N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Frank Oz vond ooit een pop op zolder van zijn ouderlijk huis in Oakland, Californië. De marionet lag er vergeten bij, weggestopt in een doos. Hij was ongeveer zestig centimeter lang. De kleren waren zorgvuldig genaaid: een lichtbruin overhemd, een donkere broek, een band om de linker bovenarm met een hakenkruis. De rechterarm stond gestrekt, schuin omhoog. Het snorretje, het haar, de ogen: onmiskenbaar.
Dit was Adolf Hitler.
De pop moest in 1950, toen het gezin Oznowicz Europa verliet en met de Holland-Amerika Lijn naar de Verenigde Staten emigreerde, zijn meegenomen. Maar in de paar koffers die het gezin meenam, was nauwelijks ruimte. De ouders van Frank Oz hadden de Hitlerpop samen gemaakt, zoals ze vaker samenwerkten. Zijn vader Isidore Oznowicz (de echte achternaam van Oz), poppenspeler en timmerman, had het houtwerk gedaan, zijn moeder Frances Oznowicz-Ghevaert had de kleren genaaid.
Frank Oz vroeg zijn ouders of hij de pop bij hem thuis mocht ophangen en liet een vitrinekastje maken. Hij stopte er ook zeven houten hoofden van poppen in die zijn vader met zíjn vader had gemaakt. Hij hing het kastje aan de muur van zijn appartement in New York. Daar bleef Hitler meer dan vijfentwintig jaar hangen.
Frank Oz (1944), poppenspeler, acteur en filmregisseur, is een van de bekendste namen in de Amerikaanse film- en televisiewereld. Hij bracht de Muppets tot leven. Hij is de geestelijk vader van Bert, Grover en Koekiemonster in Sesamstraat. Hij is Yoda, de groene, wijze Jedimeester met puntige oren, in Star Wars.
Hij en Jim Henson (1936-1990) werden de John Lennon en Paul McCartney van de kindertelevisie genoemd. Van 1963, toen ze begonnen samen te werken, tot aan Hensons overlijden in 1990 waren ze onafscheidelijk. Ze maakten samen The Muppet Show. Henson was Kermit de Kikker. Oz zat achter karakters als Miss Piggy, Fozzie Bear, Animal en Sam de Adelaar. Ze maakten en bespeelden de poppen van Sesamstraat, voor de Amerikaanse publieke omroep. Soms als duo, zoals bij Bert (Oz) en Ernie (Henson).
Welke waarde heeft een pop? Disney kocht de Muppets, het levenswerk van Oz en Henson, twintig jaar geleden voor 75 miljoen dollar. Maar wat ze niet kochten, waren de spelers die de handpoppen bedienden. „Een onbegrijpelijke blunder”, zegt Oz.
Het gaat bij de tientallen, misschien honderden handpoppen die Frank Oz bediende niet om het materiaal. Een lichaam van schuimrubber, een huid van vilt of eenvoudige stof. Een opening onderin om het hoofd en een arm te bedienen, visdraad voor de andere arm. De ogen van pingpongballen, die op het gezicht een exacte driehoek vormen met het middelpunt van de mond, de magische driehoek, noemen poppenmakers dat. De pupillen die een beetje naar elkaar toe staan, zodat het lijkt of de pop je indringend aankijkt.
Wat de poppen legendarisch maakte, is dat ze een karakter hebben, een ziel, zegt de schepper zelf. Je ziet ze bewegen, en je accepteert meteen dat ze leven. Je voelt hun emoties.
Die ziel zit in de poppenspeler, die onder tafel ligt, de armen soms urenlang in de lucht. „De speler bouwt de karakters uit, brengt met zijn eigen ziel de handpop tot leven.”
Hoe belandde Adolf Hitler op zolder? En wat betekende de pop voor zijn ouders? Frank Oz weet het niet precies. En nu zijn ouders niet meer leven, kan hij het ze niet meer vragen. Hij weet wel flarden. We praten over die flarden in een videogesprek in oktober, vier maanden na ons eerste gesprek. De maanden daarvoor spraken we elkaar regelmatig, soms via videoverbinding, soms in het echt. Frank Oz wil zijn ouders beter leren kennen, en laat zich in dat proces volgen.
Sommige dingen weet hij al, vertelt hij tijdens het eerste gesprek, in juni 2023. Hij weet dat zijn ouders Hitler samen hebben gemaakt. Zijn vader, Isidore Oznowicz (1916-1998), was een Joodse Nederlander, die in Antwerpen woonde. Hij wist tijdens de Tweede Wereldoorlog het Europese vasteland te ontvluchten en ontsnapte als Engelandvaarder naar het Verenigd Koninkrijk. Daar kwam hij na een vlucht van 517 dagen aan, op 12 oktober 1941. Later, op 4 januari 1942, wist Isidores vrouw Frances ook vanuit Portugal het Verenigd Koninkrijk te bereiken. Daar, in Hereford, werd Frank Oz geboren. Dat was in mei 1944.
Zijn vader kon alles met hout. Hij timmerde etalages, bouwde decors en maakte de poppen die hij bespeelde altijd zelf. Zijn moeder naaide de kleren. Ze maakten eens een nachtcluborkest van acht marionetten, inclusief een zangeres in rode jurk en met open mond. Ze gebruikten de poppen in hun sketches voor kinderen in Antwerpen, in de jaren dertig. Hitler moet vlak voor het begin van de oorlog gemaakt zijn, en is misschien gebruikt bij zulke sketches.
De familie Oznowicz heeft zijn wortels in het Russische tsarenrijk, en was een gevestigde naam in de Nederlandse en Vlaamse Joodse gemeenschap geworden. In 1859 verliet een voorouder van Frank Oz het huidige Polen voor Nederland, waar hij een Nederlandse vrouw leerde kennen. Oz’ vader Isidore was zes jaar oud toen hij met zijn ouders vanuit Amsterdam naar Antwerpen verhuisde. Isidore groeide daar op, en trouwde in 1938 met de rooms-katholieke Frances Ghevaert.
Isidore Oznowicz was een rebel, vertelt zijn zoon, die vol sarcasme en spot naar de wereld keek. Hij haatte autoriteit, haatte uniformen en haatte nazi’s het allerdiepst.
Maar er zit ook een onmacht in de pop, zegt hij. Alsof de satire, de spot van de marionet-Hitler, iets tegen de echte Hitler kon doen. En misschien heeft iedere kunstenaar die onmacht op zekere hoogte, zegt hij. Je ziet de wereld veranderen, je wil iets doen, maar hebt alleen een pen, een kwast, of een stuk hout en een lap stof.
Het jonge echtpaar had een vluchtplan klaarliggen voor het geval de Duitsers België zouden binnenvallen. In mei 1940 trad het plan in werking: ze zouden naar het zuiden vluchten, naar Frankrijk. Maar wacht, had de moeder van Frances gezegd, vlak voor ze vertrokken. „Jullie laten Hitler toch niet zo achter?”
Zij begreep meteen hoe gevaarlijk het was om in bezet Antwerpen een Hitler-marionet in huis te hebben. Isidore begroef de pop daarom vlak voor hij vluchtte nog snel in de achtertuin van zijn huis. Daar bleef Hitler liggen, ongestoord in een doos.
„Het was donderdagnacht en om 5 uur ’s morgens werd ik uit mijn slaap gewekt door mijn vrouw, die me angstig aanstaarde, en me attent maakte op het geluid van ontploffende bommen en het geronk van vliegtuigen. De stad Antwerpen, waar ik woonde met mijn vrouw, werd natuurlijk geducht onder handen genomen door de Duitsers, dit wegens haar belangrijkheid als haven. We woonden vlakbij de haven en voor de tunnel. Dit was zeer gevaarlijk, omdat de Duitsers het voornamelijk gemunt hadden op de beide tunnels. We zijn dan ook naar mijn ouders gegaan, meer in het midden van de stad. Daar was het veiliger. Maandagmorgen kwam een politieman aan de deur met de mededeling dat alle mannen van 18 tot 56 jaar naar Roeselare moesten. Ik vroeg hem of mijn vrouw mee mocht, en hij zei: ‘Nee. Trouwens: over veertien dagen ben je terug (!).’ Ik ging met mijn vrouw weg. Aangezien mijn vrouw hartpatiënt is, mocht ik niet per fiets gaan. De treinen waren stampvol. Toen besloot ik maar ‘autostop’ te gaan doen [te gaan liften, red.].”
(Uit het reisverslag van Isidore Oznowicz, 1942. Het verslag is nu in bezit van het Nationaal Archief)
Liftend gingen Isidore en Frances van de ene naar de andere plek, steeds zuidelijker reisden ze Frankrijk in. Ze kenden het land, ze waren er vaak met jeugdkampen geweest. Ze spraken af: we nemen alleen achterafweggetjes, waar weinig andere vluchtelingen zijn.
„We waren in Toulouse in een trein beland, en ik moest snel denken: bleven we in de trein of zouden mama en ik eruit rennen, want treinen betekenen meestal slecht nieuws. Maar ik dacht: ‘Nou ja, de trein gaat zuidwaarts en niet naar het oosten, naar Italië of Duitsland.’ Dus we bleven zitten. Zo kwamen we in de Pyreneeën terecht, waar we twee weken bij een klein oud vrouwtje konden blijven. Daar zag ik iets tragisch. Door het kleine dorpje liep een hele groep Europese Joden, bewaakt door Duitse, Franse en Italiaanse soldaten. Ze gingen naar een groot kamp. Het treurige was dat ik iemand herkende uit mijn eigen stad. Heel verdrietig. Ik wist vanaf dat moment meteen dat we ver weg van dat tafereel moesten zijn. Dus reisden we door naar Pau, en daarna naar Biarritz, een mooi resortstadje.”
(Isidore Oznowicz in gesprek met Frank Oz, 1973)
Hoe goed ken je je ouders, al trek je het grootste deel van je leven met ze op? Frank Oz heeft altijd geprobeerd ze te begrijpen, al realiseert hij zich dat het nooit helemaal gelukt is. Toen Oz voor Sesamstraat werkte, in 1973, wist hij zijn vader te overtuigen zich door hem te laten interviewen over zijn oorlogservaringen. In het Engels, thuis werd geen Nederlands gesproken. „Ik had een enorme camera vast en een batterij van tien kilo op mijn schouder.”
Zijn vader vertelde zijn verhaal in een half uur. Veel feiten, weinig emoties, maar het is iets. „Iedereen zou dit moeten doen”, zegt hij. Leg een iPhone neer bij je ouders, als ze er nog zijn, en stel ze een uur vragen. Er is geen excuus om het niet te doen.”
Voor een poppenspeler draait alles om misleiding. Het publiek moet naar de pop kijken, nooit naar de speler. En daarom is het zo’n veilig vak voor verlegen mensen. Als het publiek niet lacht, of juist lacht op verkeerde momenten, dan is dat de schuld van de pop. Die krijgt de hoon over zich heen. De speler is altijd buiten beeld, achter een decorstuk, onder een tafel.
Voor Frank Oz was dat heerlijk werken. Liggend onder een tafel, of verstopt in het decor, liet hij de poppen het werk doen. Honderden miljoenen kinderen in de VS en Europa groeiden op met zijn creaties. En toch kan hij onopgemerkt over straat lopen. Bijna niemand van zijn vrienden in de acteurswereld kan dat.
Oz is een introvert. „Ik zat al jaren in het vak toen ik erachter kwam dat het te maken heeft met mijn angst voor afwijzing. De meeste mannen hebben die angst, trouwens.” Hij stelt liever vragen dan dat hij over zichzelf praat. Persoonlijke vragen pareert hij met een snelle grap, zoals een goochelaar het publiek een andere kant op laat kijken. Als hij een e-mail met vragen moet beantwoorden, stuurt hij eerst een lange serie grappen over het woord ‘beer’. Of hij mailt vanuit het perspectief van de huishoudelijke klusjes die op hem zitten te wachten voor hij antwoord kan geven: „Zeg Frank, ruim je bureau op! Frank, ruim de vaatwasser eens leeg!”
Honderden miljoenen kinderen in de VS en Europa groeiden op met zijn creaties. En toch kan hij onopgemerkt over straat lopen
Zijn vader was juist extravert. Die hield niet op met praten, grote verhalen ophangen. Stond hij in de rij bij de kassa, dan had hij binnen tien minuten drie nieuwe vrienden gemaakt. „Op de dag dat we, berooid, in Californië aankwamen, vond hij een zolderkamertje als woonruimte voor ons gezin. We hadden dekens nodig om het kamertje in compartimenten te verdelen, maar we hadden geen geld. Hij ging naar de winkel en kreeg de dekens zonder te betalen mee.”
In de jaren tachtig nodigde Frank Oz zijn vader uit om mee te gaan naar de bioscoop in San Francisco, naar een vertoning van Star Wars, waarin hij te zien was als Yoda. „Ik zei: papa, je mag een paar vrienden meenemen. Hij belde een paar dagen later terug, bloedserieus: ‘Frank, ik heb zestig vrienden uitgenodigd.’ Ik zei: ‘Wat? Zestig?’ En hij zei verontschuldigend: ‘Nou ja, ik heb toch niet ál mijn vrienden gevraagd?’”
Het begon Frank Oz de afgelopen jaren te dagen dat de gulle, luidruchtige kant van zijn vader vooral een buitenkant was, zoals hij vroeger poppen rollen liet spelen. „Zijn extraverte kant vergrootte hij uit, maar op de manier die je vaker bij oorlogsslachtoffers ziet. Mensen die diepere gevoelens willen vermijden en als een bezetene van het leven proberen te genieten. De oorlog heeft de persoonlijkheid van mijn ouders beslissend gevormd. Daarmee heeft de oorlog ook mij en mijn werk beïnvloed. Dat wil ik onderzoeken.”
Oz onderzoekt deze vraag zoals hij gewend was te werken met Jim Henson. Het ging hem nooit om het eindresultaat, de film of de uitzending, maar om het proces, het maken zelf. „Zo zie ik dat nu ook, als een proces. Maar ik zie dit wel als het belangrijkste in mijn leven.”
„De Duitsers kwamen steeds dichterbij. Het gerucht ging dat er een tanker zou vertrekken naar de Franse kolonie in Noord-Afrika. Er waren zeker duizend mensen die een ticket wilden voor dat schip, maar er was maar plek voor 200. Wij waren met negentien Nederlandse vluchtelingen, en drie van ons gingen in verschillende rijen staan, de jongere mensen. Ik deed mijn best zo ver mogelijk vooraan te komen. Eén van ons, de vrouw van een rijke man, kocht een soldaat om, zo kregen we onze tickets. We dachten dat we veilig waren. Maar ze kwam naar buiten en zei dat vier mensen van de groep achter moesten blijven. We moesten beslissen wie. Ze besloten dat de twee stellen zonder kinderen zouden achterblijven. Dat was een ander stel, en mama en ik. Het andere stel begon te huilen toen ze dat hoorden.”
(Isidore Oznowicz in gesprek met Frank Oz, 1973)
Een goede pop geeft altijd iets van de maker prijs. Jim Henson en hij namen hun eigen persoonlijkheid als uitgangspunt voor elk karakter. Daarna lieten ze ze „door een professioneel filter gaan”, om ze grappig te maken. „Maar de kern van mijn poppen, dat ben ik. Er zit iets van mij in Koekiemonster, uitzinnig en gulzig, en Miss Piggy, ook extravert, maar vooral heel gevoelig. In Animal, die gewoon gek is. En zeker in Grover, die een beetje op zichzelf is, en Bert, een echte introvert.” Fozzie Bear, die zijn diepe onzekerheid verbergt achter slechte grappen, lijkt van al Oz’ creaties misschien wel het meest op de maker.
Al in de jaren vijftig begon Jim Henson aan de Muppets (een samenvoeging van ‘puppet’ en ‘marionet’) te werken. Henson, zegt Frank Oz, was niet zozeer geïnteresseerd in poppen. „Zijn echte passie was televisie. En de poppen waren een manier om op televisie te komen.”
Jim Henson veranderde de relatie tussen mens en pop radicaal. Poppen hadden daarvoor weinig diepgang of ontwikkeling. „Je had de koning, de koningin, de nar, dat was het. Ze bleven wie ze waren. Jim stak weinig tijd in het poppenmaken zelf, maar des te meer in hun karakterontwikkeling. Ze moesten complex zijn, net als mensen.”
Een poppentheater, zegt Oz, speelt zich altijd af in het proscenium, het voortoneel. Achter de pop is het gordijn, voor de pop zit het publiek. Jim Henson bedacht dat een televisietoestel net zo goed dienst kan doen als voortoneel. Omdat de poppen daar beter te zien zijn, moesten ze wel mimiek hebben. Dus maakte hij poppen van oude sokken of jassen, niet langer van hout, en gaf hij ze een beweegbare mond. De monden liet hij precies op de tekst bewegen. „Jim experimenteerde maar wat, en het bleek een revolutionair idee. Opeens was een pop een personage met wie je een connectie kon voelen.”
Jim Henson en Frank Oz leerden elkaar kennen in 1963. Als tiener had Oz veel ervaring opgedaan met poppenshows in het lokale pretpark Children’s Fairyland. Maar hij wilde niet, zoals zijn vader, poppenspeler worden. Hij wilde zijn eigen pad volgen en ging journalistiek studeren.
Zoals Isidore Hitler parodieerde, zo namen de personages in The Muppet Show beroemdheden op de hak
Henson had Oz zien optreden, en vroeg hem mee te werken aan een project in New York. Het was het begin van een hechte samenwerking van bijna drie decennia.
Sesamstraat begon in 1969, The Muppet Show in 1974. Henson en Oz wilden televisie maken voor alle leeftijden. Moesten ze voor Sesamstraat een sketch maken over de letter W, of het verschil tussen hard en zacht, dan schreven ze er grappen in voor volwassenen. Oz zegt: „Hoe moet ik nou weten wat alleen kinderen leuk vinden? Als ik mensen vraag wat kindertelevisie is, dan zeggen ze dingen als: het decor heeft heldere kleuren, of de scènes zijn grappig. Volwassenen houden ook van heldere kleuren en grappige scènes.”
Eén principe had Oz geleerd van acteur en filmmaker Orson Welles (Citizen Kane, The War of the Worlds). „We zaten een keer te dineren met zijn drieën, en hij zei toen tegen Jim en mij: je moet niet creëren op basis van je ervaring, maar op basis van onschuld.” Hij bedoelde: je moet televisie maken zonder conventies.
Daniel Seagren en Jim Henson spelen Ernie, Frank Oz Bert, in New York, 1970. Foto David Attie/Getty Images
Zoals Isidore Oznowicz een rebel was, wars van regels en autoriteit, zo zijn veel creaties van Oz dat ook. En zoals Isidore Hitler parodieerde, zo namen de personages in The Muppet Show beroemdheden op de hak. „De Muppets hebben, zoals ik het noem, een affectieve anarchie, ze zitten aan de rand van de samenleving en bespotten het gezag.”
Veel scènes die Oz schreef voor The Muppet Show en Sesamstraat gaan over de strijd tussen de braverik en de rebel. Bert houdt zich aan de conventies, Ernie bevraagt die. De patriottische Sam de Adelaar probeert de anarchistische Muppets in het gareel te houden. Oz: „Conflict en wrijving maken een scène interessant. Als Bert net zo rebels was als Ernie, zou er niets gebeuren. Pas als er strijd is, ontstaat er energie.”
„Ik werd stekelig, want de Duitsers kwamen steeds dichterbij, en ik had nog twee opties: aan de kust blijven en hopen op een schip, of landinwaarts naar het niet-bezette deel van Frankrijk. Ik wilde blijven. Tot we opeens ver aan de horizon de zwarte vorm van een schip zagen. Ik hoef je niet te vertellen hoe zwaar hierom gevochten werd, het was ongelooflijk. Deze keer liet ik niet met me sollen. Ik ging in de rij staan en duwde mezelf steeds verder naar voren. Totdat iemand zei: ‘De mensen die gisteren het schip hebben gemist, krijgen voorrang. Ik riep meteen: ‘Ik!’ Dus hij vroeg: ‘Wat was de naam van het schip? Mijn hoofd was niet zo helder meer. En ik zei: ‘Ik weet het niet meer. God, het begint met een P.’ Hij bleef aandringen, en ik stamelde: ‘Parmen…’ Hij: ‘Ah, je weet het wel. Is het de Parmentier?’ Ik: ‘Ja! Dat was het!’ Hij liet me binnen. Alle vier mochten we mee. Zo dun is de lijn tussen leven en dood. Maar de bemanning wilde niet weg, de Duitse onderzeeërs zaaiden met hun torpedo’s dood en verderf op zee. Met revolvers werden ze door agenten gedwongen om aan boord te gaan. Het verdrietige was: toen het schip weg zou varen, waren er mensen met Cadillacs, vooral Joodse mensen, die hun auto’s in de steek lieten en iedereen nog probeerden om te kopen [om aan boord te mogen]. Het allerergste was dat de Tsjechen die hun land waren ontvlucht en de Spanjaarden die tegen [de fascistische dictator] Franco hadden gevochten en naar Frankrijk waren gevlucht, zich vastklampten aan het schip terwijl het de haven verliet. Het was verschrikkelijk om te zien. Verschrikkelijk. Maar het was ieder voor zich.”
(Isidore Oznowicz in gesprek met Frank Oz, 1973)
Frank Oz zag ooit op een vliegveld een gesprekje tussen een moeder en een jong kind. De moeder probeerde haar koffer van de bagageband te halen, het jongetje van een jaar of vier vroeg om aandacht. „De moeder zei: ‘Billy, ik heb het nu echt gehad!’ En het kind huilde: ‘O, mama, niet het gehad hebben!’”
Die scène leerde Oz hoe kinderen denken, en hoe ze naar hun ouders kijken. Dat jongetje wist niet wat de uitdrukking betekende, het gehad hebben. Maar hij voelde de emotie die de moeder met die woorden uitdrukte. „Kinderen zijn gevoelig, en voelen de emoties van hun ouders aan, zonder dat ze alles letterlijk begrijpen.”
Dertig jaar van gesprekken met zijn psychiater hebben Frank Oz geleerd zijn ouders beter te begrijpen. Zijn moeder Frances omschrijft hij als „emotioneel, intens, krachtig, een perfectionist”. Ze was ondanks haar kracht onderhuids altijd bang, merkte hij, en die angst beïnvloedde hém weer. „Ze was bang dat haar man iets zou overkomen, of de kinderen. Bang voor geldgebrek. Die angst maakte haar beschermend. Mijn moeder had heel sterk het gevoel dat ze de beste moeder van de wereld moest zijn. En ik moest me zo gedragen dat ze zich ook de beste moeder zou voelen. Als kind heb je geen woorden nodig om dat aan te voelen, net als het jongetje op het vliegveld.”
Zijn vader praatte vrijwel nooit over zijn gevoelens. Luisteren deed hij ook niet veel, hij praatte vooral. „Dat vergeef ik hem, want als hij zou beginnen vragen te stellen over mijn gevoelens en echt had geluisterd, hadden we het ook over hem moeten hebben. Hij was een gevoelig mens, maar van zo’n gesprek wilde hij niets weten, dat was te pijnlijk.”
Jaren geleden keek Frank Oz met zijn vader eens een Nederlandse oorlogsfilm, hij weet niet meer welke. Het ging over verzetsstrijders die tegen nazi’s vochten, beschietingen aan het front, het was één en al actie. De film eindigde met een scène waarin een gezin na de bevrijding naar buiten komt. Ze hadden de hele oorlog zonder incidenten uitgezeten. „Mijn vader zag dat en zei alleen maar: ‘Dat mag ook.’ Hij had een hekel aan oorlogsromantiek en heldendom.”
„De bootreis duurde zeven dagen. De kapitein deelde alleen soep uit. Iedereen werd ziek, mama ook. Er was een grappig moment: we voeren langs de Pyreneeën. En mama en ik hebben altijd van schoonheid gehouden, ook in de diepste ellende. Dus ik tilde haar op en klom met haar een ladder op en zei: ‘Kijk naar de bergen!’ Ze was zo ziek dat het haar niet uitmaakte of ze bij de Pyreneeën of in China was. Daarna ging ik naar de bemanning voor eten, ik sprak Frans. Ruige types. Ze zaten aan tafel brood te eten en ik vroeg of ik wat eten kon kopen, voor welke prijs dan ook. Ik kocht een stuk brood en stopte de kruimels die ik zag in mijn zak. Toen ik terugkwam, brak ik het brood open, en het was helemaal beschimmeld van binnen. Ik schraapte er vanaf wat nog eetbaar was en deelde het, vooral met kinderen. Maar we hadden geluk. Ik had voor de reis nog wat sardines en suiker gekocht. Dus we gaven mensen om ons heen elke dag twee sardientjes en een suikerklontje. Tot de vijfde dag, toen was het op. Op het laatst werd er nog maar een beetje soep gemaakt, iedereen was zo ziek. […] We wisten niet waar we naartoe gingen, maar op de zevende dag zagen we Casablanca opdoemen. Ik hield mama vast met mijn ene hand, ze was zo hongerig, en met mijn andere hand mijn vriend die helemaal verzwakt was.”
(Isidore Oznowicz in gesprek met Frank Oz, 1973)
Op 10 februari vorig jaar stuurde Pepijn Lucker een bericht op Twitter aan Frank Oz. Lucker werkt als onderzoeker voor het Nationaal Archief in Den Haag. „Tijdens mijn onderzoek naar Engelandvaarders kwam ik wat documenten tegen over de ontsnapping van uw ouders. Ik kan u digitale kopieën sturen”. Oz reageerde, en ze begonnen een mailcorrespondentie. Sindsdien helpt Lucker Oz met het ontrafelen van de familiegeschiedenis van zijn ouders.
Lucker doet onderzoek naar Engelandvaarders, de Nederlanders die tijdens de bezetting naar Engeland vluchtten om te helpen in de oorlog. Eind maart moet het project afgerond zijn. Het archief publiceert hun namen en de dossiers die werden aangelegd door de Nederlandse inlichtingendienst in Londen. Zo worden de reisroutes en ervaringen van deze mensen voor het grote publiek digitaal doorzoekbaar. Engelandvaarders spreken tot de verbeelding, mede dankzij Soldaat van Oranje.
Toch is er nog veel onbekend, zegt Lucker. En wat er bekend wás, blijkt vaak niet te kloppen, zoals de aantallen. „De stand van de wetenschap was altijd dat er zo’n 1.700 Engelandvaarders zijn geweest. Wij zitten inmiddels op 2.150 namen. Daarbij komen nog bijna 700 mensen die er tegenaan schurken”, bijvoorbeeld omdat ze na de bevrijding van Zuid-Nederland naar Engeland reisden. Er waren dus veel méér Engelandvaarders dan werd aangenomen.
Ook de routes die zij aflegden blijken anders dan meestal werd aangenomen. „Het clichébeeld is dat van mensen die in Nederland in een bootje stapten en naar Engeland voeren. Maar in werkelijkheid heeft maar zo’n 10 procent van de Engelandvaarders de reis op die manier afgelegd. Het was al snel vrijwel onmogelijk: de kust werd streng bewaakt, er was geen benzine voor de motor van een boot te krijgen, het was gewoon te gevaarlijk.”
Circa 35 procent nam de route via het neutrale Zweden. Ongeveer de helft nam een vergelijkbare route als die van Isidore Oznowicz en Frances Oznowicz-Ghevaert. Niet via de Noordzee, maar zuidwaarts: via België, Frankrijk en Spanje naar Portugal, vanwaar het mogelijk was om naar Engeland te vluchten.
De onderzoekers verzamelden op basis van archiefmateriaal van de Nederlandse regering in ballingschap namen voor hun lijst. Op die lijst viel het oog van Lucker op de naam Oznowicz, een opvallende, misschien Poolse naam. Een collega ging de naam googlen en stuitte meteen op een foto van de Hitler-pop. „Ze zei: ‘Kijk wat ik nou vind.’ En ik dacht: verrek.” Ze kwamen op een artikel in The New York Times, over de Hitlerpop van Frank Oz. The Contemporary Jewish Museum in San Francisco had de pop tijdelijk tentoongesteld, schreef de krant. Lucker: „Toen pas kwamen we erachter dat we met de vader van Frank Oz te maken hadden.”
„Bij onze aankomst in Casablanca […] hebben de Fransen ons in een concentratiekamp gestopt. Of, zoals ze dat noemden, ‘camp de triage’. Er was geen water, het eten werd door Arabieren bereid en we sliepen op stro op de grond. Het licht moest in de nacht aanblijven en alle soorten beesten kwamen ons bezoeken, dit door het aanblijvende licht. We werden daar ook militair bewaakt. Na vijf weken zijn we eruit gehaald door een Joods Comité voor Vluchtelingen. De eerste vier à vijf maanden moesten we maar zien hoe we aan de kost kwamen. Mijn vrouw heeft gewerkt, en ik ook. Het waren maanden van grote ellende voor ons. Met hulp van het Nederlandse Gouvernement kwamen we uit Marokko, dit na elf maanden verblijf. Toen zijn we met een pakketschip naar Lissabon gegaan, waar ik zeven maanden was en waar ik werd opgeroepen voor militaire dienst. Ik ben toen alleen naar Engeland gegaan, per boot. Van Lissabon naar Gibraltar zijn we gegaan met een luxeschip. In Gibraltar moesten we eraf en anderen kwamen in onze plaats op het schip. Na een zekere tijd is dat schip met bijna alle mensen [door een Duitse aanval] in de grond geboord.”
(Uit het reisverslag van Isidore Oznowicz, 1942)
Op een warme maandagochtend in juni 2023 meldt Frank Oz zich met zijn rolkoffer bij het Nationaal Archief. Oz is op uitnodiging van Pepijn Lucker naar Den Haag gekomen. Lucker neemt Oz mee naar een lange tafel in de leeszaal en laat een kar vol archiefdozen komen. Daarin zit het vluchtverhaal van zijn ouders: documenten in formele taal, brieven, foto’s. Talloze smeekbedes van zijn vader aan de Nederlandse consul om zijn vrouw ook een visum voor Engeland te geven. Lucker praat Oz geduldig door de documenten heen.
„Je kan het als moedig zien wat ze deden”, zegt Oz tegen Lucker, bladerend door de dossiers. „Maar dat was het waarschijnlijk niet. Ze deden het enige wat ze kon redden: vluchten. Ik mag hopen dat ik de kracht heb om hetzelfde te doen in zo’n situatie.”
Frank Oz en Pepijn Lucker in het Nationaal Archief. Foto Guus Valk
In Engeland sloot Isidore Oznowicz zich meteen na aankomst aan bij de Prinses Irene Brigade, leest Oz. Hij had een oproep gekregen om in dienst te gaan, en wilde niet naar toenmalig Nederlands-Indië gezonden worden. Dat was in oktober 1941, vlak na de oprichting. De eerste jaren trainde hij in Engeland.
Nadat het hem eindelijk gelukt was zijn vrouw naar Engeland te laten komen, gingen ze dicht bij de militaire basis wonen. Daar kregen ze twee kinderen: Ronald en Frank. Later, in de VS, zouden ze nog een dochter krijgen, Jenny.
Oz en Lucker nemen samen een brief door, gericht aan de Nederlandse consul in Lissabon. Isidore schrijft dat zijn vrouw zich „nuttig” heeft gemaakt voor de Nederlandse gemeenschap daar. En hij schrijft: „Ik zit nu in het leger, waar het reusachtig is.”
Frank Oz onderbreekt de brief en lacht. „Wat een leugen. Hij haatte het leger, vertelde hij altijd. Hij haatte regels.”
„Ik belandde in het leger, maar ik was totaal ongeschikt. Ik was een echte vrije geest. Op de tweede dag beukte de sergeant me omver tijdens het aankleden. Hij had een hekel aan me. Ik zei dat hij het niet nog een keer moest doen, maar dat gebeurde de volgende ochtend opnieuw. Ik zei dat hij problemen zou krijgen als hij het weer zou doen. De dag erna gebeurde het wéér. Ik rende achter hem aan en begon te vechten. Geen van beiden won. We sloegen elkaar echt helemaal verrot. […] Ik moest bij de kapitein komen, en hij zei: ‘Je kan niet iemand slaan die hoger in rang is dan jij. Ik zei: ‘Dat doe ik gewoon. Als iemand me slaat, sla ik terug.’”
(Isidore Oznowicz in gesprek met Frank Oz, 1973)
In de dossiermappen vinden Lucker en Oznowicz de straflijst van Isidore. Hij kreeg in de vier jaar dat hij in de brigade zat vaker problemen met het gezag. Hij werd in zwembroek aan het strand aangetroffen, wilde niet op wacht staan of verliet zonder toestemming de kazerne. Maar zijn carrière verliep vlot: hij belandde in het reizende hoofdkwartier, en trok vanaf augustus 1944, na D-Day, steeds verder noordwaarts. Hij kreeg de positie van seiner en zorgde voor de communicatie tussen legeronderdelen.
Er liggen ook documenten die laten zien wat er met de familie van Isidore is gebeurd. „Weet u het zeker?”, vraagt een archiefmedewerker voorzichtig. „Dat is intens.”
„Ja, ik weet het zeker”, zegt Frank Oz.
De map gaat open, en het duizelt van de namen en jaartallen, gegevens van het Rode Kruis en brieven waaruit blijkt dat bezittingen zijn afgepakt, familieleden zijn weggevoerd. De grootouders van Oz wisten ook te ontkomen naar Portugal. Met de meeste familieleden in Nederland liep het slecht af. In mei 1943 werden ze naar de gaskamer van Sobibor getransporteerd. Lucker loopt een lijst na. „Willem. Jozef. Femmetje. Allemaal omgekomen. Een paar familieleden konden nog onderduiken en hebben het gered.”
Er valt een korte stilte in de leeszaal, Lucker en Oz staren naar de mappen. Oz zegt dan: „Ik ben gezegend dat jullie dit allemaal hebben gevonden.”
Na de bevrijding verhuisde het gezin terug naar Antwerpen. Daar groef Isidore de doos op die hij in de tuin had begraven
Hitler was de oorlog ongeschonden doorgekomen. Na de bevrijding verhuisde het gezin terug naar Antwerpen. Daar groef Isidore de doos op die hij in de tuin had begraven. Na vijf jaar in Antwerpen kreeg het gezin een visum om naar de VS te emigreren. Met vrijwel niets, maar met Hitler in de koffer, kwamen ze in Californië terecht.
Isidore, die zichzelf Mike was gaan noemen, wilde in Amerika geen poppenspeler meer zijn. Hij richtte een vakbond op voor poppenspelers en leerde zijn zoon Frank een paar basisvaardigheden. Dat je voor een marionet altijd visdraad moet gebruiken in plaats van zichtbaar touw. Maar Frank Oz zegt dat hij het vak niet van zijn vader geleerd heeft. Die was na de oorlog klaar met spelen.
Zijn ouders zijn diep beschadigd door de oorlog. En zo, zegt Frank Oz, heeft de oorlog indirect ook hém beschadigd. „De schade die mij is aangedaan is niemands schuld. Het is veroorzaakt door de situatie waarin mijn ouders beland waren, en de trauma’s die ze opliepen in de oorlog.”
Aan de muur bij Frank Oz is alleen een gat te zien waar eerst de vitrine met de Hitler-pop hing. Hij laat het gat op een dag zien met de camera van zijn laptop. Hitler is nu in San Francisco. Begin volgend jaar wil Oz hem, in samenwerking met het Nationaal Archief, tentoonstellen in Nederland. De voorbereidingen zijn al begonnen.
Hij had er vroeger nooit aan gedacht, een kennis bracht hem op het idee, maar Oz wil nu dat de wereld de pop ziet. Hij ziet de pop als een ode aan zijn ouders en hun verzet. Maar ook, zegt hij, als een eerbetoon aan alle vluchtelingen ter wereld. „Het verhaal van mijn ouders is niet heroïsch of uniek. Het tragische is juist dat het zo universeel is.”
Frank Oznowicz (Hereford, Engeland, 1944) is acteur, regisseur en poppenspeler. Hij woonde na WOII tot zijn vijfde in Antwerpen, waarna het gezin emigreerde naar Californië, waar hij ervaring opdeed als poppenspeler in een pretpark.
In 1963 werd hij ontdekt door Jim Henson. Ze werkten samen voor Sesamstraat en The Muppet Show.
Oz speelt Yoda in Star Wars. Hij speelde in films en theaterstukken. Ook regisseerde hij o.a. The Stepford Wives en The Muppets take Manhattan. Hij won een Emmy Award en twee Grammys.
Hij is getrouwd en heeft vier kinderen.
NieuwsbriefNRC KijktipsExclusief voor abonnees
Wat moet je deze week kijken? Tips voor boeiende programma’s, series en films
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC