In honderd jaar Winterspelen was geen land zo succesvol in het langebaanschaatsen als Nederland. Een kwestie van de diepgewortelde natuurijscultuur of toch iets anders?
Exact honderd jaar geleden, op 25 januari 1924, was de openingsceremonie van de eerste Winterspelen in een sprookjesachtig besneeuwd Chamonix. Een dag later werd de eerste gouden olympische medaille in een wintersport uitgereikt: aan de Amerikaanse schaatser Charles Jewtraw. Hij won de 500 meter. En de Nederlanders? Die deden niet mee.
Toch groeide in de eeuw na Chamonix Nederland uit tot de onbetwiste grootmacht bij het langebaanschaatsen, met als hoogtepunt de Winterspelen van 2014, in het Russische Sotsji. De Nederlandse schaatsers pakten 23 van de 36 langebaanmedailles. In de catacomben van de Adler Arena zocht in die februaridagen een Amerikaanse verslaggever naar een verklaring. Hoe kon dat kleine landje zo dominant zijn? Hij ging te rade bij collega’s uit Nederland, bij fans op de tribune.
Het resultaat van zijn zoektocht belandde op nieuwswebsite International Business Times. ‘In Nederland is het voor velen heel gewoon om lange afstanden te schaatsen, waardoor het niet meer dan normaal is dat ze geïnteresseerd zijn in schaatsen op de Spelen. In de wintermaanden is schaatsen een praktische vorm van transport. Forenzen schaatsen over de bevroren kanalen om familie en vrienden te bezoeken in dorpen verderop.’
Over de auteur
Erik van Lakerveld schrijft sinds 2016 over olympische sporten als schaatsen, atletiek en roeien.
En even verderop: ‘Nederlanders dragen al schaatsen als ze nog peuters zijn. Voor sommigen is schaatsen net zo gewoon als lopen. Soms reizen ze uren achtereen op hun schaatsen en zien daarin niets vreemds.’ Woorden van gelijke strekking sprak Katie Couric in 2018 over Nederlanders. Zij deed voor Amerikaanse zender CBS verslag van de openingsceremonie van de Winterspelen in Pyeongchang.
Online hoon was Courics deel en vanuit Nederlands perspectief niet zo verwonderlijk. Het beeld van de schaatsende forens dat zij voor waar had aangenomen, was uit spraakverwarring ontstaan. Onder de ijsbaan in Sotsji was de historische component niet begrepen. Want ooit klopte het dat schaatsen behalve vermaak ook een vorm van transport was: in de Kleine IJstijd, de periode tussen grofweg 1430 en 1850, toen het in onze streken net wat kouder was dan in de eeuwen ervoor en zeker erna.
Veel kouder was dat tijdvak niet en zeker geen echte ijstijd. De gemiddelde jaartemperatuur lag tot een graad lager, maar het was net genoeg om vaker voor dichtgevroren grachten en sloten te zorgen. En het bood Hendrick Avercamp de gelegenheid om zijn wereldberoemde winterlandschappen te schilderen.
Het is aanlokkelijk om met Avercamp in het achterhoofd en met de roes van de Elfstedenkoorts de verrichtingen van langebaanschaatsers te beschouwen. Dat gebeurt niet alleen door matig geïnformeerde Amerikaanse journalisten. Maar de relatie tussen het romantische beeld van natuurijs en de olympische schaatssuccessen is wankel, meer mythe dan werkelijkheid.
Het feit dat het tot 1968 duurde voordat Carry Geijssen voor Nederland de eerste olympische langebaantitel pakte, op de 1.000 meter in Grenoble, zegt genoeg. Zij maakte haar eerste slagen op ijshockeyschaatsen niet op natuurijs, maar op de Jaap Edenbaan. Dat is wat haar en de recentste Nederlandse winnaar van olympisch langebaangoud, Irene Schouten, bindt: kunstijs.
De wortels van het langebaanschaatsen lagen wel op Nederlands natuurijs. Van 1889 tot 1892 werden vier officieuze WK’s georganiseerd achter het Rijksmuseum. Ook het eerste officiële WK was in Amsterdam in 1893 en werd gewonnen door Jaap Eden. Hij zou nog drie keer de wereldtitel opeisen, maar na deze bliksemstart hadden de Nederlandse schaatsers in de decennia erna weinig in te brengen. Schaatsen werd een sport voor Noren, Finnen, Russen en een enkele Zweed. Voor sporters uit ijszekere landen.
IJszekerheid kende Nederland niet. Al rond 1900 waren de Nederlandse winters vaak gewoonweg niet streng genoeg om een ijslaag van voldoende dikte te krijgen om wedstrijden te organiseren. Het kwakkelde, het dooide of het vroor te kort. De enige uitzondering was de winter van 1905, toen het WK in Groningen met Coen de Koning een Nederlandse winnaar kreeg. Erg veel tegenstand had hij overigens niet: er was één Noor naar Groningen gekomen, Martinus Lørdahl. De twee andere deelnemers, beiden Nederlanders, maakten de vierkamp niet vol.
Ook om te trainen kwakkelde het te vaak in Nederland. Al in 1924 toog een kernploeg hiervandaan op trainingskamp naar koudere oorden, naar Davos in Zwitserland. Dat bleef behelpen, want de buitenlandse concurrenten konden zich vaak maanden achtereen in de finesses van de schaatsslag bekwamen. De ommekeer kwam eind 1961, toen na zes jaar lobbyen door schaatsliefhebbers in Amsterdam de Jaap Edenbaan werd opgeleverd. Het laatste zetje voor de bouw was de wereldtitel allround van Henk van de Grift van begin 1961. Dat smaakte naar meer.
De eerste officiële wedstrijd op de voor die tijd hypermoderne baan was een 500 meter tussen twee mannen van de oude natuurijsstempel: Jeen van den Berg en Reinier Paping. Van den Berg had de Elfstedentocht van 1954 gewonnen en was de bekendste schaatser van het moment. Paping moest zijn roem, in de Tocht van 1963, nog verwerven.
Het kunstijs van de Jaap Edenbaan zou een hele generatie schaatsers een kontje naar de wereldtop geven. Want met de ijsmachines kon er elke winter nauwgezet worden getraind. Het was in feite een vorm van klimaatadaptatie: als de natuur voor onvoldoende vorst zorgt, zorgen we zelf wel voor de vrieskou. Sportsucces is maakbaar.
Kunstijs bleek de katalysator die het Nederlandse langebaanschaatsen losrukte van de natuurijsromantiek. Er kwam een gedegen en gecontroleerde kijk op topsport voor in de plaats, die in 1968 behalve Geijssen ook Kees Verkerk (1.500 meter) en Ans Schut (3.000 meter) olympisch goud opleverde. En die in de decennia erna een steeds langer wordende lijst olympische schaatskampioenen voortbracht.
Als enige niet-overdekte kunstijsbaan in Nederland is de Jaap Edenbaan al lang geen motor achter het langebaansucces meer. Die rol is overgenomen door Thialf, de eerste overdekte ijsbaan van Nederland, waar het de topschaatsers zeker na de verbouwing van 2017 aan niets ontbreekt. Onder het dak liggen geen sneeuwrandjes, waait geen tegenwind, lopen geen scheuren door het ijs. Schaatsen is er een bijna klinische onderneming: rationeel en gecontroleerd. Dat is de verklaring van de Nederlandse dominantie.
Source: Volkskrant