Home

‘Ik ben een idealist op een realistisch bedje’

Judith Pool (55) ondervond als kind hoe lastig het is om je te ontwikkelen als er thuis geldgebrek is en een sociaal netwerk ontbreekt. Als basisschooldirecteur ziet ze het nu als haar missie om kansenongelijkheid te bestrijden. ‘Van nature ben ik een ontiegelijke drammer.’

Op haar 13de beleeft ze op een scholengemeenschap in Zwolle een rampjaar. Eerst moet ze haar moeder maandenlang missen wanneer die met een auto-immuunziekte in het ziekenhuis belandt. Later dat jaar volgt een cascade aan rampen: ‘Mijn vader kwam in de gevangenis, mijn ouders gingen scheiden, financieel kwamen we aan de grond te zitten en op school werd ik gepest.’

Haar vader valt voor de inmiddels 55-jarige Judith Pool ‘volledig van zijn voetstuk’ wanneer hij ‘door twee mannen bij ons thuis wordt opgehaald’ – een arrestatie vanwege het verduisteren van geld van de kaasfabriek waar hij als systeemanalist werkt. In Amsterdamse gokhuizen heeft hij een vermogen verspeeld: ‘Ik was woedend op hem en wilde niets meer met hem te maken hebben.’

Haar moeder scheidt van haar vader, waardoor zij met haar twee dochters in de bijstand terechtkomt: ‘Vanaf dat moment was er helemaal geen geld meer voor iets extra’s, we hadden vrijwel niks.’ Ze ervaart een kloof met haar vwo-klasgenoten, veelal kinderen van gegoede ouders. Die geven haar te verstaan dat ze niet op de school thuishoort: ‘Ik was dat jaar het meisje met dat lege bankje naast zich. Pas in het tweede jaar kwam er een nieuw meisje naast me zitten. Ze is nog altijd mijn beste vriendin.’

In deze serie interviewt Fokke Obbema voor de Volkskrant mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Aan het einde van haar schooltijd kan ze door geldgebrek als enige leerling niet mee op examenreis naar Tsjechië: ‘De school had wel een potje, maar daar konden we geen beroep op doen. Dat was de enige keer dat ons geldgebrek me heel hard raakte.’

Het voorval heeft tot een ‘levenslang principe’ geleid dat ze in haar functie van directeur van een Zwolse basisschool waarmaakt: geen enkele leerling mag ooit om financiële redenen een schoolreis missen. Voor haar honderdtien leerlingen (‘in alle kleuren, we hebben zo’n twintig nationaliteiten’) streeft Pool nog een hoger doel na: ‘Alle kinderen evenveel kansen geven om te worden wie ze willen zijn en de wereld te kunnen ontdekken.’

Een belangrijk wapen in die strijd is het taalonderwijs: ‘Dat is van cruciaal belang voor alle vakken, van geschiedenis tot biologie.’ Dat de laaggeletterdheid in Nederland in de voorbije vijftien jaar ruim is verdubbeld tot eenderde van de leerlingen, zet haar aan tot grotere dadendrang: ‘Voor mij is het een alarmbel die me duidelijk maakt dat ik nog harder moet werken om kansengelijkheid te bereiken. Ik voel een immens grote verantwoordelijkheid voor de toekomst van kinderen.’

‘Mijn kansen op een succesvolle schoolloopbaan waren zeker minder dan die van mijn klasgenoten. Het atheneum waar ik op zat was elitair: kinderen uit de hogere middenklasse, met vaders die vaak medisch specialist of ondernemer waren. Ons gezin was afkomstig uit de lagere middenklasse. Voor mijn eigen vader schaamde ik me, ik vertelde niemand wat hij had gedaan. Die schaamte voelde ik ook over ons gebrek aan middelen en de scheiding van mijn ouders.

‘Mijn moeder kwam uit een arbeidersmilieu, ze was een slimme vrouw die ons alle kansen wilde geven. Ze liet ons vrij, maar was strikt op normen en waarden, zoals het spreken van algemeen beschaafd Nederlands. Dat heeft me later geholpen bij het krijgen van kansen. Ze hechtte ook een groot belang aan lezen – ze las ons veel voor en twee keer per jaar kreeg ik een boek, op mijn verjaardag en met Sinterklaas. De rijkdom van lezen heb ik dus meegekregen, maar voor muzieklessen of een sportclub ontbrak het geld. We gingen hoogst zelden met vakantie, het was een schrale jeugd.’

‘In vergelijking met andere kinderen beschikten mijn ouders niet over enig netwerk. Dat is belangrijk voor je kansen in de maatschappij. Mij was ook nooit geleerd wat ik moest doen om contacten te onderhouden, het ontbrak me aan kennis van sociale codes. Ook dat bepaalt je kansen. Daar liep ik vooral tegenaan als student in Groningen. Ik had geen idee van het belang van studentenverenigingen. Van Vindicat (het Groningse corps) had ik wel gehoord, maar ik wist heel zeker dat ik daar niet bij wilde horen.

‘Vanaf mijn 16de was ik punk. Dat was mijn manier om tegen mijn schoolgenoten te zeggen: ik laat niet over mij heen lopen, jullie gaan mij niet kapot krijgen. Die overtuiging heb ik altijd heel sterk gehad. Maar in Groningen verdween ik in een zwart gat van eenzaamheid – de enige kamer die ik kon krijgen, zonder een netwerk, was bij een junk in huis, enorm smerig. Na een jaar ben ik voor een hbo-opleiding naar Zwolle teruggegaan. Mijn eigen stad voelde wel veilig.’

‘Zeker. Ik had destijds niemand om op terug te vallen, er was geen enkele vorm van begeleiding. Nu zijn scholen veel meer betrokken en signaleert een mentor wanneer iemand in de klas geen aansluiting heeft, zoals bij mij het geval was. Geeft de thuissituatie aanleiding, dan wordt een heel zorgteam op zo’n kind gezet. De banden tussen school en kind, maar ook tussen school en ouders zijn wezenlijk veranderd. Bovendien heeft de school tegenwoordig een zorgplicht. Mijn zusje kon destijds van school worden gestuurd, waarna ze geheel aan haar lot werd overgelaten. Dat kan nu niet meer, de school blijft verantwoordelijk. Dat is een grote vooruitgang, het aantal uitvallers in het onderwijs is daardoor enorm afgenomen.’

‘Dat is inderdaad een gevaar. Dat er destijds geen zorgteam op mij is gezet, is wel goed geweest. Ik kwam uit bij een diep van binnen gevoelde overtuiging: ik kan het zelf aan. Dat was erg belangrijk voor me, ik gun kinderen van nu datzelfde gevoel. Daar kom je niet bij wanneer je te snel in de zorg wordt geplaatst. Dat gebeurt nu, met de beste bedoelingen, maar ik ben bang dat dat ten koste van hun weerbaarheid gaat.

‘Je ziet ouders tegenwoordig iedere oneffenheid wegnemen – ze gaan zelfs mee op gesprek als hun kind al op het hbo of de universiteit zit. Hoe wordt zo iemand dan ooit zelfstandig? Laat je kind zijn eigen fouten maken. Ook als het nog jong is: laat het alleen buitenspelen en traceer het niet tot in het oneindige via de telefoon. Door risico’s te nemen leer je zelfstandigheid.’

‘Te weinig. Positief is dat het aantal kinderen dat havo of vwo doet sterk is toegenomen. Kinderen uit de arbeidersklasse kunnen gemakkelijker naar hogere opleidingen doorstromen. Onze school ligt in een buurt met vooral sociale woningen, bewoond door gezinnen met kansarme kinderen. Toch halen van onze zestien leerlingen in groep 8, kinderen met allerlei kleurtjes, er nu zes havo-vwo-niveau. Daar ben ik echt trots op, voor deze kinderen loop ik graag extra hard. Ik zie het ook als een teken van goed, wetenschappelijk onderbouwd onderwijs, essentieel voor kansengelijkheid.

‘We kunnen onze leerlingen ook helpen aan iets waar het mij aan ontbrak, kennis van de sociale codes. Dat begint op de basisschool met wat we de warm-strenge aanpak noemen: goed naar kinderen en ouders luisteren, maar kinderen ook gedragsregels bijbrengen, zoals je jas aan de kapstok, tas op de plank, niet rennen door school, niet roepen naar de juf. Waar we maar moeilijk iets aan kunnen doen, is het gebrek aan netwerk van ouders. Op dat vlak houden kinderen van gegoede ouders een voorsprong, vrees ik.’

‘Kennis is voor die strijd van levensbelang en die doe je via taal op. Taal opent werelden voor een leerling bij vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, biologie en zelfs wiskunde. Vloeiend lezen en goed schrijven zijn daarom vereisten, wil je kansenongelijkheid aanpakken. Laat je het leesonderwijs op zijn beloop dan zie je dat kinderen van rijke ouders wel goed kunnen lezen, maar kinderen van arme ouders niet. Dat vind ik onaanvaardbaar, daardoor staan die kinderen al met 3-0 achter.

‘Het vak ‘begrijpend lezen’ heeft wat dat betreft bepaald niet geholpen. Dat draait niet om de inhoud van de tekst, waar het om zou moeten gaan, maar om vragen als: wat is de hoofdzin of wat zijn verwijswoorden? Kinderen haten dat. Ik zie ze door dat vak helemaal afhaken en ieder leesplezier verliezen, doodzonde.’

‘Op onze school draait leesonderwijs om kennis verkrijgen. We behandelen met de leerlingen rijke thema’s, momenteel bijvoorbeeld democratie, waar we kinderboeken bij zoeken. Dat loopt van Koning van Katoren via Het ministerie van Oplossingen naar De schaduwen van Radovar, dat zich in een totalitaire samenleving afspeelt. Die boeken lezen we voor, dat is erg belangrijk. Door dat te doen neem je kinderen mee in die werelden, zet je hun verbeelding aan het werk en leer je ze over de geschiedenis en het menselijke lot. Voorlezen is daarom niet alleen maar leuk, maar vooral belangrijk voor kinderen. Ik vind het heerlijk ze enthousiast voor lezen te maken.’

‘In mijn punktijd zou ik daar volmondig ‘ja’ op hebben gezegd, ik was een naïeve wereldverbeteraar die aan allerlei protestacties deelnam. Tegenwoordig ben ik ook nog een idealist, maar op een realistisch bedje: ik ken de beperkingen van mijn invloed en heb geleerd dat veranderingen langzaam gaan. Van nature ben ik een ontiegelijke drammer en geneigd voor de troepen uit te hollen, maar dan krijg je iedereen tegen je, heb ik gemerkt. Ik heb ook geleerd dat kinderen niet binnen een jaar geweldige lezers kunnen worden, het is een proces dat geduld vergt. Binnen dat realisme ben ik zeer bevlogen in wat ik doe.’

‘Hij neemt eerder toe, is mijn indruk. Ik ben nu 55, maar heb het gevoel dat ik nog maar net ben begonnen. Ik zie ook steeds scherper de omvang van de problemen – de toenemende segregatie in ons land, de laaggeletterdheid van Nederlandse leerlingen die in vijftien jaar van 11 naar 24 procent is gegroeid. In Europa raken we wat lezen betreft steeds verder achterop. Daarvan kun je de smartphone niet de schuld geven, want die is er ook in andere Europese landen. Als ik die problemen zie, besef ik dat ik er nog harder tegenaan moet om gelijke kansen voor kinderen mogelijk te maken. Na mijn pensionering wil ik ermee door, mijn bevlogenheid zie ik nooit afnemen.’

‘Dat is een moeilijke vraag. Waarschijnlijk niet. De achterstand van kinderen met ouders zonder netwerk valt nooit helemaal weg te werken. Maar dat is voor mij geen reden het ideaal bij te stellen, eerder een aanmoediging erin te volharden. Natuurlijk kan ik teleurgesteld zijn wanneer veranderingen langzamer gaan dan ik zou willen en er meer stappen nodig blijken. Maar dat is zeker geen reden water in de wijn te doen. Mijn missie blijft om werelden voor kinderen te openen door hun kennis te vergroten en hun verbeeldingskracht te stimuleren.’

De lezende mens, Ruud Hisgen en Adriaan van der Weel

Dit is een boek waardoor ik me begrepen weet, omdat de schrijvers duidelijk maken waarom ontlezing een fundamentele bedreiging voor onze cultuur en democratie vormt. De urgentie die ik persoonlijk over dit probleem voel, weten de auteurs op heldere en doorwrochte wijze te vertalen naar de maatschappij als geheel.

Source: Volkskrant

Previous

Next