Bij Paul McCartney komt hij over de vloer, maar Netanyahu wil nooit meer met hem praten – als hoofdredacteur van het legendarische weekblad The New Yorker heeft David Remnick niet alleen maar vrienden gemaakt. Dat is ook niet de bedoeling, zegt hij: ‘I’m in it to win it.’
De Amerikaanse journalist David Remnick heeft een hekel aan slaap. ‘Zelfs als we gezond blijven en lang leven, leven we zo vreselijk kort’, zegt hij via een videoverbinding vanuit het hoofdkwartier van The New Yorker, het weekblad waar hij al 26 jaar hoofdredacteur van is. ‘Het idee dat ik een derde van mijn leven met gesloten ogen moet doorbrengen terwijl het kwijl uit mijn mondhoeken druipt, voelt als een wrede grap.’
Niet dat alles in zijn leven meezit: ‘Mijn moeder had al op vroege leeftijd multiple sclerose, mijn vader kreeg op zijn 50ste de ziekte van Parkinson. Mijn vrouw en ik hebben een dochter met een ernstige vorm van autisme, dat is een grote uitdaging voor ons gezin.’
Maar toch. ‘Als ik ’s ochtends mijn voeten over de rand van ons bed zwaai in de stad waarin ik altijd heb willen wonen, waar ik het werk doe dat ik altijd al heb willen doen, realiseer ik me maar al te goed wat een gelukkig leven ik leid. Ik wil niet dat dat dagelijks door zeven of acht verdomde uren onderbroken wordt.’
Over de auteur
Gijs Beukers is mediaredacteur bij de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Dat David Remnick (65) een benijdenswaardige man is, vindt niet alleen David Remnick. Toen hij in 1998 op zijn 39ste werd aangesteld als hoofdredacteur, zei een collega: ‘Hij is knap, welbespraakt en belezen – het is bijna onverdraaglijk.’
Hij is ook ontzettend aardig. Ondanks een griep neemt hij uitgebreid de tijd en toont hij zich geïnteresseerd in Nederland en de Volkskrant, een publicatie die hij goed zegt te kennen. ‘Toen ik veertien jaar geleden een biografie over Obama had geschreven, ben ik door een collega van jou in Amsterdam geïnterviewd’, zegt hij met hese stem. ‘Dat was een leuk gesprek. Wat zijn eigenlijk de belangrijkste kranten in Nederland?’
Aanleiding voor dit gesprek is een nieuw boek, Holding the Note – Writing On Music, dat bestaat uit profielen van muzikanten. ‘Wat ze gemeen hebben, is dat ze niet over kinderen gaan’, zegt Remnick. ‘Ik probeer te bedenken wie de jongste is. Patti Smith?’
Dat klopt niet. Bruce Springsteen, uit 1949, is drie jaar jonger. Drie van de door Remnick omschreven muzikanten zijn inmiddels overleden: Leonard Cohen (1934-2016), Aretha Franklin (1942-2018) en Luciano Pavarotti (1935-2007).
Van een ander is het opmerkelijk te noemen dat hij nog niet in dat rijtje staat. Door overmatig middelengebruik was Keith Richards de rockster die ‘het meest waarschijnlijk binnen een jaar zou overlijden’, zo voorspelde de redactie van New Musical Express in 1973. Ruim vijftig jaar later speelt hij nog steeds met The Rolling Stones. ‘Maybe you can’t always get what you want. Maar die regel gaat niet op voor Keith’, schrijft Remnick in zijn boek. Alle profielen die erin staan, verschenen eerder in The New Yorker.
The New Yorker is, met enige afstand, het meest gevierde en aanbeden tijdschrift ter wereld, schreef de Britse auteur Dorian Lynskey in 2021. Met goede reden, voegde hij daaraan toe. Alleen al tussen 1962 en 1965 verschenen er vier nonfictieklassiekers die begonnen als artikel in het blad: Silent Spring van Rachel Carson, Eichmann in Jerusalem van Hannah Arendt, The Fire Next Time van James Baldwin en In Cold Blood van Truman Capote.
Nog steeds weet het blad de beste schrijvers aan zich te binden. Tegenwoordig blader je langs humoristische verhalen van David Sedaris, politieke analyses van Susan B. Glasser of Jelani Cobb, buitenlandjournalistiek van Masha Gessen, onderzoeksjournalistiek van Jane Meyer of Ronan Farrow, essays over geschiedenis van Jill Lepore, misdaadverhalen van Patrick Radden Keefe, poëzie van Louise Erdrich, fictie van Jonathan Franzen of George Saunders, kunstkritieken van Adam Gopnik en cartoons van Roz Chast. Foto’s in het blad zijn zeldzaam en op de cover zijn ze al helemaal uit den boze – daar staat altijd een illustratie.
Een goede editie van The New Yorker is als een maaltijd, zegt Remnick. ‘Je wil niet alleen maar steak of, als ik naar jouw land kijk, haring. Er moet een variëteit aan smaken en stijlen in zitten.’
The New Yorker staat onder meer ook bekend om de celebrity profiles, profielen van beroemdheden zoals Remnick die in zijn boek heeft opgenomen. ‘Het is niet de bedoeling dat ze Wikipedia-achtige opsommingen van feiten zijn’, zegt hij. ‘Ze moeten de structuur hebben van een kort verhaal, met een spanningsboog en literaire kwaliteiten. En ze zijn relatief lang.’ Zijn profiel over Springsteen telt bijna zestienduizend woorden – ruim zeven keer zo veel als dit artikel.
Een probleem met profielen over wereldsterren is dat een haag van pr-medewerkers de toegang tot hen vaak fanatiek afschermt. ‘Ik denk dat het op dit moment moeilijker is om Taylor Swift te spreken dan Vladimir Poetin’, zegt Remnick. ‘Dat soort beroemdheden hebben jou en mij helemaal niet nodig. Lionel Messi heeft weinig aan een profiel door David Remnick. Als hij wil communiceren met zijn fans, doet hij dat via sociale media. Als hij zijn levensverhaal wil laten optekenen, huurt hij een ghostwriter in.’
Zij zijn een product van wat zangeres Joni Mitchell ooit omschreef als de star-making machinery, zegt Remnick. Geldt dat niet voor Patti Smith en Paul McCartney? ‘Ik denk dat ik met hen kon afspreken omdat ze oud zijn. De publiciteitsbullshit interesseert ze niet zo veel meer.’
De zanger van The Beatles ontvangt hem thuis in de Hamptons en in zijn kantoor in New York. Met Patti Smith treedt hij zelfs twee keer op bij het jaarlijkse New Yorker Festival. ‘Ik verving haar gitarist, die niet in staat bleek te komen. ‘Moeten we niet repeteren?’, vroeg ik haar met mijn Telecaster in de hand – ik ging spelen met Patti Smith, ik wilde het niet verpesten. Maar dat hoefde niet. Uiteindelijk speelde ik van Because the Night een paar eenvoudige akkoorden, daar hoef je geen Jimi Hendrix voor te zijn.’
De journalistieke carrière van Remnick heeft hem een flink adressenboek opgeleverd. In zijn profiel over Aretha Franklin worden citaten aangeleverd door voormalig president Barack Obama, met wie Remnick sinds het schrijven van zijn biografie op vriendschappelijke voet verkeert. Voor zijn stuk over Leonard Cohen spreekt hij uitgebreid met Bob Dylan – over wie ook een profiel in het boek staat.
Voor Remnick begon alles met Dylan. ‘Toen ik een keer met mijn vader naar mijn moeder in het ziekenhuis reed, het moet rond 1966 geweest zijn, hoorden we op de radio I Want You. Het is een ingewikkeld en vreemd lied, als 7- of 8-jarige begreep ik er weinig van. Maar iets – misschien de stem? – raakte me, wakkerde van alles in me aan. We woonden in een grijze buitenwijk van New York, maar als ik naar Dylan luisterde, was ik in mijn verbeelding middenin de grote stad.’
Als Dylan in een lied verwees naar T.S. Eliot of Allen Ginsberg, snelde Remnick naar de winkel om hun boeken te kopen. ‘Aan de hand van Dylan verkende ik de esthetische en politieke wereld.’
Hij vertelt over een 14-jarige jongen die hij onlangs tegenkwam. ‘Iemand had hem Rashomon laten zien, een film uit 1950 van Kurosawa. Dat zette bij hem van alles in gang. Eerst ging hij ander werk van Kurosawa bekijken, daarna ontdekte hij Godard. Hij zei tegen me dat hij zich bewust werd van de wereld van de kunsten en dat zijn leven daar betekenisvoller door werd.’
Niets pretentieuzer dan een puber die over Kurosawa praat, zegt Remnick. ‘Een goede ouder ontmoedigt dat niet, maar moedigt het juist aan. Want pretentie kan leiden tot intelligentie. Pretentie kan leiden tot iemand die een boek leest in plaats van er alleen mee pronkt.’
Zijn liefde voor de journalistiek begon met The Kingdom and the Power – Behind the Scenes at The New York Times: The Institution That Influences the World, een boek van Gay Talese uit 1969. En met All The President’s Men, de film uit 1976 waarin Dustin Hoffman en Robert Redford respectievelijk Carl Bernstein en Bob Woodward spelen. Zij zijn de journalisten van The Washington Post die het Watergate-schandaal onthulden, waarna president Richard Nixon zich genoodzaakt voelde af te treden – Remnick heeft de film naar eigen zeggen zo vaak gezien dat hij hem woordelijk kan navertellen.
‘Vanwege Watergate hing er een zweem van romantiek rond het vak’, zegt Remnick. ‘De primaire verantwoordelijkheid van de journalistiek is het controleren van de macht en precies dat hadden Woodward en Bernstein gedaan.’
In 1982, hij was toen 24, werd Remnick hun collega bij The Washington Post, waar hij aangenomen werd door de legendarische hoofdredacteur Ben Bradlee. Zijn eigen journalistieke doorbraak vond plaats toen hij na een correspondentschap in de Sovjet-Unie de Pulitzerprijs in de categorie non-fictie kreeg voor zijn boek Lenins laatste adem – De ondergang van het Sovjetrijk.
Dat was in 1994. Tegen die tijd werkte hij al voor The New Yorker, een cultureel instituut dat onder de Amerikaanse upper middle class als synoniem geldt voor goede, verfijnde smaak. ‘Of we het nu lazen of weigerden te lezen – wat natuurlijk afhankelijk was van het type mens dat we wilden zijn – The New Yorker was net zozeer onderdeel van ons klassenbewustzijn als schone nagels en studeren’, schreef criticus John Leonard in 1975 in The New York Times.
Regisseur Wes Anderson kreeg er op zijn 17de een ‘obsessieve interesse’ in, vertelde hij in een podcast aan Remnick. In 2021 maakte hij The French Dispatch, een film met Bill Murray, Frances McDormand, Tilda Swinton en Benicio del Toro, over een gelijknamig, wekelijks tijdschrift, dat gebaseerd is The New Yorker. Anderson heeft honderden gebonden boekdelen van het blad, sommige exemplaren dateren uit de jaren veertig.
Remnick is zich ervan bewust dat de tieners van tegenwoordig, en ook de ouderen, vaak andere interessen hebben dan lezen. ‘Tijdens etentjes wordt er niet meer gevraagd wat je leest, maar wat je kijkt. Maar ik wil dat we nooit voor de lezers door de knieën gaan, ik wil niet zwichten voor de verleiding om simpel te worden. Ik wil ze blijven uitdagen en als ze eens een woord moeten opzoeken, is dat prima.’ Overigens staan er in The New Yorker niet alleen intellectuele essays, zegt hij. ‘We hebben ook cartoons met pratende honden.’ Ondanks de ontlezing is de oplage onder Remnicks leiding gestegen van 813 duizend naar 1,2 miljoen.
Naast zijn hoofdredacteurschap is Remnick altijd blijven schrijven. Vorige week verscheen zijn stuk met de kop ‘De prijs van Netanyahu’s ambitie’, waarvoor hij naar Israël was afgereisd. De premier zelf kreeg hij niet te spreken. Oorzaak is een zeer kritisch profiel dat Remnick over hem had geschreven in 1998 – toen Netanyahu ook al aan de macht was. ‘Destijds wilde hij me nog wel uitgebreid te woord staan’, zegt Remnick. ‘Net als zijn vader en broer. Maar ze haatten het stuk. Netanyahu wilde nooit meer met me praten en ontsloeg zijn woordvoerder op staande voet.’
Over zijn recente stuk over Netanyahu heeft Remnick twee uur gesproken met factcheckers, die stukken grondig op onwaarheden controleren. De factcheckers van The New Yorker zijn befaamd. De vorig jaar overleden Robert Gottlieb, tussen 1987 en 1992 hoofdredacteur, schreef in zijn memoires Avid Reader dat een van hen een Britse plantage-eigenaar op Borneo opspoorde om te vragen of het klopte dat vanaf diens veranda te zien was hoe de maan op een zekere avond over het water gleed, zoals de auteur had beweerd.
‘Ze zijn pittig’, zegt Remnick lachend. ‘23-jarige factcheckers zijn niet bang voor de 65-jarige hoofdredacteur. Als ik opschrijf dat iemand iets denkt, dagen ze me uit: hoe weet ik dat?’
Korte stilte. ‘Jij wil een kleurrijkere anekdote. Voor mijn stuk had ik, nogal lui, geciteerd uit een interview in een Israëlische krant met de ondervrager van Yahya Sinwar, het hoofd van Hamas in Gaza. Ik ga die ondervrager toch nooit vinden, dacht meneer de ondernemende journalist. Toen kwam de checker binnen om te zeggen dat ze een half uur met hem had gebeld. O, zei ik, zou ik zijn telefoonnummer ook mogen? Die checkers zijn goed, ze gaan maar door.’
In mensen die hun werk luchtig opnemen, is hij niet geïnteresseerd, zegt hij. Hij wil journalisten met een obsessie. ‘Zij doen het beste werk’, zegt hij. ‘Zij willen de onderste steen boven krijgen.’
Zelf is hij gepassioneerd over zijn gezin en de journalistiek, zegt hij. Toen hij De brug schreef, de 672 pagina’s tellende biografie over Obama, deed hij dat naast zijn werk als hoofdredacteur – hij nam geen schrijfverlof op. Om half zes stond hij op, om vaak na middernacht naar bed te gaan. Koffie hield hem op de been. Eerder, in 1998, schreef hij al een biografie over Muhammad Ali.
‘In het leven moet je keuzes maken’, zegt Remnick. ‘Ik heb geen hobby’s, ik verzamel geen postzegels. Ik hoop dat ik een goede vader ben en voor de rest ben ik met mijn werk bezig – over het fenomeen vakantie heb ik weleens geruchten gehoord.’
In 2025 bestaat The New Yorker honderd jaar. ‘In de Verenigde Staten is dat oud’, zegt hij. ‘In Europa is dat anders, ik weet het. New College in Oxford komt toch uit de 14de eeuw?’ Tijdens het feest zal Remnick 27 jaar hoofdredacteur zijn. Hij blijft dat niet eeuwig. ‘Op een zeker moment wordt het tijd voor een nieuw gezicht.’
Hij wil dan blijven doorwerken. ‘Toen ik in het begin van de jaren negentig terugkeerde vanuit Moskou, waren Oost- en Centraal-Europa bevrijd. De Sovjet-Unie was getransformeerd in Rusland, waar nog geen democratie was, maar wel de belofte daarvan. China ontsnapte uit de armoede dankzij Deng Xiaoping. In het Midden-Oosten werden de Oslo-akkoorden gesloten. De wereld was niet verlost van kwaden als autoritarisme, misogynie en racisme, maar het was moeilijk om niet optimistisch te zijn.’
Nu leven we in een andere wereld, zegt hij. ‘Het spijt me, maar jouw land zagen we altijd als toonbeeld van tolerantie – en zie wat daar nu is gebeurd. Kijk naar Hongarije. Kijk naar Rusland. Mijn land verkiest mogelijk opnieuw Donald Trump, een ramp voor de wereld. En ik heb het nog niet eens over het klimaat gehad. Ik ben nu niet somber, maar realistisch.’
In een wereld waar de vrije pers onder druk staat en waar journalisten worden vermoord, is de verantwoordelijkheid van de journalistiek immens, zegt Remnick. ‘So I ain’t quitting. I’m in it to win it. Jij en ik hebben cruciaal werk te doen.’ Hij peinst er niet over om met pensioen te gaan. ‘Wat ga ik dan doen? Slapen?’
Na de oorlog werd er schoorvoetend toegegeven dat voor sommige lezers The New Yorker niet zozeer diende als leesmateriaal, maar als huisdecoratie. Dat komt door de fraaie illustraties die op de cover staan – op die van deze week staat een badderende kip, getekend door Roz Chast. De Spanjaard Luis Mendo, die dit artikel en de omslag van het katern V heeft geïllustreerd, tekende tijdens de coronapandemie covers van het fictieve blad The Homestayer, die een hommage vormden aan The New Yorker.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden