Dertig jaar na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika bezitten witte boeren nog de meeste landbouwgrond. Toch is er een voorzichtige kentering: het aantal zwarte wijnmakers neemt toe. ‘Het doet me goed om hier gezichten te zien die op die van mij lijken.’
Aandachtig bestudeert tourgids Tuanni Price de gezichten van haar drie klanten. Troy Joshua en Jamila en Mudiwa Jabulani slurpen voorzichtig een slokje uit hun glas pinot noir. De man sluit zijn ogen, de twee zussen turen met gefronste blik naar de spectaculaire bergtoppen die boven de nabijgelegen wijnranken van Stellenbosch uit pieken.
Hoewel de Amerikanen goedkeurend knikken na de eerste slok wijn, volgt er niet meteen een uitgesproken oordeel. ‘Wees niet bang om te zeggen wat er in je opkomt’, zegt Price invoelend tegen haar gezelschap. ‘Wijnproeven is sterk beïnvloed door de Europese cultuur, waardoor zwarte mensen vaak niet durven te zeggen dat een wijn hen doet denken aan typisch Afrikaanse gewassen als okra of cassavewortel.’ Jammer, vindt Price. ‘Geen enkele referentie is verkeerd.’
Al jaren geeft Price rondleidingen door wijngebieden; eerst in het zuiden van de Verenigde Staten en sinds 2018 hier, in de Zuid-Afrikaanse provincie West-Kaap. Ze speelt met haar reisbureau in op de groeiende belangstelling voor wijn die wordt gemaakt door zwarte wijnmakers – veel van haar klanten zijn zwarte Amerikanen. De tour die ze vandaag geeft aan haar drie landgenoten (het drietal komt uit Chicago), leidt hen langs drie wijnbedrijven van zwarte eigenaren.
Ze zijn op zoek naar een authentieke ‘Afrikaanse ervaring’ en willen nadrukkelijk een reiservaring die niet is gemaakt voor Europese toeristen. De clientèle van Price vindt het bovendien belangrijk dat hun geld naar zwarte Zuid-Afrikanen gaat – die een paar decennia geleden nog onderdrukt werden door het apartheidsregime.
Nog altijd zijn de gevolgen van apartheid, het systeem waarbij zwarte en ‘gekleurde’ Zuid-Afrikanen als minderwaardige burgers werden behandeld door witte Afrikanen, zichtbaar in de wijnindustrie.
Uit onderzoek van het Zuid-Afrikaanse Bureau voor Economisch Onderzoek blijkt dat 79 procent van de private landbouwgrond in Zuid-Afrika nog altijd in handen is van witte boeren. Terwijl 80 procent van de bevolking zwart of gekleurd is, bezitten zwarte Zuid-Afrikanen slechts 2,5 procent van de landbouwgrond die gebruikt wordt voor het verbouwen van wijndruiven. Toch tekent zich een voorzichtige kentering af: Zuid-Afrika telt 83 zwarte wijnmakers, een toename van meer dan 20 procent ten opzichte van 2019.
Volgens Rüdger van Wyk, de wijnmaker die Price en haar gezelschap vandaag ontvangt in de proefkamer van wijnhuis Stark Condé, hangt de toename van het aantal zwarte wijnmakers samen met de veranderende demografie van Zuid-Afrika. Sinds de afschaffing van apartheid hebben meer Zuid-Afrikanen toegang tot hoger onderwijs, zegt de wijnmaker opgewekt. ‘Zwarte Zuid-Afrikanen zijn geen onderdrukte meerderheid meer’, gaat hij verder als hij terugloopt naar het restaurant van de wijnboerderij. ‘Nu zij meer koopkracht krijgen, raken ook zij meer geïnteresseerd in luxeproducten als wijn.’
Van Wyk, die met zijn gemillimeterde haar en grote borstkas wel iets weg heeft van een rugbyspeler, werkt al jaren voor wijnhuis Stark Condé in Stellenbosch. Hij kwam in 2014 in de wijnsector terecht middels een protégéprogramma voor jongeren uit kansarme milieus. In 2018 won hij een prijs voor de beste jonge wijnmaker in Zuid-Afrika. Het witte, Amerikaanse echtpaar dat Stark Condé runt beloonde hun prijswinnende werknemer: in hetzelfde jaar mocht hij onder de vlag van het moederbedrijf zijn eigen wijnmerk opzetten. Zo werd Kara Tara Wines geboren, vernoemd naar de rivier die door Van Wyks geboorteplaats George stroomt.
Hoewel het aantal wijnmakers zoals Van Wyk gestaag groeit, neemt het percentage wijnbouwland dat zij bezitten nauwelijks toe. Hij legt uit dat zwarte wijnmakers als hij nog altijd afhankelijk zijn van de witte landeigenaren. Zij bezitten de landbouwgrond, de daarop groeiende druiven en de machines en vaten die nodig zijn om wijn te maken. Landbouwgrond om wijn op te maken is schaars en als er al land wordt verkocht, is deze voor veel makers zonder startkapitaal te duur om zomaar aan te schaffen.
Door het gebrek aan landbouwgrond en tegelijkertijd de groeiende interesse in (zwarte) wijnmakers en de kleinere wijnmerken die zij oprichten, komen er volgens Van Wyk ook steeds meer urban winemakers bij, die hun geld elders verdiend hebben en vanuit de stad een wijnmerk opzetten. ‘Ze kopen de druiven in bij de ene boer en huren de apparatuur bij de andere’, zegt Van Wyk. ‘Feitelijk hoeven ze niet eens bij het plukken, wijn maken of bottelen aanwezig te zijn. De kopzorgen die bij het maakproces komen kijken, besteden ze op die manier uit.’
Dat wijndrinkers en -makers niet langer allemaal wit zijn, tekent zich ook af in de ietwat zurig ruikende wijnopslag van wijnboerderij Kaapzicht in Stellenbosch, een ruimte die vandaag is omgebouwd tot proefzaal voor wijnfestival Nobile Vice. Tussen gigantische wijnvaten zijn dertig kleine kraampjes opgezet, waar wijnmakers aan een paar honderd bezoekers hun wijnen laten proeven. Tijdens het tweedaagse evenement kunnen bezoekers wijn van zestig wijnhuizen proeven. Vijf wijnmakers zijn van kleur.
Onder hen bevindt zich Gynore Hendricks, de assistent wijnmaker van Great Heart Wines. Ze omschrijft zichzelf als ‘gekleurd’, de aanduiding die tijdens de apartheid werd gebruikt voor mensen met een multiraciale achtergrond. Samen met haar eveneens gekleurde collega Eben schenkt ze vandaag twee witte en vier rode wijnen, de passerende gasten nemen hun eigen glazen mee. ‘Ons wijnmerk is inclusiever dan veel van de anderen die hier staan’, zegt ze trots – bij Great Heart krijgen de zwarte en gekleurde stafleden aandelen van het wijnhuis in ruil voor trouwe dienst. ‘En in ons bestuur zitten mensen uit elke laag van het bedrijf.’
Het marketingverhaal achter het wijnhuis valt in goede aarde bij het handjevol zwarte bezoekers dat het wijnfestival bezoekt. ‘Het doet me goed om hier ook gezichten te zien die op die van mij lijken’, zegt festivalbezoeker Nicole Damonsia. Wijn heeft ze moeten leren drinken. ‘Tijdens de apartheid werd wijn drinken gezien als iets voor rijke blankes’, een idee dat veel zwarte Zuid-Afrikanen nog steeds hebben, stelt Damonsia.
Veel van haar vrienden drinken liever rum en cider, al lukt het Damonsia soms om ze over te halen tot een bescheiden wijnproeverij bij haar aan de keukentafel. Toch neemt ze hen niet mee naar een ‘wit evenement’ als Nobile Vice. ‘Ik zit goed in mijn vel’, legt ze uit, ‘en ben trots op mijn huidskleur. Maar veel mensen moeten nog een mentale drempel over.’ Het geïnstitutionaliseerde racisme van vroeger bestaat nog steeds, zegt ze. ‘Apartheid mag dan zijn afgeschaft, veel zwarte Zuid-Afrikanen hebben het gevoel dat ze geen wijn mogen drinken, dat ze niet welkom zijn op plekken waar normaal gesproken alleen witte mensen komen.’
Vanachter haar houten wijnstand hoort Hendricks het verhaal van Damonsia instemmend knikkend aan. Terwijl Damonsia en haar man zich op de uitgestalde wijnen storten, legt Hendricks uit dat zij ook flink wat horden heeft moeten nemen. Haar ouders woonden tussen de wijnvelden van het Swartland, maar dronken nooit wijn. Toch had de wijnindustrie op Hendricks een onverklaarbare aantrekkingskracht.
‘Toen ik begon aan mijn wijnopleiding had ik nog nooit wijn geproefd’, zegt Hendricks glimlachend. Haar tijd aan Elsenburg, het landbouwinstituut waar ze een driejarige opleiding tot wijnmaker volgde, vond ze ‘nogal intimiderend’. Ze was er de enige student van kleur. ‘De meeste studenten op de opleiding hebben voorouders die al generaties in de wijnsector werken’, zegt ze. ‘Ze hoeven alleen nog maar een papiertje te halen en kunnen daarna aan de slag op de boerderij van hun familie.’
Over de auteur
Joost Bastmeijer is correspondent Afrika voor de Volkskrant. Hij woont in Dakar, Senegal. Van 2017 tot en met 2022 woonde hij in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.
In een land waar al eeuwen wijn wordt verbouwd door witte families (in 1655 werden nabij Kaapstad de eerste wijnranken geplant door de Nederlandse Oost-Indische Compagnie), blijven veel wijnboerderijen familiebedrijven die van generatie op generatie worden doorgegeven. Van kinderen die in zwarte families in de wijnstreek werden geboren, werd ook verwacht dat zij in de voetsporen van hun ouders zouden treden: eeuwenlang was het de norm dat kinderen van zwarte druivenplukkers en landarbeiders op dezelfde boerderij gingen werken als de generaties die hun voorgingen.
Eenzelfde lot was weggelegd voor de 43-jarige Paul Siguqa: zijn moeder werkte als druivenplukker op de wijnvelden van Franschhoek. ‘Ze zei tegen me: jij bent de laatste Siguqa die als druivenplukker werkt’, zegt de zachtaardige Siguqa in een blauw overhemd, op zijn veranda met uitzicht op de wijnvallei bij Franschhoek. ‘Ze probeerde te breken met de intergenerationele cyclus.’ Nomaroma Siguqa stuurde Paul naar school, waardoor hij uiteindelijk kon studeren en later in de media-industrie van Johannesburg een fortuin zou vergaren.
In 2019 nam hij dat geld mee terug naar Franschhoek, het wijndorp waar hij opgroeide. Samen met jeugdvriend en wijnmaker Rodney Zimba ging hij langs wijnboerderijen die ze mogelijk konden overnemen. Hun oog viel op een boerderij gelegen aan de hoofdweg – een strategische plek waar veel wijntoeristen langskomen. Siguqa kocht de plantage van telgen van een witte wijnfamilie in de zesde generatie, die geen heil meer zagen in het verwaarloosde stuk land dat ze hadden geërfd.
De aankoop en de grondige verbouwing van zowel de boerderij als de landbouwgrond kostte omgerekend 1 miljoen euro. Als Siguqa en zijn personeelsleden aan bezoekers van zijn landgoed uitleg geven over de wijnen, komen de subtiele verwijzingen naar Siguqa’s achtergrond naar boven. Zo staat er op het etiket van de wijn een zuidelijke hoornraaf, een verwijzing naar het clanteken van Siguqa’s familie. De duurste wijn uit het aanbod, de bruisende Nomaroma Méthode Cap Classique, is vernoemd naar zijn moeder.
Toch prijkt op het etiket van Siguqa’s wijnen nog altijd ‘Klein Goederust’ – de naam die de wijnboerderij sinds 1905 draagt. ‘Er is hier veel geschiedenis’, legt Siguqa uit – hij wijst naar de oude gebouwen op zijn erf. ‘We spreken als zwarte Zuid-Afrikanen geregeld over de pijn die de kolonisten ons hebben toegebracht, toen zij na hun komst onze namen uit de geschiedenisboeken wisten. Moeten wij daarom hetzelfde doen? De generaties die deze wijnboerderij voor ons hebben opgezet, hebben hun sporen verdiend. Wij zijn nog maar net begonnen en zullen de komende jaren aan onze eigen nalatenschap moeten werken.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden