De afgelopen maand bracht ik door met twee dikke, gulzige mannen. Vlak na elkaar verschenen de lijvige biografieën van Ischa Meijer (Alles gaat op vroeger terug door Annet Mooij) en van Theo van Gogh (De bolle Gogh door Jaap Cohen). Ze zijn een feest om te lezen, omdat hun beider levensloop allesbehalve saai was: ze hadden veelzijdige carrières, een turbulent liefdesleven, en zaten aardig in de knoop met zichzelf, hun afkomst en de wereld.
Maar hoe onderhoudend ook, hoezeer je alles ‘in zijn tijd’ moet plaatsen – ik was er af en toe ook goed misselijk van. Beide biografieën leggen genadeloos (zelf)destructieve patronen bloot, waarbij zowel Van Gogh als Meijer ontluisterende schade aanricht, bijvoorbeeld door geliefden abrupt in de steek te laten of door anderen systematisch kapot te schrijven.
Ze komen trouwens ook voor in elkaars biografie, waarbij de verhoudingen als volgt liggen: de een (Theo) keek vooral op naar de ander (Ischa).
Dat mensen kapot (willen) schrijven is fascinerend, omdat het jaar in jaar uit door ging, steeds jegens dezelfde (soort) mensen. Meijer richtte bijvoorbeeld zijn pijlen op actrice Ellen Vogel, Theo van Gogh op schrijver Leon de Winter. De stukken zijn vilein, haatdragend, ze gaan (te?) ver.
Toen hij nog leefde, negeerde ik de columns van Van Gogh bewust en richtte me op wat ik boeiender vond – zijn films –, maar in deze biografie ontkwam ik er niet aan. En ik had er moeite mee: wat was toch de functie van al die vuilspuiterij gericht op personen (‘literaire polemiek’?)? Waarom werd het allemaal zonder meer afgedrukt (‘vrijheid van de columnist?’)? En vooral: waar komt al die neergepende woede toch vandaan?
Annet Mooij reikt in het geval van Ischa Meijer de lezer psychologische handvatten aan. De meeste daarvan gaan, zoals de titel aangeeft, terug op familie. Cohen is terughoudender met duiden, hij laat wijlen Evelien Gans de genadeklap uitdelen: „thematische en zakelijke jaloezie; jaloezie op het enorme verhaal van de Shoah waaruit Joodse kunstenaars en schrijvers in hun werk eindeloos kunnen putten [...] Een rebel van wie men weigerde te zien dat zijn cause een luchtbel was, dan wel geen ander doel diende dan zijn eigen Zelf.” Inderdaad, ik begon Van Gogh, maar ook Meijer, toch wat sneu te vinden met hun gescheld, hun ge-„teefje”, ge-„sneetje” en ge-„gleufje”.
Mijn blik kantelde, omdat er een literaire rel ontstond rondom de biografie van Mooij. Schrijver Connie Palmen, ex-partner van Meijer, liet zich in een podcast gaan: Mooij zou als lesbische biografe zich hebben verlekkerd aan gesprekken met de vrouwen in deze „judasbiografie” van Ischa en niks afweten van heteroseksuele liefde.
Het drong nu pas tot me door hoe briljant de biografie van Mooij is, namelijk geheel in de polemische stijl van Meijer. Palmen is door de opsomming slechts een van de velen in het leven van Meijer, en dat impliceert een genadeloze herschrijving van de literatuurgeschiedenis, want we zullen Palmens roman I.M. vanaf nu met andere ogen lezen.
Mooij trekt niet één icoon (Ischa Meijer) maar twee iconen van hun voetstuk.
Wie zich afvraagt waarom of betreurt dat er nauwelijks meer literaire polemieken zijn, en denkt dat dit komt omdat de literatuur dood is, kan de vraag ook omdraaien: is de literatuur dood omdat er geen goede polemieken meer zijn? Nou, die was er nu wel. Godzijdank blaat Connie Palmen af en toe iets stoms en lelijks over de literaire wereld, want zo houdt ze de literatuur relevant.
Mooij diende Palmen meesterlijk en op droge toon van repliek, als ook biografe Jolande Withuis en daar weer bovenop kwam een fijne column van Sylvia Witteman. En zo worden we allemaal naar de „judasbiografie” gelokt, met belangrijke vragen over wie welke plek toekomt in de literatuurgeschiedenis. (En ja, ook heerlijk dat deze hele polemiek wordt opgediend door vier ‘sneetjes’, in plaats van door dikke mannen druk op de literair-polemische apenrots). Dáárom doet de literaire polemiek ertoe, ook al is die vuil: ruzie laat zien dat je ergens om geeft, van houdt, en dat er waarden zijn die verdedigd dienen te worden. Een goede literaire polemist is een iconoclast.
Het leven van Van Gogh had een macaber einde, want de radicale islam duldt geen polemische tegenstander. Van Gogh heeft mensen met de pen in het hemd gezet; vergeleken bij het geweld dat hem overkwam, is de pen een te koesteren wapen. De laatste woorden van Van Gogh echoën pijnlijk na: „Genade! Genade! We kunnen er toch over praten?”
Source: NRC