Home

Plotseling ben ik aan het overleggen over een omslag van een boek dat nog voor de helft geschreven moet worden

We waren in een driehoek terechtgekomen, de vormgever, de uitgever en ik, waarbij we elkaar allemaal een op een aan de telefoon spraken maar nooit met zijn drieën, zodat ik op een zeker moment de vormgever hoorde zeggen:

‘Ik heb tegen haar gezegd: Gerda Blees wil graag flapjes en ongestreken papier.’

Dat klopte, ik wilde ook binnenflappen aan het omslag van mijn boek, en ongestreken papier, al wist ik niet honderd procent zeker wat ongestreken betekende, maar het leek me mooi als het omslag niet zo’n glad laagje eroverheen had waar je vette vingers op kon zien maar meer papierachtig was. Maar ik wilde ook niet een soort diva zijn en allerlei moeilijke eisen stellen aan mijn uitgeverij. En wat was diva-achtiger? Zelf zeggen dat je flapjes en ongestreken papier wilde, of je vormgever dat laten zeggen? Al had ik het hem niet laten zeggen, hij had het zelf gezegd.

Er zijn schrijvers die zeggen, nog net niet met de rug van hun hand tegen hun voorhoofd geslagen, maar wel met dat gevoel voor dramatiek: ‘O! Ik wil echt pas dat mijn boek verschijnt als ik allang aan een volgend boek ben begonnen! Anders komt er véél te veel druk op te staan!’

Mijn eigen geliefde is er zo een en bij elk volgend boek neem ik me voor er ook zo een te worden, maar dan ben ik plotseling toch aan het overleggen over een omslag van een boek dat nog voor de helft geschreven moet worden.

Gerda Blees is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Gebruik dit niet tegen mij, critici, als u dit toevallig leest en over een half jaar mijn affe boek in handen krijgt! Denk dan niet, al voor u bent begonnen met lezen: aardige poging, mooie ambitie, maar je merkt dat ze het heeft afgeraffeld.

Er zijn schrijvers die zeggen dat het hun (of is het hen? Gebruik dit niet tegen mij, critici) niet kan schelen wat critici vinden van hun werk, maar die moeten wel liegen.

‘Ik heb die druk denk ik ook wel een beetje nodig’, zeg ik via mijn geliefde tegen mezelf, ‘anders raak ik afgeleid’, maar terwijl ik telefoneer over het omslag van mijn boek, of de aanbiedingstekst van de catalogus probeer te herschrijven, schrijf ik niet aan mijn boek, en evenmin ben ik een licht voor alle mensen, noch zorg ik dat mijn pensioenfonds ophoudt met investeren in fossiele brandstoffen. En ook als ik op de foto ga met een blazer op mijn gezicht gericht zodat mijn haar een beetje vlotter gaat waaien ben ik geen licht voor alle mensen, hoewel ik zo liefdevol mogelijk in de camera probeer te kijken, maar wel zonder te lachen, want schrijven is een serieus beroep en het past niet als de schrijver breed lachend op de achterkant – of binnenflap, uitgever, ik wil een binnenflap, maar ik zal ook vol begrip zijn als daar geen geld voor blijkt te zijn met de papierschaarste en alle andere tegenslagen in het boekenvak – van haar boek verschijnt.

Ik schrijf wel aan mijn boek. Straks, straks ga ik twee uur lang schrijven aan mijn boek. Voor ik begin, lees ik mezelf moed in met een stukje uit Dagelijkse rituelen, waarin de dagindeling van beroemde kunstenaars uit het verleden wordt beschreven. Vandaag schrijver James T. Farrell, die op latere leeftijd een vrouw ontmoette die hem in huis en onder haar hoede nam, hem vertelde wanneer hij moest ontbijten, wanneer het tijd was om te schrijven en wanneer het tijd was om daar weer mee op te houden. ‘’s Avonds beantwoordde hij brieven terwijl zij de krant las.’ Zoiets moet het worden.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next