Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. ‘Er kwamen geen broers of zussen na de geboorte van mevrouw O. Één sterke zoon was voldoende.’
Bijna veertig jaar huurde mevrouw O. een krap en groezelig appartementje in wooncomplex De Halve Wereld nabij het Amsterdamse Waterlooplein. Omstreeks de jaarwisseling brak de politie de deur open.
De schemerige ruimte was gevuld met verouderde apparatuur en vettig gereedschap. Alles bedekt met een dikke laag stof. Plafonds zagen geel van de sigarenrook, de keuken was plakkerig.
Het stoffelijk overschot lag in bed. Volgens de agenten zag mevrouw O. er tevreden uit, haar pruik had ze niet op. Om het bed was een halve spoorbaan heen gebouwd, met treintjes die al heel lang niet meer reden.
Ze was op het laatst niet eens zo eenzaam meer. Toch vraagt het bestuur van De Halve Wereld mij of mevrouw O. een eenzame uitvaart-ceremonie kan krijgen, compleet met dichter en verslag.
Mevrouw O. werd als jongetje geboren, op 31 december 1940. Kort voordat de Duitsers het land binnenvielen was ze verwekt. Anton werd haar tweede naam, een eerbetoon aan Mussert.
Haar vader was lid van de NSB, lang voor de oorlog al. Hij kwam uit Culemborg, in Den Haag werkte hij bij een verzekeringsmaatschappij. Daar ontmoette hij zijn vrouw, afkomstig uit Heiloo. Ze bewonderde Hitler, net als hij.
In 1938 trouwden ze en vestigden zich in Amsterdam-West. Er kwamen geen broers of zussen, één sterke zoon was voldoende. In de oorlog werkte de vader als functionaris bij het Nederlands Arbeidsfront (NAF), de nationaalsocialistische vakbond, opgericht door Arthur Seyss-Inquart.
De vader was tevens betrokken bij de NSB Hulppolitie, vrijwilligers die de Duitsers hielpen bij het opsporen van Joden en politieke tegenstanders. Zijn naam staat op de Amsterdamse ledenlijst.
Onbekend is of hij na de oorlog geïnterneerd is geweest, of anderszins bestraft. Lang heeft dat sowieso niet geduurd, in 1946 werkte hij als kantoorbediende bij de Nederlandse Middenstands Bank (NMB). Tot aan zijn pensioen is hij daar gebleven.
Als kind werd mevrouw O. uitgescholden voor verrader. Ze begreep niet waarom, de ouders zwegen. Later vertelde een oom, het enige familielid met wie ze contact hield, wat pa en ma in de oorlog hadden uitgespookt.
Ze leken zo gewoon. Vader ging naar kantoor, moeder hield het huis schoon. Voor het zachtmoedige kind waren ze streng. Mevrouw O. wilde met poppen spelen, dat mocht absoluut niet.
In het voorjaar van 1953 vond in de Amsterdamse Rai de Huishoudbeurs plaats. De moeder van mevrouw O. werd uitgeroepen tot Huisvrouw van het Jaar. Ze kwam in alle kranten, met foto en al.
Het was een spannende strijd geweest. Honderden bezoekers keken toe hoe zij en vierentwintig andere deelneemsters een brood sneden, een sinaasappel pelden, slagroom klopten en een taart garneerden.
Ze droeg een wit schort, om haar nek hing een kartonnen bordje met een nummer. De jury, leden van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, was onder de indruk, het snel en grondig pellen van de sinaasappel gaf de doorslag.
Volgens een verslaggever slaakte ze ‘een gilletje’ toen de uitslag werd bekendgemaakt, haar echtgenoot was ‘apetrots’. Ze won een gasfornuis, een loeizwaar ding. Gelukkig waren ze van driehoog naar een benedenwoning verderop in Amsterdam-West verhuisd, om aan het geroddel te ontsnappen.
De verwijfde zoon moest maar wat harder worden. Na de mulo werd hij naar zee gestuurd, 18 jaar oud. Op de wilde vaart maakte hij als hulpmatroos verre reizen. Langs Afrikaanse havensteden voer hij naar Kaap de Goede Hoop en terug.
Aan boord steeg hij in rang. Hij was onderofficier toen hij in 1965 aanmonsterde op de Adonis, een vrachtschip van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij (KNSM) dat ook reizigers vervoerde.
Hij wist alles van scheepsmotoren. Tijdens een storm voor de kust van Zuid-Amerika verrichtte hij een noodoperatie, zwart van de smeer kroop de zoon de machinekamer uit. Liever bediende hij reizigers in zijn smetteloze uniform, in de stijl van Love Boat, de serie waar hij later graag naar keek. Als kelner werd hij aangenomen op de Holland-Amerika Lijn.
In New York, waar ze soms een week lagen aangemeerd, bezocht hij zonder dat collega’s het wisten een homobar in een ongure buurt. Daar liepen ook wat travestieten rond. Deze androgyne wezens maakten diepe indruk op hem.
Op de Holland-Amerika Lijn werd bezuinigd, de zoon stapte over op de trein. Als garçon in dienst van Wagon Lits reed hij op de Rivièra Express, een luxueuze slaaptrein tussen Berlijn, Amsterdam en San Remo.
In een Amsterdamse kroeg ontmoette de zoon Jacqueline, die als man geboren was en oorspronkelijk Jetse heette. Jacqueline droeg dameskleding, flink veel make-up en een blonde pruik. Ze slikte hormonen en had reeds een boezem ontwikkeld.
Zoiets wilde hij ook. Een ontzagwekkend gevoel van bevrijding gierde door het lijf toen hij voor het eerst een jurk aantrok. Vanaf dat moment was de zoon meer zij dan hij.
De vriendinnen gingen samen winkelen, het salaris van Wagon Lits werd gespendeerd in damesboetieks. Uit boosheid over wat de oom had verteld, kwam mevrouw O. niet meer bij haar ouders thuis. In haar nieuwe goed besloot ze onaangekondigd langs te gaan, om het verleden te wreken en een helder signaal af te geven.
De huisvrouw van het jaar 1953 kreeg een rolberoerte toen ze haar in een dochter veranderde zoon bepruikt en op hoge hakken in de voortuin zag staan. Haar vader wilde haar nog binnen laten, misschien uit angst voor wat de buren dachten. Haar moeder wenste haar niet meer zien en smeet de deur dicht.
De feminieme krachten liet zich niet meer onderdrukken, dat gaf problemen op het werk. Passagiers vonden het ongepast. Wagon Lits beëindigde het contract, mevrouw O. was niet langer representatief.
Zonder inkomen trok ze in bij Jacqueline. Die had na een zwerftocht langs verschillende gemeenten een woning weten te vinden in Vogelwaarde, een gehucht in Zeeuws-Vlaanderen. Het was heerlijk rustig daar maar de dames trokken veel bekijks. Al snel ontstond er trammelant met de buren. Ze werden manwijven genoemd, het hele dorp bemoeide zich ermee.
De Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) kreeg lucht van de kwestie en wijdde er een stukje aan. ‘Ons leven wordt tot een hel gemaakt omdat we net even anders zijn’, zegt mevrouw O. in het artikel.
Het stel week uit naar Friesland, waar Jacqueline oorspronkelijk vandaan kwam. Daar ging ze als prostituee aan de slag. Volgens Jacqueline was het de enige manier om geld te verdienen voor mensen zoals zij.
Een criminele kennis, een zekere Rinus, wierp zich op als souteneur. In een rijtjeswoning in Franeker ontving Jacqueline klanten, doorgaans getrouwde mannen, die na afloop werden afgeperst. Een klant uit Zandvoort moest z’n Saab inleveren, een Duitser die weigerde te betalen werd door Rinus in zijn been geschoten.
Het is onduidelijk in hoeverre mevrouw O. bij de zwendel was betrokken. Toen Jacqueline en Rinus in 1976 in Leeuwarden voor de rechter verschenen, werd ze opgeroepen als getuige. De vriendschap met Jacqueline was duidelijk voorbij. Ze verklaarde dat zij en Rinus geharde criminelen waren die haar in het verderf wilden storten.
Berooid keerde mevrouw O. terug naar Amsterdam. Kortstondig werkte ze in de haven. Op een brommertje bezorgde ze laadbrieven van schepen. Om geen aandacht te trekken kleedde ze zich mannelijk maar de hormonen die ze slikte hadden haar vrouwelijke vormen gegeven. Ze werd bespot en nam ontslag.
Ze logeerde bij een geliefde tot die aan heroïne verslaafd raakte. Op een braakliggend terrein bij de IJ-tunnel bouwde ze een houten huisje, verscholen achter bosschages. Ze richtte het gezellig in. Tijdens een koude winter ontplofte de gaskachel, zwaargewond kwam ze tevoorschijn uit de smeulende resten.
Wekenlang lag ze ingezwachteld op de bank van een kennis. Na enigszins te zijn hersteld, ging ze weer op zoek naar werk. Ze werd uitgelachen tijdens sollicitatiegesprekken, nergens wilde men haar hebben.
Ten einde raad vroeg ze een uitkering aan. Die kreeg ze niet omdat ze geen adres had. Ze stond ingeschreven als woningzoekende maar als ze reageerde op een vrijgekomen woning ging die altijd naar een ander.
Volkomen vereenzaamd streek ze in 1986 neer in complex De Halve Wereld bij het Waterlooplein. Het was een idealistisch nieuwbouwproject waar progressieve types op af waren gekomen. De ruimdenkende bewoners accepteerden mevrouw O. zoals ze was.
Haar vader was in 1984 overleden. Ze had recht op een bescheiden erfdeel maar haar moeder, inmiddels naar Bergen op Zoom verhuisd, probeerde daar een stokje voor te steken. Na de dood van de moeder in 2003 kwam het geld alsnog bij haar terecht.
Mevrouw O. had officieel geen baan maar in het complex werd ze de stuwende kracht achter de werkgroep Onderhoud. Haar technische kennis, opgedaan in de scheepvaart, kwam goed van pas in het vooruitstrevende complex waar iedereen twee linkerhanden scheen te hebben.
Zodra ergens iets stuk was, kwam mevrouw O. het repareren, dag en nacht stond ze voor de mensen klaar. ’s Avonds patrouilleerde ze met een zaklamp door het complex, insluipers werden hardhandig verwijderd.
Om een officiële indruk te wekken droeg ze een Amerikaans politieuniform en later een machinistenjasje. Het Waterlooplein rekende ze ook tot haar werkterrein. In ruil voor haar inspanningen als zelfbenoemd nachtwaker diende de avondwinkel haar van gratis koffie en een krant te voorzien.
Niemand drong echt tot haar door. ‘Ik ben verwekt op bevel van de Führer,’ zei ze tegen een medelid van de werkgroep Onderhoud die na een reparatie even bij haar binnenkwam.
Ze sliep slecht, tot in de ochtend rookte ze sigaren. Vanuit bed keek ze video’s. Oude VHS-banden met schokkerige beelden van langsflitsende landschappen, geschoten vanuit de cabine van een trein. Het geratel van de bielzen kalmeerde haar.
Met het geld van de erfenis loste ze oude schulden af en kocht ze een Vespacar, een brommobiel op drie wielen. In dat karretje reed ze met een gangetje van 50 kilometer per uur over binnenwegen naar de Middellandse Zee en terug. Weken was ze onderweg, achtervolgd door een sliert claxonnerende medeweggebruikers.
Na Jacqueline en de heroïneverslaafde vond ze geen nieuwe partner meer. ‘Toch blijf ik hopen op een leuke knul of een spannende meid’, zei ze tegen het medelid van de werkgroep. Toen ze de 80 naderde leek dat niet zo realistisch meer. Ze stopte met de hormonen, haar boezem slonk.
Na het overlijden onderzocht een forensisch arts het lichaam, eerst in de woning, vervolgens in het mortuarium. Niets verdachts werd gevonden. De mortuariummedewerker maakte haar netjes. Hij deed de pruik die de rechercheurs hadden meegenomen bij haar op.
Voor zover bekend had mevrouw O. geen ziekte onder de leden. Maar ze at ongezond. Een magnetronmaaltijd of iets van de pizzeria aan het Waterlooplein, waar ze haar soms wat meegaven als ze langsliep met de zaklamp.
De schouwarts dacht aan een hartstilstand. Autopsie zou meer licht op de doodsoorzaak kunnen werpen. Alleen nabestaanden kunnen daar opdracht toe geven. En nabestaanden zijn er niet.
Enkele buren komen naar de afscheidsdienst, een week eerder is er in het complex al een bijeenkomst geweest waarbij herinneringen werden opgehaald aan de ongewone verschijning die mevrouw O. was.
De afscheidsdienst vindt plaats in het uitvaartcentrum bij de Zuidas want de zoon van de bekende bij wie mevrouw O. na de gasontploffing op de bank lag, dacht dat ze gecremeerd wilde worden. ‘Ik ben toch al half verbrand’, zou ze destijds hebben gezegd. Volgens het medelid van de werkgroep Onderhoud, aanwezig in het uitvaartcentrum, was ze van gedachten veranderd. ‘Gooi me na mijn dood maar in een kliko’, zei ze.
Mevrouw O. hield van Jacques Brel, Mijn vlakke land wordt afgespeeld. Sasja Janssen leest haar gedicht voor. De as van mevrouw O. wordt binnenkort verstrooid op zee.
Mijn hele wereld
Alleen in een tussenwereld kon ik wonen
treinen waarin iedereen slaapt, mijn zelfgebouwde
keet of boven een metrostation
op zeeën waar ik van alle continenten hun horizon zag
die van de Rivièra fluistert nog in mijn kapotte hart
Alleen in een tussenwereld kon ik wonen
tussen aankomst en vertrek, bovenwereld en onderwereld
man en vrouw
Nooit vond ik bij een geliefde onderdak maar de nachten
wandelden met mij rond het Waterlooplein
omdat zij de schemering bewaren net als ik
Ik wist niet dat ook ik doodgaan kon
omdat een tussenmens niet sterft in een kamer
waarin de trein nog rijdt
maar nu is het toch gebeurd, deze pose van onzichtbaarheid
waartoe ik mijzelf verhef
zodat ik eindelijk aankom zonder reis
de zon en maan vind onder elke zee
en in slaap val zonder dag of nacht, mijn horizon rond-
ik groet jullie zeer
Sasja Janssen
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Source: Volkskrant