In Amsterdamse winkels, café’s en restaurants spreekt het personeel niet altijd Nederlands. Geen probleem: zó moeilijk is het niet om in het Engels te bestellen (al heb je er arrogante wichtjes bij die zelfs de eenvoudige bestelling ‘een cola alsjeblieft’ pareren met een verveeld ‘English please’; kom op zeg, zó’n klein beetje Nederlands kun je toch wel leren?)
Bij wijze van spelletje (‘kicks voor niks’) probeer ik de laatste tijd vooraf in te schatten of de ober/vakkenvuller een buitenlander is, zodat ik metéén in het Engels van wal kan steken. Meestal gaat het goed, alleen toen ik laatst in een supermarkt op zoek was naar venkel kreeg ik lelijk het lid op de neus. De kleine, bleke vakkenvuller haalde expressief zijn schouders op bij mijn ‘Venkel?’, maar ook op mijn ‘fennel?’, ‘fenchel?’ ‘fenouil?’ ‘finoccio?’ en zelfs ‘фенхель?’ sloeg hij niet aan, waarna ik ten einde raad maar een plaatje van een venkel voor hem googlede. Nou ja, ik weet nu in elk geval dat venkel ‘pankolis’ is, in het Litouws.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Gisteren was ik een mij onbekende koffietent binnengelopen, waar een mooie jongen achter de bar stond, met donkerbruine krullen en grote, zwarte, smeulende ogen. Een buitenlandse werkstudent, besloot ik, dus ik bestelde in het Engels een cappuccino.
Hij gaf me een fonkelende glimlach retour waar ik de rest van de dag op kon teren, knikte kordaat, en greep al in de toetsen van zijn blinkende stoommachine, toen zijn telefoon ging. Zijn glimlach zakte in, hij nam op met een afgemeten ‘¿Diga?’, luisterde even, en begon vervolgens in ratelend Spaans te schreeuwen.
Ik had in lange tijd niemand zó woedend gezien. Zijn ogen puilden uit hun kassen, zijn knappe gezicht liep paars aan en hij doorspekte zijn woordenvloed met harde klappen tegen de stoommachine, waar de kopjes van rinkelden. Af en toe onderbrak hij zijn geschreeuw om even amechtig te hijgen of hondachtig piepend in de hoorn te jammeren, alvorens verder te bulderen.
Ik verstond er niets van, want mijn kennis van het Spaans is beperkt tot menukaarten en flarden van liedjes; in zijn schreeuwpartij kwamen geen ‘calamares fritos’ of ‘patatas bravas’ voorbij, en ook geen ‘yo no soy marinero, soy capitan, soy capitan, soy capitan’. Wél ging hij, tijdens die loeipartij, gewoon door met koffie zetten. Chapeau!
Eindelijk hing hij op. Terwijl hij het zweet van het voorhoofd wiste schoof hij mij mijn beker koffie toe. Net wilde ik ‘gracias’ stamelen, toen hij mij, weer helemaal gekalmeerd, ja, glimlachend zelfs, toeknikte, en in onberispelijk Nederlands vroeg: ‘Wil je daar een dekseltje bij? Nee? Fijne dag nog!’
De koffie was trouwens verrukkelijk.
Source: Volkskrant