‘Niet hier zitten’, luidt de paradoxale boodschap van de zitnis in de gevel van de Amsterdamse Weesperflat. Op het voetvlak zijn bakstenen met de punten omhoog geplaatst, een stalen beugel blokkeert het zitvlak. Het is een voorbeeld van vijandige architectuur, een strategie in de stedenbouw die verschillende verschijningsvormen kent. Van hekken met punten en antiwildplasinstallaties in hoeken tot ‘skatestoppers’ en mosquito’s, geluidskastjes waarvan de hoge tonen pijn doen aan (jonge) oren. Het doel is steeds hetzelfde: ongewenste personen weren. Zoals daklozen, hangjongeren en skaters.
Architectuurhistoricus Charlotte Thomas maakt zich boos over dit soort ingrepen, en over de onklaar gemaakte zitnis in het bijzonder. ‘Dit gaat dwars in tegen het ideaal van waaruit architect Herman Hertzberger de Weesperflat (1959-1966) ontwierp: toegankelijkheid voor iedereen.’ De architect voorzag de studentenflat van een arcade met zitbankjes en talloze hoekjes die gebruikers en passanten zich konden toe-eigenen. Maar toen ook junks en inbrekers dat bleken te doen, liet woningcorporatie De Key de arcade dichtzetten en de zitnis barricaderen.
Over de auteur
Kirsten Hannema is architectuurrecensent voor de Volkskrant. Ze schrijft sinds 2007 over architectuur, stedenbouw en landschapsontwerp.
Thomas ontdekte het hoekje tijdens de coronaperiode, toen ze veel door de stad wandelde. Er vielen haar meer vijandige elementen op: pinnen op vensterbanken, keien onder viaducten en bankjes met een armleuning in het midden, om te voorkomen dat daklozen erop gaan liggen.
Ze maakte er foto’s van en plaatste die op Instagram. Daar ontdekte ze het (anonieme) account Dutch Hostile Architecture en de blog van architect en ‘public space detective’ Floor van Ditzhuyzen, die de (on)toegankelijkheid van de openbare ruimte in haar thuisstad Rotterdam onderzoekt. Thomas interviewde Van Ditzhuyzen daarover voor vakblad De Architect.
Ook in landelijke dagbladen, op radio en televisie verschenen items over vijandige architectuur, mede naar aanleiding van ingrepen rond treinstations. Bij Den Haag Centraal verplaatste de NS ‘wachthuisjes’ van de hal naar achter de in 2014 geïntroduceerde ov-poortjes, na klachten over overlast door daklozen.
Op Rotterdam Centraal werden begin 2023 om dezelfde reden bankjes uit de stationshal verwijderd. Een groep Rotterdammers protesteerde op het stationsplein en voor het stadhuis tegen de weghaalactie; de ChristenUnie diende een motie in om de bankjes terug te laten zetten, die werd aangenomen. De NS plaatste daarop vijf stenen poefjes. Na ‘bankjesgate’ kondigde Rotterdam aan vijandige architectuur in de ban te doen; Leiden en Utrecht volgden. Daarmee rijst de vraag: hoe kan het anders?
Laten we allereerst vaststellen dat er de afgelopen jaren ook uitgesproken vriendelijke plekken zijn ontworpen. Neem cultuurcomplex Forum Groningen, bedacht als een stapeling van pleinen met een keur aan hangplekken en zitjes. Denk aan woongebouw Jonas in Amsterdam – verkozen tot beste gebouw van 2023 – met zijn publieke passage, binnentuin en buurthuiskamer. Van Ditzhuyzen spreekt van een ‘revival van hertzbergiaanse architectuur’.
Ook werd een reeks fraaie opvanggebouwen voor daklozen en verslaafden gerealiseerd, van Omnizorg in Apeldoorn (2008) tot de nieuwbouw van de Pauluskerk in Rotterdam (2013). Door het fors gestegen woningtekort is ook voor de 26.500 daklozen in Nederland (in 2022) een huis vinden steeds moeilijker geworden.
Of vijandige architectuur in opmars is, is lastig te zeggen: er worden geen getallen over bijgehouden. Daarbij is niet altijd duidelijk of een bankje met extra armleuningen bewust zo is ontworpen om daklozen te weren of, zoals de Rotterdamse landschapsarchitect Annemieke Fontein stelt, ter ondersteuning van ouderen. De toegenomen aandacht voor het onderwerp komt volgens Van Ditzhuyzen door de coronatijd. ‘Door lockdowns en de anderhalvemetersamenleving werden mensen zich ervan bewust wat het betekent om te worden beperkt in de publieke ruimte.’
Onder de titel ‘De straat als vijandig huis’ organiseerde het Architectuurcentrum Nijmegen in 2022 een programma waarbij Van Ditzhuyzen samen met een voormalige dakloze de Waalstad verkende. ‘Hij toonde waar bankjes waren weggehaald en wat zijn slaapplek was geweest: een gemetselde nis in een park. Ik vind het wrang dat juist mensen die op de straat zijn aangewezen worden weggejaagd met vijandige architectuur.’
De Vriendelijke Bankjes Bond bestrijdt vijandige architectuur door tussenbeugels van bankjes af te schroeven, onder het motto: ‘Rot op met die leuning, kom met echte ondersteuning!’ De activistische groep stelt dat de overheid met vijandige architectuur ‘doet alsof daklozen het probleem zijn, terwijl hun eigen woonbeleid dat is’.
Van Ditzhuyzen noemt het aanpassen en weghalen van bankjes ‘symptoombestrijding’. ‘De daklozen die voorheen in de hal van Rotterdam Centraal zaten, hebben zich verspreid over de stad. Als je ze uit het centrum weert, komen mensen minder met deze groep in contact. Dat vind ik problematisch, want leven in de stad gaat in essentie gepaard met het delen van ruimte met anderen. We moeten ons verhouden tot elkaar, daarbij hoort het onderhandelen over het gebruik van de openbare ruimte.’
Als voorbeeld van hoe dat zonder vijandige architectuur kan werken, noemt ze het Rotterdamse wooncomplex Little C, waar bewoners met bloempotten in plaats van hekken hun privétuintje aan de publieke binnenhof hebben gemarkeerd.
‘Vijandelijke architectuur maakt dat minderheidsgroepen de toegang tot de stad wordt ontzegd’, zegt architectuurhistoricus Thomas. Ze vertelt over een bankje in de Amsterdamse Haarlemmerhouttuinen dat na klachten over hangjongeren werd vervangen door een opklapbaar exemplaar, dat ’s avonds op slot gaat. Op het Osdorpplein in de hoofdstad waren het ‘hangouderen’ die overlast zouden geven, waarop de gemeente nieuwe banken zonder leuningen plaatste, waar senioren prompt vanaf vielen.
Thomas: ‘Deze kwestie gaat over meer dan dakloosheid, en over meer dan bankjes – al is het stadsbankje wel een goede graadmeter voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte.’
Het viel haar op dat de genoemde ingrepen werden gedaan op initiatief van particulieren, dat wil zeggen: bewoners, corporaties en stadsdelen. ‘Toen D66 mij in Amsterdam onlangs uitnodigde om mee te denken over een nieuwe gemeentelijke nota voor een gastvrijere stad, zei ik: laten we eerst kijken wat het beleid is voor de zestienduizend Amsterdamse stadsbankjes. Wat blijkt? Dat beleid is er niet.’
Van Ditzhuyzen ziet in Rotterdam wel een duidelijke aanpak. ‘In 2008 lanceerde de gemeente het ‘City Lounge’-plan voor de verbetering van het ‘verblijfsklimaat’ in het centrum. De naamgeving impliceert dat de binnenstad een plek moet worden om te loungen en shoppen, om geld uit te geven. De straat als verlengstuk van de commerciële ruimte. Daklozen en hangjongeren passen niet in dat beeld.’
Zo dreigt Rotterdam te verworden tot een Smooth City – zoals de titel luidt van het boek dat stadsonderzoeker René Boer in 2023 uitbracht. Die beschrijft daarin hoe steden de wereldwijde concurrentiestrijd om hoogopgeleide werknemers en toeristen aangaan door de centra te veranderen in tot leven gekomen artist’s impressions, met smetteloze straten, hippe cafés en blije mensen.
Maar de ‘vergladding’ speelt breder, zegt Boer. Denk aan de opkomst van Photoshop, autotune, botox, bezorgdiensten en de smartphone met apps die ons leven optimaliseren en vergemakkelijken, en bijdragen aan de toegenomen controle in de openbare ruimte. Zoals ex-dakloze Ton uit Nijmegen het zegt: ‘Mensen zien je zitten en bellen gelijk over overlast. Vroeger was dat minder.’
Wandelend door Amsterdam-West, waar Boer werkt, vertelt hij hoe vijf jaar geleden – hij woonde destijds in de Kinkerstraat – op een dag een schoonmaakploeg alle stickers van zijn voordeur verwijderde. ‘Ze vertelden dat er volgens nieuwe regelgeving geen posters en graffiti meer in de straat mochten zijn.’
Het schoonvegen van de straat paste in een grote stadsvernieuwingsoperatie, waarbij bestaande huurwoningen werden gerenoveerd en dure koophuizen bijgebouwd. De voormalige tramremise, die al jaren leegstond, werd getransformeerd tot De Hallen, een complex met een foodcourt, bibliotheek en bioscoop. In de publieke passage staan bankjes met tussenleuningen en hangen beveiligingscamera’s. Op straat maakt een bord met de Engelstalige tekst ‘shopping, strolling, having fun and going out’ duidelijk welk gedrag hier gewenst is.
De buurt is opgeknapt, de tramremise is prachtig gerenoveerd, vindt Boer. ‘Maar ik zie ook welke waardevolle plekken verdwenen zijn. Hier’, wijst hij op een café, ‘was een woongemeenschap waar mensen in caravans woonden, er werkten kunstenaars en graffitiartiesten. Waar nu het CityHub-hotel voor 100 euro per nacht ‘slaapcapsules’ verhuurt, verbleven tijdelijk uitgeprocedeerde asielzoekers. Voor die mensen, voor spontaan ruimtegebruik is geen plaats meer.’ Boer vindt dat een zorgelijke ontwikkeling.
Het alternatief dat hij in zijn boek aandraagt, is de ‘poreuze stad’, een begrip dat de Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin (1892-1940) muntte naar aanleiding van een verblijf in Napels. Gechoqueerd als hij was door de chaos, ervoer hij tegelijkertijd ook de aantrekkelijke levendigheid van de Zuid-Italiaanse stad met zijn opengewerkte structuur van publieke binnentuinen, arcades en trappen.
De Hallen was voor de verbouwing zo’n poreus stuk stad, zegt Boer. Gelukkig kent de wijk Oud-West nog steeds zulke vrijplaatsen, zoals het voormalige Wilhelmina Gasthuis. Het gebouwencomplex zou in de jaren tachtig worden gesloopt, maar bleef dankzij buurtverzet behouden. Aan de wirwar van gangen en trappen vind je betaalbare (groeps)woningen en werkplekken voor kunstenaars en startende bedrijven.
‘Uiteindelijk is het de kunst om een balans te vinden tussen het geplande en het ongeplande’, zegt Boer. Ruimte maken, ruimte laten, zoals Hertzbergers credo luidt. In een filmpje uit 2016, gemaakt ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Weesperflat, loopt de architect door het gebouw. Hij bekijkt de gebarricadeerde zithoek en de trap naar het dak, die is volgestort met beton. ‘Dat hebben ze gedaan omdat ze bang waren dat mensen op het dak zouden gaan’, zegt Hertzberger. ‘Terwijl ik die trap juist gemaakt had opdát ze op het dak zouden gaan.’
Hij noemt het gebouw ‘een product van de jaren zestig, met hun enorme naïviteit’, en concludeert: ‘Liever naïef dan het huidige realisme.’
Een bekend voorbeeld van vijandige architectuur is de Camden bench. Deze betonnen stadsbank werd in 2012 in opdracht van het Londense stadsdeel Camden ontworpen door het Britse bedrijf Factory Furniture, specifiek om slapen, straatafval, skateboarden, graffiti en diefstal tegen te gaan. Het zitvlak kreeg afgeschuinde kanten, heeft geen leuning en is voorzien van een coating waardoor verf niet hecht. Door zijn enorme gewicht is de bank ook in te zetten als wegversperring.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden