zijn buik ligt, zijn staart om zich heen krult en zijn voor- en achterpootjes onder zich vouwt. Het is een ontspannen houding die laat zien dat de kat zich veilig voelt. De kat kan vanuit deze positie namelijk niet meer zo snel opspringen of wegrennen; zijn klauwen (in het YouTubefilmpje beschreven als ‘zijn wapens’) heeft hij netjes opgeborgen. Het kost hem zo minder energie om zichzelf warm te houden.
Mensen op YouTube vinden massaal dat de kat er nu ‘precies’ uitziet als een loaf of bread (een brood). Ze fotoshoppen kattenhoofden aan broden om hun punt kracht bij te zetten.
Hiermee wordt vooral duidelijk dat men in de Engelstalige wereld andere broden eet dan bij ons. Want welke Nederlander zou bij deze kattenhouding nou aan een brood denken? Enig googlewerk wijst uit dat Engelse en Amerikaanse broden inderdaad vaak wat breder en ronder zijn dan bij ons. Ze worden, zo lijkt het, ook vaker als plaat- of vloerbrood gebakken, waardoor ze vormelozer zijn. Bij ons is het zogeheten busbrood de norm, waarbij het brood in een bakvorm wordt gebakken, het brood eerder de hoogte in gaat dan de breedte, en er scherpere hoeken ontstaan.
Het Nederlandse busbrood is te recht, hard en hoekig voor een kat. Dat de kat brood kon worden is een wonder dat zich misschien wel alleen in de Angelsaksische cultuur kon voltrekken.
Janna Reinsma
Heel ouderwets is het eigenlijk, hoe ik woon. Vanwege de opkomst van het studentenhuis was het tientallen jaren niet populair meer, maar tegenwoordig komt het – door de schrijnende woningnood – weer iets vaker voor. Ik woon bij een oude man in huis, op een zolderkamertje. Hij is daarmee een zogenoemde hospes, de mannelijke vorm van het bekendere woord hospita.
Het woord is ontleend aan het Latijn en gevormd uit twee stammen: hosti- (gast, vreemdeling) en poti- (heer, meester) – oftewel, heer van de gast. Leuk en aardig, dat gastheerschap, maar een extra zakje knaken op de oude dag is altijd welkom, dus Van Dale geeft als eerste definitie: ‘man bij wie iem. voor geld op kamers woont’. En als derde: ‘dier waarop parasieten leven’. Nou moe.
We hebben elkaar ontmoet in het café. Hij kwam langzaam aanstiefelen, want hij is vrijwel volledig blind. Ik kan daarentegen nog redelijk goed zien voor mijn leeftijd, en gedurende ons steeds liederlijker wordend gesprek stelde hij voor dat ik hem ging helpen zien. ‘Zijn ogen’ moest ik worden. Daarmee ging ik akkoord. Nu help ik hem met de post, houdbaarheidsdata op verpakkingen, zijn pantoffels zoeken.
We hebben het fijn samen. Ik zou onze relatie op z’n minst als ‘niet-parasitair’ willen omschrijven. Hij zei laatst dat ik hem deed denken aan de poes die hij vroeger had, zo zachtjes en stil als ik me door zijn huis beweeg. Hij vindt het een fijn gevoel dat er iemand in huis is, ik vind het fijn dat ik hem kan helpen (en dat ik voor een schappelijke prijs in de grote stad kan wonen).
Ik hoop dat het nog lang goed gaat. Ik hoop dat we beiden nog lang in zijn huis kunnen leven, dat het niet verwordt tot dat andere woord dat is afgeleid van hospes: het hospice.
Wout van Gils
Onlangs werd in Utrecht de tweede Plandeldag gehouden om tweeduizend straten, stoepen en steegjes zwerfafvalvrij te maken, op zijn minst voor de duur van die ene dag. ‘Plandelen = wandelen + plastic rapen’, zo werd uitgelegd op het affiche van het sympathieke evenement.
Het woord ‘plandelen’ is een vondst van de Plandelman, initiatiefnemer van de Plandeldag en actief zwerfvuilraper. Het staat niet in het woordenboek, maar dat kan nog komen, want ‘ploggen’ staat daar wel in: ‘tijdens het joggen afval oprapen (een uit Zweden afkomstige fitnesstrend)’. Best een merkwaardige definitie, vindt Woord van de week. Het doel van ploggen is, net als dat van plandelen, zwerfvuil opruimen en niet per se fitnessen – al komen er ontegenzeggelijk diepe kniebuigingen aan te pas.
Ploggen is een samentrekking van joggen en het Zweedse plocka, weet Van Dale. De ‘pl’ komt dus niet, zoals bij plandelen, van plastic, maar van ‘plukken, verzamelen’, de betekenis van plocka, plukke (Deens, Noors), pflücken (Duits) en pluck (Engels). Stammen allemaal af van het latijnse piluccare, zegt etymologiebank.nl: druiven plukken, oogsten, ‘een woord van de Romeinse wijnbouw’.
En over oogsten ging het, op een vrijwilligersbijeenkomst die voorafging aan de Plandeldag in Utrecht: lege chipszakken, snoepwikkels, lachgaspatronen, sigarettenpeuken en waterflesjes in dit geval. Allemaal ‘topploggies’, leerde Woord van de week; het wereldje der zwerfafvalrapers kent een geheel eigen jargon.
Een ‘binfluencer’ bijvoorbeeld laat zien dat vuilnis in de bin, de vuilcontainer, hoort en niet op straat. Het ‘peukenmeisje’ organiseert ‘peukmeukdagen’ en de ‘zwerfinator’ voert een strijd die verder gaat dan rapen. Hij krijgt fabrikanten (van Antaflu-snoepjes bijvoorbeeld) zo ver dat ze plastic snoeppapiertjes door papieren vervangen. Want, zegt de zwerfinator: afval rapen helpt niet genoeg. ‘Wij zijn kruimeldieven.’
Woordkunstenaars zijn het, die plandelaars.
Evelien van Veen
De BBB krijgt weleens de kritiek dat ze slim gebruikmaakt van een oudbakken populistisch verhaal met een provinciaalse twist om stemmen te winnen, met als enig doel de belangen van de agrarische industrie beter te kunnen behartigen. Maar wordt het feit dat deze belangengroep zo nu en dan met aardige taalvondsten komt, altijd en overal voldoende erkend?
Neem de HJ Schoo-lezing van afgelopen maandag, door BBB-fractievoorzitter Caroline van der Plas. De voordracht blonk niet uit in helderheid, maar de taalminnende luisteraar kon af en toe toch even het voorhoofd ontfronsen, zoals bij termen als ‘pruttel-tv’, ‘noaberstatelijkheid’ en ‘blauwestoeltjesbrigade’.
In het bijzonder viel mij het begrip ‘witteboordenoverheid’ op. Journalist H.J. Schoo gebruikte dat in 2003 om te beschrijven dat vooral ‘beter opgeleiden’ nog de ‘arbeidsrechtelijk aantrekkelijke ambtenarenstatus’ konden verwerven, doordat de werkzaamheden van uitvoerende ambtenaren (schoonmakers, conducteurs, brugwachters) waren wegbezuinigd of geprivatiseerd.
Van der Plas suggereerde in haar lezing dat deze ‘vakmensen’ (inclusief boeren, terwijl boeren nooit ambtenaren zijn geweest) ook het beleid mee vormgaven, en dat de overheid sinds hun vertrek te veel uit denkers en te weinig uit doeners bestaat. ‘Poten-in-de-kleidenken maakte meer en meer plaats voor excelsheet- en spreadsheetdenken’, zei Van der Plas. ‘De spreekwoordelijke modder onder de nagels verdween in de Haagse silo’s, oftewel de ministeriële torens, maar ook in gemeente- en provinciehuizen, met grote gevolgen.’
Of men daar ooit modder onder de nagels heeft gehad, betwijfel ik, maar ik vind ‘poten-in-de-kleidenken’ best een originele manier om ordinair anti-intellectualisme mee uit te drukken.
Witteboordenoverheid lijkt op witteboordencriminaliteit, wat de ambtenarij extra verdacht maakt. De Van Dale geeft blijk van het feit dat ambtenaren doorgaans geen blauwe boorden dragen: een ‘witteboordenbaan’ is een ‘baan als ambtenaar’; de ‘wittenboordensector’ is ‘het ambtenarendom’.
Nou, genoeg getypt, vlug met mijn poten in de klei.
Henk Bovekerk
Het Fries heeft een heerlijk woord, halje-trawalje, hetgeen halsoverkop betekent, plotsklaps, inderhaast. Denk er vooral van die lekker lang en vet uitgesproken Friese L-en bij. Dat klinkt toch behoorlijk anders dan de Franse woorden waarvan het afstamt: ‘trawalje’ komt van travailler en over ‘halje’ bestaat onduidelijkheid, maar het zou best eens van ‘allez travailler’ kunnen komen, ‘ga aan het werk’.
Het Bildtse dialect, dat in de voormalige Friese gemeente Het Bildt ontstond uit het Hollands en Fries, doet er een schepje bovenop en maakt het alleen maar beter: de Bilkerts zeggen hally-trawally. Misschien klinkt dat zo goed omdat veel positieve, energieke woorden op -ie eindigen, zoals joepie en actie (al negeer ik voor het gemak even minder gezellige ie-woorden als fobie en apathie).
Sinds ik het woord ken, gebruik ik het soms als aanmoediging aan mezelf als ik geen zin heb in een werkje dat me te doen staat (‘hally-trawally, hop!’). De boel klaart op van zo’n fraaie verbastering van de Franse taal. Het is natuurlijk niet de betekenis waarin de Friezen en Bilkerts het woord gebruiken, maar dat is dan een gevalletje pot-ketel of koekje-deeg.
Zeker nu de zomer op zijn eind loopt en de gemiddelde vakantievierende mens weer terugverandert in de werkende mens, kan de uitdrukking ook u wellicht van pas komen om uzelf waar nodig wat op te peppen.
Overigens leert de Etymologiebank dat het Franse travail is afgeleid van een woord dat oorspronkelijk een gemeen martelwerktuig aanduidde, en een ‘juk waarin de paarden bij het beslaan vastgemaakt worden’. De latere betekenis van werk en arbeid ‘is dus ontstaan uit die van ‘marteling, kwellingʼ’, valt doodleuk te lezen.
Wie had dat gedacht? Zo bezien vallen uw en mijn trawally vermoedelijk dan eigenlijk toch wel mee.
Janna Reinsma
Wokie, wokisme en zelfs wokespook (‘schertsend, personificatie van het extreme wokisme’) staan allemaal in Van Dale en dat is logisch, want woke is niet meer weg te denken, ook niet als woord. Wat ontbreekt in het woordenboek: wokewashing, terwijl dat toch ook steeds vaker klinkt. Het gebeurt immers op serieuze schaal.
Neem Shein, de Chinese textielgigant die per dag zesduizend nieuwe kledingstukken online knalt; je hebt er al een zomerjurk voor 6 euro. Ergens in de keten wordt daarvoor een hogere prijs betaald, dat weten we allang. Om de kritiek die Shein daarvoor ontvangt te pareren nodigde het bedrijf in juni zes influencers uit in een van hun zesduizend fabrieken. Een prachtfabriek, bleek het: ruim, licht, er werd op een ‘chill tempo’ gewerkt volgens de influencers: ‘Niemand is hier aan het zweten!’ Waarna het gratis perstripje voortging naar een feestelijk restaurant.
Prompt kregen de zes zélf bakken kritiek, tot doodsbedreigingen aan toe, omdat ze zich hadden laten gebruiken voor propaganda. Opmerkelijk: de genodigde influencers waren nu eens niet wit, blond en maatje Barbie, nee, het clubje was puik divers. Een van hen was een plussizemodel, vijf waren er van kleur.
Een brutaal stukje wokewashing, luidde alom het commentaar op Shein: jonge, naïeve meiden inzetten om het eigen straatje schoon te vegen, terwijl het bedrijf had kunnen voorzien dat ze het mikpunt zouden worden van haat.
Onschuldiger – en ontegenzeggelijk feelgood – is de nieuwe McDonald’s-commercial, waarin we twee jonge vrouwen, de een wit, de ander zwart, verliefd zien worden op Texel. Vorig jaar was het thema ook al zomerliefde; toen was het koppel hetero, de een horend, de ander doof.
Wordt hier een checklist afgewerkt? Wokewashing, Van Dale, de tijd is rijp.
Evelien van Veen
In Alkibiades, de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer, reizen we terug naar het Griekenland van de 5de eeuw voor Christus. De titelheld brengt op een ochtend een bezoek aan het huis van Kallias, waar de beroemde wijsgeer Protagoras verblijft. ‘Ik kan me de onnavolgbare arabesken en guirlandes van de conversatie niet meer precies herinneren’, aldus Alkibiades, ‘maar op een gegeven moment ging het gesprek over de verschillende staatsvormen.’
Protagoras onderscheidt er drie: bestuur door één, door enkelen, of door allen. Elke vorm heeft een positieve en een negatieve pendant. De gunstige regimes (monarchie, aristocratie, democratie) kenmerken zich door verantwoordelijk bestuur in dienst van het algemeen belang. Bestuurders in de kwalijke varianten (tirannie, oligarchie, ochlocratie) handelen uit louter eigenbelang.
Ochlocratie, ik kende het woord niet. Een ‘door het gepeupel beheerste samenleving’, aldus Van Dale. Protagoras noemt het ‘de dictatuur van de massa’. Ochlocraten laten ‘zich eerder leiden door de publieke opinie dan door visie’. Is het synoniem aan populisme? Populisten beweren de stem van het volk te vertolken, en het volk is ook een menigte, ‘ochlos’ in het Grieks.
‘Cratie’ staat voor ‘heerschappij’, dat weet u. Er bestaan bijna meer woorden die daarop eindigen dan dat er staten zijn. In Van Dale loopt het rijtje van ‘adhocratie’ tot ‘xenocratie’.
Je kunt ‘cratie’ in feite overal achter zetten, om te benadrukken dat iets of iemand ‘heerst’ in een samenleving. Van ‘ochlocratie’ is het een kleine stap naar een ‘iglocratie’, een staat waarin de machthebbers in sneeuwhutten wonen. Een andere variant is een ‘stochelocratie’, een staat die wordt geregeerd door de sologitarist van het Rosenberg Trio.
Hoe het de Griekse democratie verging? Nog 560 pagina’s te gaan.
Henk Bovekerk
Het weekend werd gedomineerd door Wagner-baas Prigozjin die muitte tegen Moskou, totdat hij de opstand afblies en neerstreek in Belarus. ‘Is hij daar nu in gevaar?’, vroeg Mariëlle Tweebeeke in Nieuwsuur aan Rusland-kenner Hubert Smeets, die bij haar aan de desk zat om de zaak te duiden. ‘Ik denk dat Poetins positie verzwakt is’, antwoordde hij, ‘en dan heeft Prigozjin daar een leven als een luis op een zeer hoofd. Hij kan ook van daaruit gaan chicaneren.’
We zagen het voor ons, de veroordeelde crimineel met zijn kale hoofd als megaluis in de ontstoken pels, maar vooral het woord ‘chicaneren’ bleef hangen. Wat betekent dat ook alweer? De boel opblazen? Terreur bedrijven?
Vitten, zaniken, zegt Van Dale. Moeilijk doen, het iemand lastig maken, gezochte bezwaren opwerpen. Haarkloven, muggenziften en zaniken zijn synoniemen, alsmede harrewarren en kibbelen.
Het woord komt van het Franse chicaner, dat hetzelfde betekent: ruziën over pietluttigheden. Het werkwoord zou mogelijk een samensmelting zijn, zegt Onze Taal, en wel van ricaner, grijnzen, kwaadaardig lachen en chic in de oude Franse betekenis ‘handig’. Een etymologiebank oppert dat het woord ook te maken kan hebben met ‘behendigheid in het chicana-spel’, een soort polo, maar zegt er meteen bij: het is onwaarschijnlijk.
Uit het oude ‘chicaneurig’ (‘Nou komt het toch zoo krengig en zoo chicaneurig uit...’) zou dan weer het woord ‘sikkeneurig’ voortkomen. ‘Je was miserabel sikkeneurig, maar je was best voor ons’, geeft de etymologiebank ook nog als citaat. Dat klinkt alsof het over een humeurige doch vrijgevige freule gaat, maar chicaneren gaat natuurlijk ook gewoon met zijn tijd mee. Het zou kunnen dat de inwoners van Rostov die Prigozjin vorig weekend toejuichten precies zo dachten over hem.
Evelien van Veen
Hittestress, sproeischaamte, smeerpalen, plaknachten: de opwarming van de aarde brengt behalve nauwelijks te overziene ellende ook een hoop originele taalvondsten met zich mee. Dit tot ergernis van GeenStijl, dat voor het aanbreken van de recente hitte opmerkte: ‘Als u ergens last van zult hebben, zijn het de totaaldebiele jeukwoorden in de systeemmedia, omdat het een paar dagen lekker weer wordt.’
Het immer spitsvondige platform voegde er een klassieke ‘sproeischaamte in je broekje’ aan toe en sputterde nog wat over het door de NOS gebruikte ‘hittefit’, ‘een woord zo stom dat zelfs Google het niet kent’.
Deze stomme systeemmediavertegenwoordiger vindt hittefit eigenlijk wel sympathiek, met dat rijm en die bijna Zweedse cadans. En ach, vergeleken bij andere irritante modewoorden als ‘biodiversiteitscrisis’, ‘uitstervingsgolf’, ‘watertekort’ of ‘reuzenbranden’ klinkt het nog relatief gezellig.
Hittefit worden is volgens de NOS een individuele aangelegenheid, maar Taalgebruik ziet meer toepassingen van het woord. Zo kunnen ook steden hun best doen wat hittefitter te zijn. Neem het recent vernieuwde plein achter het Centraal Station in Amsterdam, waar stadszender AT5 een aantal verleppende toeristen en dagjesmensen filmde, omdat er nergens een boompje of afdak te vinden is. Niet erg hittefit.
Het kan bijvoorbeeld ook betekenen: het hoofd koel weten te houden in oververhitte mediadebatten. Daarvoor gaan de tips uit het eerder genoemde artikel van de NOS verbazingwekkend goed op: bouw de blootstelling rustig op, loop af en toe een rondje en drink veel water.
Hoe de precieze definitie ook zij, Taalgebruik wenst u bij dezen in elk geval van harte een hittefitte zomer.
Djuna Kramer
‘We gaan even een ger doen’, hoorde ik vriendinnen van mijn dochter (19) op een feestje bij ons thuis zeggen – ze spraken het uit met de g van garçon. Ze stapten de tuin in en staken een Marlboro op. Want ‘ger’ of ‘gerro’ betekent sigaret – het was even langs me heen gegaan, maar het woord wordt zeker al een dik jaar gebezigd in de vriendengroep van mijn dochter. En daarbuiten ook, zei ze: een heel gewoon, algemeen woord onder jongeren, net als broko en djalla, die kende ik zeker ook nog niet?
Nee, maar ik liet het me graag uitleggen. ‘Broko’ betekent stukgaan, van het lachen welteverstaan. ‘Ewa, hou op met me, ik ga broko’, kom ik tegen op een straattaalsite. Het Surinaamse woord klonk twee jaar geleden in het Songfestivallied van Jeangu Macrooy: ‘Yu no man broko, broko mi (mi na afu sensi)’, de eerste liedregels ooit in het Sranantongo in een Nederlandse inzending. De tekst is gebaseerd op een Surinaams spreekwoord, lees ik op de website stemmenvanafrika.nl. Vrij vertaald betekent het ‘ik ben niet kapot te krijgen, ook al denk je dat ik minderwaardig ben’, en letterlijk: ‘ik ben een halve cent (afusensi), niemand kan mij breken’. Breken, stukgaan – logisch dus.
Wat ‘djalla’ dan betekent? Sukkel, zegt mijn dochter en zo staat het ook in een aantal straattaalwoordenboeken op internet. Over de herkomst wordt niets vermeld. Over die van gerro wel: dat komt uit het Marokkaans. ‘Maar dat weten de Anne-Fleurs die het gebruiken niet, hoor’, zegt mijn dochter (zelf een Jules-Marie). Dé Anne-Fleurs, ook wel Marie-Claires, haarclipstudentes die ‘gezellie’ samen even een ger gaan roken: is dat eigenlijk nog wel straattaal?
Evelien van Veen
Mipapo in de liboza, lupa in de gamata – enig idee wat dit betekent? Het is defensiejargon voor ‘militair paspoort in de linkerbovenzak, lunchpakket in de gasmaskertas’, mij aangereikt door een oud-militair. Ik vroeg lezers om afkortingen die worden gebruikt in bepaalde subculturen nadat een jongere vriend me vertelde dat hij sinds kort in een ‘prela’ zit. Mij was dat woord onbekend, maar onder ‘zoomers’ (generatie Z) schijnt zulk relatiejargon zo gangbaar te zijn dat de jeugdige lezer het geen krantenbericht waard zal vinden.
Over afgekort jargon heb ik me eerder verwonderd. In mei vorig jaar schreef ik over de ‘beripo’, een zogenoemd lettergreepwoord. Hier ten burele staat dat voor ‘berichtenpoot’, een paar korte berichten in één kolom. Staat daar een foto bij, dan is dat een ‘beripofo’.
Dat er dagen zijn waarop ik de krant niet van voor tot achter lees, blijkt als ik ‘prela’ google. Sinds 2018 is het woord in de Volkskrant meermaals besproken, tezamen met ander relatiejargon. De eerdergenoemde vriend en zijn vriendin bevinden zich in een ‘pre-relatie’, een voorstadium van een relatie, een vorm van verkering die nog niet officieel verkering genoemd mag of wil worden. ‘Je doet alles wat je in een relatie ook al zou doen en gaat na of je echt verliefd op elkaar bent’, aldus een artikel uit 2020.
Is het een dubbele abbreviatie? Je zou ‘pre-relatie’ ook als ‘pre-rela’ kunnen afkorten, maar dat vinden jongeren schijnbaar nog steeds te lang. Van Dale spreekt van een ‘prelatie’, en schaart daaronder alle ‘mensen die daten, maar nog geen relatie hebben’, wat me een wat al te ruime definitie lijkt.
Prela bekt lekker – in de talige zin, het rolt makkelijk van de tong. Of het ook fijner tongen is in een prela? Dat zal ik nog eens navragen.
Henk Bovekerk
Aan de telefoon vertelt mijn vriend over het leven in Eugene, een stadje in de Amerikaanse staat Oregon waar hij tijdelijk verblijft, en hoe hij heeft ontdekt dat het gras in de enorme tuin voor zijn huis is ‘platgetukt’ door herten. Hij had het niet direct in de gaten, maar achter een eerste ‘verdedigingslinie’ van heuphoog gras die de herten aan het zicht onttrok hadden ze een prinsheerlijke mand voor zichzelf gecreëerd en de boel gaandeweg ‘volledig platgeslapen’.
Ik weet meteen dat hij verwijst naar een prachtig woord waarop hij mij eerder had geattendeerd: in haar autobiografie Hold Still haalt de Amerikaanse fotograaf Sally Mann een oud Engels woord uit de vergetelheid, een woord voor de leemte in het gras waar een dier (bijvoorbeeld een haas) heeft gelegen. Door hoe het dier rondjes draait voordat het zich neervlijt, en door zijn gewicht en lichaamswarmte, ontstaat een kuiltje, soms raken de halmen er zelfs een beetje door vervlochten. Mann schrijft: ‘Deze zachte kom in het gewas, dit lichaamsvormige bewijs van een haas, heeft een naam, een obsolete maar prachtige term: meuse.’
Wie een huisdier heeft, kan de meuse ook weleens thuis aantreffen, in een kuiltje in de bank bijvoorbeeld. Mann gebruikt het woord als ze beschrijft hoe ze oude dozen van haarzelf en haar familie van zolder haalt, op zoek naar het verleden. Ze was benieuwd wat voor sporen het leven had achtergelaten, welke afdruk ze zal vinden van wat er geweest is. Het overtrof haar verwachtingen en leidde uiteindelijk tot een succesvolle autobiografie vol foto’s die The New York Times ‘ongewoon schoon’ noemde en een ‘instantklassieker’.
Mijn vriend vat het schouwspel voor zijn Amerikaanse huis nog even droog samen. ‘Een mega-meuse, dus.’
Janna Reinsma
Er komt veel op je af tijdens de zwangerschap, zoveel is bekend. Verwarrende voedseladviezen (garnalen zijn goed, o, nee, toch niet, of toch wel), kinderdagverblijven waarvoor je je bij -20 weken al had moeten inschrijven en complete bevallingsverhalen van mensen die je voorheen hoogstens weleens groetten.
Waar ik niet op had gerekend, is dat je, al ver vóór een kind er de kans toe krijgt, wordt bestookt met het woord ‘mama’. Wil je liever naar mamayoga of mamapilates? Vitaminesupplement Multimama of liever Mamafit? Zat je te denken aan verloskundige AmsterMam of Mama2B? Kraamzorgbureau Mammaloe, Mamma Mia of gewoon Mama? Grote kans dat u na deze alinea al schoon genoeg heeft van het woord, kunt u nagaan. (En mocht u zich afvragen of er ook kraamzorgbureaus of verloskundigen met ‘papa’ in de naam bestaan: neen.)
Volgens het etymologisch woordenboek heeft het Nederlands mama en papa uit het Frans overgenomen. Het werd oorspronkelijk ook bij ons uitgesproken met het accent op de tweede lettergreep, mamá, zoals je bij erg chique mensen nog wel hoort. Ook in het Latijn bestond het woord mama al, zowel voor vrouwenborst als bij wijze van aanspreekvorm voor een moeder. Mama en papa komen waarschijnlijk van kindergebrabbel, omdat het zo’n beetje de eerste klanken zijn die een mens kan maken. Heel schattig dus, als je kind je zo noemt. Maar bedrijven of zorginstellingen? Toch wat minder.
Er hangt een wereld van ideeën en verwachtingen aan het woord ‘mama’, en de onontkoombaarheid daarvan wordt je alvast goed ingepeperd. Mamaflatie ligt hier op de loer; het zou toch zonde zijn als het woord zijn glans al heeft verloren voordat je ook maar één keer met recht zo genoemd bent?
Djuna Kramer
‘Brow gate’ werd het op internet genoemd, de ruzie tussen drie beroemdheden over de wenkbrauwen van een van hen. Het begon met een bericht van Selena Gomez op TikTok waarop ze haar – onberispelijke – wenkbrauwen toonde en erbij schreef: ‘I accidentally laminated my brows too much’ – ik heb per ongeluk mijn wenkbrauwen te rigoureus gelamineerd (over dat lamineren later meer). ‘Noem je dat per ongeluk?????’, reageerde Kylie Jenner met vijf vraagtekens plus een tag naar haar vriendin Hailey Bieber, die Selena Gomez wel moet haten, weet de wereldwijde TikTokgemeenschap, omdat Gomez een ex is van Biebers man. Mean girls, deze twee, concludeerde TikTok: laat Selena met rust. En denk toch vooral aan haar mentale gezondheid. Gomez worstelt met angst en depressie en was pas net terug op sociale media na een periode van afwezigheid.
Waarmee wat oorspronkelijk begon als een beautydingetje een serieuze rel werd en Selena Gomez weer van TikTok verdween. Maar nu even over dat lamineren: sinds wanneer doen we dat met de wenkbrauwen? Het zo noemen is een nouveauté, maar de handeling is zo oud als Cleopatra, want het betekent dat de wenkbrauwharen opwaarts in het gelid worden gekamd. Daardoor ‘zien ze er in een handomdraai vol en megafluffy uit’, beloven de beautybladen – mits je de lamineergel van Max Factor gebruikt, of de Kybrow-pommade van, jawel, Kylie Jenner.
Het begrip lamineren komt onder meer uit de textielindustrie en betekent zoiets als ‘vezels strekken’. Denk ook aan lamellen die keurig naast elkaar moeten blijven: niets zo irritant als een dwarsliggende lamel. En een per ongeluk te zeer gelamineerde wenkbrauw. Maar hé, daar hebben we het niet meer over.
Evelien van Veen
Mijn ervaringen met tuinieren waren tot voor kort op de tanden van één hark te tellen. Radijsjes in een bloembak aan het balkon. Tomaten op het dakterras. Tuinkers in de vensterbank. Onlangs is daar verandering in gekomen, want we hebben de stad verruild voor het boerenland en zijn – zoals Voltaire al voorschreef – onze tuin aan het cultiveren.
De veldarbeid komt met een eigen vocabulaire. Momenteel ben ik in de ban van het mulchen (spreek uit ‘multsjen’), het met organisch materiaal toedekken van grond rondom planten. Zo’n laag mulch heeft voordelen: het houdt vocht vast, voedt planten en voorkomt erosie en ‘onkruid’. In het bos zie je het ook: gevallen bladeren, takken en slierten schors bedekken en voeden de bodem.
‘Mulch’ komt uit het Engels, en betekent ‘deklaag van vergaan of rottend, organisch of ander materiaal over aanplantingen’ (Van Dale). Een vormvariant is ‘muls’. Volgens een Amerikaanse houtsnipperfabrikant stamt het van het Duitse molsch, dat ‘zacht’ of ‘rottend’ zou betekenen (Van Dale DU-NL schrijft ‘overrijp’, ‘beurs’). Volgens een Canadese tuinblogger ontsproot het aan molshe, Middelengels voor ‘stroachtige mest’.
Is mulch verwant aan ‘mul’? Als bijvoeglijk naamwoord betekent dat ‘pulverig, los’ (mulle grond), als zelfstandig naamwoord is het ‘molm’, dat staat voor ‘stof van aarde, hout en andere stoffen die vergaan Source: Volkskrant