‘Tijdens een nachtdienst ging ik met mijn collega Luc naar een aanrijding, op een toerit naar de A1 in Apeldoorn. Een motorfiets en een personenauto hadden blikschade, er was niemand gewond. Wachtend op de sleepdienst stonden Luc en ik in het donker tegenover de twee bestuurders in de berm wat te praten, toen een van hen riep: ‘Pas op!’
‘Ik keek om mijn linkerschouder en zag iets groots op me afkomen, als een heel groot blok beton. Daarna ging het licht uit. Beter kan ik het niet omschrijven.
‘Even kwam ik bij. Ik lag plat met mijn gezicht in het gras. Ik zag een dood lichaam tegen een auto liggen en dacht dat ik droomde. Een van de bestuurders van de aanrijding schreeuwde: ‘Je moet je collega’s waarschuwen!’ Ik begreep niet wat er was gebeurd, maar zei krachteloos, heel langzaam, door mijn portofoon: ‘Assistentie collega.’ Dat zeg je als je in nood bent. Daarna viel ik weer weg.
‘Toen ik weer bijkwam was het mistig. Ik lag op mijn rug, had grassprieten in mijn mond, voelde een stekende pijn in mijn nek en zag in het donker een zee van zwaailichten en hulpverleners. Een geknielde collega hield mijn hoofd strak vast, en zei: ‘Rustig aan Fida, niet je hoofd bewegen.’ Als hij me niet had vastgehouden, begreep ik later, was dat fataal geweest. Alles leek heel surreëel, niet de werkelijkheid.
‘In de ambulance vroeg ik hoe laat ik naar huis kon, want het was ramadan en ik wilde voor zonsopkomst thuis graag wat eten. Om mij gerust te stellen zeiden de broeders: ‘Je mag zo naar huis, maar we gaan even wat onderzoekjes doen.’
‘In het ziekenhuis bleek dat mijn nek was gebroken. Om mijn hoofd te fixeren werd een metalen dekseltje met vier schroeven in mijn schedel vastgezet, je kunt de gaatjes nog zien zitten. Juist toen een arts door mijn huid in mijn schedel stond te boren, kwam mijn vrouw binnen – collega’s hadden haar opgehaald. Ze viel flauw en werd uit de behandelkamer weggehaald. Ik begreep nog steeds niet wat er was gebeurd en zei later tegen haar: ‘Ik mag straks naar huis’.
‘De volgende ochtend vertelde mijn groepschef dat we waren aangereden door een dronken bestuurder en dat Luc daarbij was omgekomen. Ik had dat dus niet gedroomd. Ik vond dat heel moeilijk, werd heel stil. Artsen zeiden dat ik niet naar de begrafenis mocht. Collega’s hebben de uitvaart voor me opgenomen, zodat ik die later toch kon zien.
‘Ik ging door een hel. Twee weken lag ik op een kantelbed strak vastgebonden, met een gewicht aan dat dekseltje dat ze elke dag iets zwaarder maakten om twee ingedeukte nekwervels uit elkaar te trekken. Dat is uiteindelijk niet gelukt, ik heb nog steeds pijn, al achttien jaar.
‘Ik vond die situatie in het ziekenhuis vernederend. Ik was altijd heel zelfstandig, maar kreeg nu hulp met plassen, met ontlasting, met eten, wassen, met alles. Ik kon alleen mijn ogen bewegen. Ze hingen een spiegel boven mijn bed zodat ik mijn bezoek via die spiegel kon aankijken. Bezoek dacht dat ze afscheid van me moesten nemen, zo beroerd zag ik eruit.
‘Ik ging uiteindelijk naar huis met een haloframe, vastgebonden aan dat dekseltje, een stellage waardoor ik mijn hoofd niet kon bewegen. Hoewel ik altijd een open en vriendelijk persoon was, werd ik een bitter mens. Ik had pijn, kon niks, raakte mijn geliefde werk op straat kwijt, was gefrustreerd en had maar een klein vonkje nodig om te ontploffen. Ik was bovendien woedend dat de dader slechts een taakstraf en drie jaar rijontzegging kreeg, terwijl die dronkelap iemand heeft gedood en mij half invalide heeft gemaakt. Dat trok ik niet.
‘De beelden van Lucs uitvaart emotioneerden me zeer. Het was een heel mooi afscheid, prachtig georganiseerd, met collega’s die naar hem salueerden. Ik moest huilen en dacht: ik had daar ook in die kist kunnen liggen.
‘Meer dan duizend kaartjes heb ik gekregen, van collega’s uit het hele land. De postbode kwam elke dag met een berg lieve briefjes, dat hielp. Beetje bij beetje realiseerde ik me dat ik juist veel geluk heb gehad, dat er beschermengelen op mijn schouder zitten. Gesprekken met psychologen hebben mijn bitterheid omgezet in iets positiefs, in dankbaarheid. Ik kijk nu anders naar het leven. Er zijn nog heel veel dingen waar ik van kan genieten. Ik kan met jou praten, ik kan gezellig meedoen, ik kan mijn handen gebruiken, mijn voeten, ik kan zien, horen, heb prachtige kleinkinderen gekregen. Ik bén er nog.
‘Bij de politie ondersteun ik nu de collega’s die nieuwe medewerkers screenen. Het is fijn om weer te werken en onder collega’s te zijn, hoewel ik nooit meer in uniform de straat op kan. Maar ik heb een tweede kans in het leven gekregen. Daar ben ik dankbaar voor.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden