Toen historicus Jaap Cohen mij acht jaar geleden benaderde omdat hij een biografie over Theo van Gogh wilde schrijven, keek ik daar wel van op. Jaap is de zoon van Job Cohen, de voormalige burgemeester van Amsterdam, tevens een bête noire van Theo. Door Van Gogh werd Job Cohen ‘burgemeester in oorlogstijd’ en ‘NSB-burgemeester’ genoemd, geen fijne kwalificaties voor iemand die Joods is.
Zelf was ik al een tijd bezig met een biografie over Theo van Gogh. Ik had veel vrienden en vijanden geïnterviewd en een groot archief aangelegd. Het probleem waarmee ik steeds werd geconfronteerd, bestond eruit dat de nalatenschap niet vrijkwam zolang de rechthebbende – Theo’s zoon Lieuwe – nog minderjarig was. Toen Lieuwe 18 werd, hebben we samen in Aalsmeer de containers ontruimd waarin Theo’s spullen opgeslagen lagen en die naar het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam gebracht. Dat was een emotionele gebeurtenis, waarvan ik nog weleens droom. Lieuwe heb ik toen leren kennen als een even originele persoonlijkheid als zijn vader.
Toen alles eindelijk verzameld was, belde Jaap Cohen. Ik kende hem niet en vroeg hem of hij zijn proefschrift wilde opsturen. Dat deed hij. De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira vertelt de geschiedenis van een Joodse familie. Het is prachtig opgeschreven, de auteur heeft er terecht cum laude voor gekregen. Ik heb toen het besluit genomen mijn archief aan Jaap Cohen over te dragen, plus hem – met toestemming van Lieuwe – toegang te geven tot wat zich in het IISG bevond. Indertijd ben ik daarom bekritiseerd. Dat uitgerekend ‘de zoon van’ het ging doen, werd ongeloofwaardig bevonden. Ik vond dat onzin. Een zoon is een ander dan zijn vader, heel wat zonen kunnen daarvan getuigen. Aan verdoemen tot in volgende geslachten doen we niet.
Vorige week is De bolle Gogh uitgekomen en tot mijn opluchting is het een biografie geworden die praktisch overal wordt geroemd. Ook naar mijn idee heeft Jaap Cohen precies de juiste afstand genomen tot Theo van Gogh – en tot zijn eigen vader. Mij bracht het boek terug naar een opwindend verleden, waarin wij hobbelden van de ene kaboutervete naar de andere, maar waarin het ook vaak ging om werkelijk belangrijke kwesties als de vrijheid van meningsuiting, de opkomst van de (radicale) islam en het onvermogen van bestuurders om een antwoord te vinden op allerlei sociaal-culturele problemen.
Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De biografie is uitstekend gedocumenteerd, maar geen boek van bijna zevenhonderd pagina’s is zonder fouten. Ik trof er eentje aan op pagina 145, waar wordt verteld dat cineast Jan Vrijman zich als juryvoorzitter op de Utrechtse Filmdagen bijzonder heeft ingespannen om Van Goghs film Luger een eervolle vermelding te geven. Het tegendeel is waar. Vrijman deed er alles aan om de onderscheiding naar Een vlucht regenwulpen te laten gaan, vermoedelijk omdat hij zulks had beloofd aan producent Matthijs van Heijningen. Het was aan de standvastigheid van de andere juryleden Remco Campert en Jeroen Henneman te danken dat de eervolle vermelding toch bij Theo terechtkwam. In dat licht moet ook het verzoek worden gezien dat Van Gogh richtte aan de 21-jarige dochter van Vrijman om zijn producent te worden. De vraag daartoe kwam uit de lucht vallen, sloeg eigenlijk nergens op, maar het zal vader Vrijman wel getriggerd hebben.
Dat Theo van Gogh in zijn ‘Prettige Gesprekken’ altijd goed beslagen ten ijs kwam, zoals Jaap Cohen beweert, moet je toch wel met een korreltje zout nemen. Zo herinner ik mij dat hij eens oud-Parool-hoofdredacteur Herman Sandberg verwarde met de eerder gestorven museumdirecteur Willem Sandberg, en toen verder improviserend (en zwetend) het interview moest afmaken. Wat hem overigens met verve lukte.
Volgens Jaap Cohen bedacht Theo in het gesprek met ontwerper Jan des Bouvrie (1942-2020) ter plekke de beginvraag: ‘Zou je een elektrische stoel kunnen ontwerpen?’ Ook dat ligt wat anders. Theo, Boudewijn Büch, Jaap van Heerden, Nelleke Noordervliet en ik maakten wekelijks een radioprogramma. Aan het eind van het seizoen gingen we dan altijd ergens eten, op kosten van de zaak. Dat was die keer bij Mario in Neck. Al snel bleek Jan des Bouvrie aan het belendende tafeltje een vorkje te prikken.
‘Hé!’, riep Theo als Bekende Nederlanders onder elkaar, ‘zou jij een elektrische stoel ontwerpen?’
Des Bouvrie ging daar uitgebreid op in. Al snel luisterde het hele restaurant mee en begon zich ermee te bemoeien. Op het laatst was iedereen dronken en toen we naar huis werden gereden, heeft Theo nog staan wateren in de tuin van Nelleke Noordervliet.
Maar voor de rest niets dan lof voor Jaap Cohen. Overigens was Jaaps vader Job ook op de presentatie van de biografie aanwezig, maar hem heb ik niet gesproken.
Source: Volkskrant