Home

Hoe journalist Tessa Sparreboom zich door de wervingsdagen van de landmacht heen worstelde

Over zes jaar moet een derde van het aantal personeelsleden bij defensie uit vrouwen bestaan. Journalist Tessa Sparreboom deed mee met het kennisprogramma Expeditie Landmacht. ‘Er zit nog veel meer in die tank van jou.’

Op een maandagochtend sta ik op de Johannes Postkazerne in Darp (Drenthe) tussen 39 mensen die een carrière als militair overwegen. We staan opgesteld in eerste rust: handen om ons nepgeweer, kin omhoog, borst en blik vooruit. Voor ons staat korporaal Lars, een dertiger die sinds zijn 17de ‘bij de baas’ zit. Zojuist heeft hij ons minutenlang laten planken, net zo lang tot de jongen die zijn wapen bij het omkleden was kwijtgeraakt het had gevonden.

‘Het militaire leven is het mooiste wat er is’, riep de korporaal terwijl we boven de grond hingen. ‘Er horen alleen, zoals ik ze noem, wat zuurtjes bij.’

Nu het wapen terecht is, worden de rijen opnieuw gecontroleerd. Ik veeg een pluk haar uit mijn mond.

‘Ja, zit je haar goed?!’

Ik schrik zo erg dat ik even niks kan uitbrengen. Rechts van me, tussen twee andere deelnemers door, kijken de strenge, ijsblauwe ogen van de korporaal me aan.

‘Ja, korporaal.’

Hij gaat weer voor de groep staan. Of we hem kunnen vertellen wat het allermakkelijkste deel was van deze opdracht – in zes minuten omkleden naar militair uniform en opgesteld staan in eerste rust.

‘Het uitkleden’, zegt een jongen op de eerste rij. Fout.

‘Het makkelijkste onderdeel’, zegt de korporaal, ‘is het laatste. Stilstaan, blik op oneindig. Waarom is dat zo moeilijk voor jullie? Sorry hoor, maar daar snap ik echt geen bout van.’ Ook vindt hij dat we elkaar niet genoeg helpen. Dat komt volgens hem doordat we uit de individualistische burgermaatschappij komen.

We moeten ons nog eens omkleden, nu terug naar burgerkleding. En dan nog een keer, terug naar het uniform. Beide keren zijn we te laat.

Normaal gesproken zou de korporaal ons net zo lang laten doorgaan tot we de tijd halen, maar we hebben niet de hele dag. We moeten achter hem aan rennen.

‘Gaat-ie?’, vraagt de jongen voor me die mij hoort hijgen. De preek over individualisme heeft effect gehad.

‘Ja, het gaat.’

‘Mooi.’

De komende twee dagen doe ik mee aan Expeditie Landmacht, een kennismakingsprogramma dat je volgens het aanmeldformulier laat ervaren ‘wat onze militairen van de Koninklijke Landmacht dagelijks doen’. De precieze invulling van de expeditie is een verrassing. Op de inpaklijst staan onder andere een paar stevige, waterdichte, ventilerende, goed ingelopen schoenen met hoge schacht en zes paar sokken, ‘waarvan twee paar naadloos om blaren te voorkomen’. Als je enthousiast bent geworden, kun je na afloop meteen solliciteren.

Defensie heeft een personeelsgat van negenduizend man te dichten. Dat niet alleen, demissionair minister Kajsa Ollongren wil dat in 2030 drie op de tien medewerkers bij Defensie vrouw is, waar dat nu nog 18 procent is. Om de instroom te bevorderen, heeft de 43 Gemechaniseerde Brigade (de eenheid die met gepantserde voertuigen kan opereren in ‘het hoogste geweldsspectrum’) de Bizon Compagnie in het leven geroepen: de wervingseenheid die onder andere meermaals per jaar de expeditie organiseert.

Voor deze editie hebben zich veertig mensen aangemeld. De meesten zijn jongens tussen de 17 en 23. De een doet een opleiding, de ander heeft een tussenjaar, sommigen zitten nog op school en hebben vrij gekregen voor de expeditie. Jan is met 55 jaar de oudste. Hij is al eens militair geweest en overweegt reservist te worden – dat kan tot je 55ste.

Ook zijn er negen jonge vrouwen. Een van hen zit al in het sollicitatietraject, ze heeft de persoonlijkheidsvragenlijst ingevuld en mag binnenkort op gesprek bij een psycholoog. De rest twijfelt nog.

We gaan ‘lekker sporten’. Dit zal de korporaal nog een keer of zes herhalen: dat je bij defensie wordt betaald om te sporten. Het is niet gratis sporten, het is betaald sporten. Er is een dojo en een fitnessruimte met zo’n beetje alle trainingsapparaten die je maar kunt verzinnen. ‘We zijn heel modern, we hebben zelfs een yogastudio. Ben ik zelf nog nooit geweest, maar het kan dus wel.’

Vandaag beginnen we op de hindernisbaan. Stagiair Brian mag ons een lesje geven. We tijgeren onder lage touwen door het zand, rennen over smalle balken boven een plas water en kruipen door nauwe, donkere buizen.

Aan het eind van de baan is een vierkante bak met grind. Tussen het grind zit een aantal grote stenen.

‘Dat zijn mijnen’, zegt Brian. ‘Jullie moeten via de mijnen naar de overkant komen.’ Ik vind het raar dat we op de mijnen moeten gaan staan, maar zeg er niks van.

Na de hindernisbaan gaan we een stuk marsen, om te beginnen met 26 kilo aan gewicht in de rugzak. Als we de eerste 400 meter hebben gedaan, moeten de tassen open zodat er nog eens 14 kilo aan loden cilinders bij kan. We moeten elkaar helpen.

‘Zal ik ze er bij jou in doen?’, zeg ik tegen een lange puberjongen, maar hij is me voor.

‘Ik doe ze wel eerst bij jou.’

Na anderhalf uur mogen we weer achter de korporaal aan rennen. Bij elke stap voel ik mijn schouders.

We komen aan bij een laag gebouw dat als leslokaal en kantine dient. Binnen krijgen we een presentatie van Jouke, recruiter bij Defensie.

Jouke heeft een lange loopbaan bij Defensie. Hij zat bij de pantserinfanterie en bij de verkenners, en heeft meermaals in Afghanistan ‘rondgehangen’. ‘Hele leuke tijd gehad.’ Ook is hij op koudweertraining geweest in Finland. ‘Zelf een iglo bouwen, daarin slapen en dan overdag een beetje in de sneeuw schieten. Helemaal super.’

Of we een filmpje willen zien van Jouke ‘op safari’ in Afghanistan.

In de verte zien we een gebergte. Iets meer op de voorgrond zien we een voertuig, Joukes wagen. ‘Goed opletten’, zegt hij.

We horen een mannenstem. ‘... in drie, twee, één...’

Op zo’n 200 meter van Joukes wagen vindt een enorme explosie plaats. Het stof daalt op de motorkap neer.

‘Dat was dus een bermbom’, zegt Jouke. ‘Hadden we in de smiezen.’

Hierna zien we een filmpje van vrolijk zwaaiende Afghaanse kinderen. Als het beeld een stukje draait, komt er een waterput in beeld. ‘Kijk’, zegt Jouke. Hij wijst met gestrekte arm naar de put. ‘Hebben wij als Nederland gebouwd.’

Hij vertelt verder over het sollicitatieproces. Je hebt manschappen, onderofficieren en officieren. Wil je gaan voor een functie als officier, dan moet je wel weten wie de minister van Defensie is.

Iemand komt nog even terug op de bermbom. ‘Wat gebeurt er als je daar overheen rijdt?’

‘Nou’, zegt Jouke, ‘dat kan gebeuren. Je moet je voorstellen dat de hele onderkant van die auto in een split second naar binnen ramt.’ Hij houdt zijn handen horizontaal en klapt ze omhoog. ‘Dat is niet lekker voor de auto en ook niet voor de inzittenden, laat ik het daarop houden.’ Hij denkt even na. ‘Maar heb ik hier zelf PTSS aan overgehouden? Nee. Ik heb er een leuk filmpje aan overgehouden.’

Terug naar de opleiding. Wil je een militaire functie, dan krijg je om te beginnen een Algemene Militaire Opleiding. Onderdeel van die basisopleiding is ‘mentex’: mental exercise.

‘Dan gaan we je even prikkelen’, zegt Jouke. ‘Als je na vijf doordeweekse dagen keihard trainen blij bent dat je voor het weekend naar huis mag, komt de sergeant op je deur kloppen, met de mededeling dat we nog even doorgaan. Twaalf uur, of vierentwintig uur, maakt niet uit, net zolang tot je knakt. Daarna gaan we het gesprek aan. Waarom was dit het moment dat je knakte, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat het volgende keer langer duurt.’

Na de presentatie is het tijd voor avondeten. Uit onze gecamoufleerde rugtassen halen we grijze pakjes van zo’n 20 bij 20 centimeter. Er moet heet water bij de poederige substantie. Bij de een zou het dan volgens de verpakking ‘rendang’ moeten voorstellen, bij de ander ‘pasta bolognese’. Ik heb ‘kip met rijst en groenten’.

Terwijl we door de pakjes roeren, vertelt iemand dat dit al de tweede keer is dat hij deelneemt aan de expeditie.

‘Vorige keer kon je op de tweede dag kiezen tussen een beasting of een les humanitair oorlogsrecht’, zegt hij. Een beasting is een training waarbij je fysiek totaal wordt afgemat.

Wat hij koos, vraagt een tafelgenoot.

‘Die beasting natuurlijk. Wat moet ik met oorlogsrecht, facking saai ouwe.’

Na het eten moeten we de kantine opruimen. ‘Drie minuten, start.’

Als dat is gebeurd, gaan we onze bedden opmaken. ‘Vijf minuten, start.’

Tijd gehaald?

Ja, korporaal.

Terwijl we buiten staan opgesteld, controleert de korporaal de tenten.

‘Slechts drie bedden waren correct opgemaakt’, zegt de korporaal als hij terugkeert. ‘Niet goed is opnieuw. Vijf minuten, start.’

In onze tent liggen acht bedden compleet overhoop. We doen het nog eens, strakker nu.

Hierna moeten we weer achter de korporaal aan rennen. Ik ben teleurgesteld dat hij de tenten niet nog eens nakijkt.

We komen uit bij het zoveelste donkerbruine gebouw.

‘Oké’, zegt de korporaal. ‘Ik zoek vijf mensen die moeite hebben met leidinggeven.’

Ik doe een stap naar voren.

‘Ren achter mij aan.’

Aan de zijkant van het gebouw liggen grote, houten balken. Die moeten we straks met een groepje op onze schouders tillen. Aan ons de taak om een paar mensen van gelijke lengte uit te kiezen.

‘Vier minuten, start.’

We rennen naar voren. Ik trek zes mensen met me mee. Nogal hardhandig, misschien.

Met mijn groepje neem ik een balk op de schouders, de anderen ook. Als we terug bij de voorkant zijn, fluit de korporaal in zijn vingers.

‘Stop maar meteen. Ik heb net vijf mensen als leider aangewezen, hier liggen vier balken. Hoe kan dat nou?’

Het blijkt dat ik in de haast en in het donker iemand die zelf leiding moest geven bij mijn groepje heb getrokken. Toen het gebeurde zei hij niks, nu is er toch irritatie.

‘Ja jongeh, zij sleurt mij ineens mee.’

Na de balkenopdracht gaan we nog een keer de ditmaal verduisterde hindernisbaan op. Ik spring over een muurtje en heb direct stekende pijn in mijn rechterbovenbeen, zo erg dat ik er niet meer op kan staan.

Ik moet naar de kant. Van de korporaal moet Boris, de jongen die toevallig net naast me liep, met me mee. Boris ondersteunt me terwijl ik naar de kant hink. Ik zit erdoorheen, tegen de huilgrens aan. Nu al geknakt.

Het jammere is dat de pijn binnen enkele minuten verdwijnt. Tegen de korporaal zeg ik dat ik verder wil. Dat wil ik niet per se, maar ik voel me schuldig tegenover Boris.

De korporaal heeft het liever niet. Prima.

Een tweede korporaal, Reinier, brengt me samen met Boris in de jeep terug naar de kantine. Daar wacht Guus, een adjudant met een verleden bij de geneeskundige dienst. Hij knikt rustig terwijl ik vertel wat eraan scheelt.

‘Een ijsbeentje’, zegt hij als ik ben uitgepraat. ‘Hoor ik zo. Kijk, met alle respect, maar jij bent van dit inspanningsniveau (Guus houdt zijn hand dicht bij de grond) naar dit niveau (de hand gaat anderhalve meter omhoog) gegaan. Dan denkt zo’n spier op een bepaald moment: dit trek ik niet.’ Hij geeft me een oefening die ik kan doen. ‘En als je thuis bent misschien nog wat tijgerbalsem. Ken je die witte tubes uit China? Poh, die zijn lekker man!’ Hij wrijft in zijn handen.

Ik zeg nogmaals sorry tegen Boris. Het maakt hem niks uit, zegt-ie. Hij heeft al een paar van dit soort kennismakingsprogramma’s doorlopen en weet zeker dat hij dit wil. Maar eerst zijn havo afmaken, hij is 17.

Of ik een opleiding doe. Ik zeg dat ik 27 ben en al een tijdje afgestudeerd.

Ik zie hem schrikken.

Morgenavond na de expeditie moet hij nog even zijn profielwerkstuk afmaken. Er moet nog best wat gebeuren. ‘Maar ik ga het gewoon met ChatGPT doen, ik weet niet of je dat kent?’

De rest voegt zich bij ons. We gaan naar de lievelingsfilm van de korporaals kijken: Krigen, een Deense, volgens hen realistische, oorlogsfilm. In de eerste minuten worden de benen van een militair die op een mijn stapt eraf geblazen. De Taliban vermoorden een compleet Afghaans gezin dat de commandant had gesmeekt of het op de basis mocht overnachten. Diezelfde commandant geeft het bevel een compound te bombarderen waar achteraf niet de vijand maar kinderen bleken te zitten.

Ik doe de oefening met mijn ijsbeentje.

Na anderhalf uur komen de korporaals weer binnen. Reinier: ‘Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar als ik deze film zie, beginnen mijn handen te jeuken. Echt, ik baal ervan dat ik nog nooit in Afghanistan ben geweest.’

Er volgt een korte discussie over de film. Om zijn manschappen te redden gaf de commandant bevel tot bombarderen, zonder zeker te weten wie er in compound 6 zat. Daarmee heeft hij, als we het even streng bekijken, een oorlogsmisdaad begaan.

Hoe zien wij dat?

Zeven mensen steken hun vinger op. Allemaal vinden ze dat de commandant in de hectiek een logische keuze heeft gemaakt.

Korporaal Lars knikt. Hij vond de officier van justitie die pleit voor een vierjarige gevangenisstraf voor de commandant altijd ‘een heks’. Tegelijkertijd moeten we het oorlogsrecht niet bagatelliseren. ‘Als je je daar niet aan houdt, ben je geen haar beter dan de Taliban.’

Om 11 uur gaan we naar bed. We krijgen twintig minuten om te douchen, tanden te poetsen en onze overall voor de volgende dag klaar te leggen. Om 10 voor half 12 moet het stil zijn.

Gwen, mijn buddy en dus degene op wie ik moet letten (en zij op mij), is niet de snelste. Als de rest al terug is naar de tent, staat zij haar haren nog te borstelen in het sanitairgebouw.

‘Gwen’, probeer ik, ‘we gaan de tijd niet redden.’

Ze houdt een maandverband in de lucht. ‘Alleen deze nog even.’

We komen goed weg: buiten zijn de korporaals nergens te bekennen.

In bed kan ik niet slapen. Niet van de film en niet van de spierpijn.

Ik lig gevoelsmatig een uur wakker als er vier keer keihard wordt geclaxonneerd. ‘Opstaan!’, hoor ik de korporaals brullen. ‘Aankleden, over vijf minuten opgesteld staan!’

Buiten zie ik op het digitale horloge van de jongen naast me dat het half 1 is. We gaan ‘een avondwandeling’ maken. Rennen dus.

Als we terugkeren in onze vrouwentent, staat iedereen strak van de adrenaline. Iemand legt staand in het midden van de tent uit wat de tattoos van haar sleeve betekenen. Ze heeft een harde stem, je hoort haar overdag boven de jongens uit.

‘En deze vogel’, zegt ze, ‘staat voor vrijheid. Hij heeft nog geen vleugels, die komen pas als ik kinderen krijg.’ Het is even stil. ‘En als mensen het lelijk vinden, kan me dat serieus niet bommen.’

De volgende dag gaan we pacmannen. Iedere militair weet wat pacmannen is, begrijp ik. Je loopt achter een viertonner (een militaire vrachtauto met laadbak) aan die af en toe iets naar buiten gooit wat je als groep mee moet nemen. De viertonner geeft het tempo aan.

Het heeft die nacht geregend, we ploegen door de modder.

Van mijn ijsbeentje voel ik niks meer. Ik loop mee, met rugzak en nepgeweer, zelfs een tijdje met een autoband en een touw die uit de viertonner zijn gegooid.

Na zo’n twintig minuten krijg ik het zwaar. Iemand neemt de band over, een ander het touw. Dan neemt iemand mijn wapen af en tot slot ook nog mijn rugtas.

‘Kijk me eens aan’, zegt de blonde jongen die mijn tas heeft. ‘Dat je wel even weet wie jouw rugzak voor je heeft gedragen.’

Ik kan nog net een beetje lachen.

Na drie kwartier roep ik dat ik niet meer kan. Een jongen grijpt me bij mijn arm.

‘Kom op’, zegt hij, ‘je gaat niet stoppen.’

‘Jawel’, zeg ik.

‘Nee. Er zit nog veel en veel meer in die tank van jou.’

Hij heeft me zo stevig vast dat ik wel moet doorlopen.

Steeds andere mensen ondersteunen me. Ik heb geen idee wie, ik zie alleen maar zwart. De individualistische burgermaatschappij is heel ver weg.

‘Kappen nou met dat gejank!’, schreeuwt de korporaal vanaf de zijkant. ‘Je. Bent. Niet. Zielig!’

Bij de eindstreep blijken drie deelnemers onderweg te zijn gestopt. Alle drie vrouwen. Daar staat tegenover dat Ella (1 meter 65, 50 kilo) het meest fris oogt van iedereen. Ergens tegen het einde riep ze: ‘En niet vergeten van dat zonnetje te genieten, jongens!’

De korporaals zijn ‘niet ontevreden’ over onze pacmanprestatie. We hebben iets leuks verdiend: we gaan de gemechaniseerde voertuigen bekijken. ‘Als ik met deze jongen van de gebaande bospaden ga’, zegt korporaal Lars, ‘dan gaan alle bomen als dominosteentjes om. Mag niet in Nederland, dan wordt Jesse Klaver boos. Daarom oefenen we in Hongarije en Duitsland.’

Bij elk voertuig heeft korporaal Reinier wel een vraag voor ons. ‘Hoe hard denken jullie dat de CV90 kan?’ ‘Wat denken jullie dat de Fennek kost?’ ‘Tot hoeveel kilometer, denken jullie, kan de Leopard 2-A6 vuren?’

‘Gaat het?’, zegt hij als hij me op de eerste rij ziet staan. ‘Je ziet nogal bleek.’

Even later zit ik in de kantine aan een pakje Optimel. Ik kijk om me heen. Ik wil mensen bedanken voor hun hulp tijdens het pacmannen, maar ik zou niet weten wie. Daarom kaart ik het aan tijdens het evaluatierondje. ‘Bedankt allemaal.’

Bijna alle jongens geven aan dat het programma van hen zwaarder had gemogen. Ook hadden ze graag nog wat meer nadruk gezien op het stukje actie-reactie (gedrild worden als je iets fout of niet binnen de tijd doet).

Om 7 uur brengt de bus ons terug naar het station. Mijn eerste trein is drie minuten te laat. Ik heb maar een minuut voor de overstap, anders is het een halfuur wachten.

Nog één keer dan maar. Met mijn tas ren ik tussen de andere burgers van perron 3 naar perron 6.
Tijd gehaald?
Ja, korporaal.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next