Home

Miep Siegelaer is 100 jaar: ‘Koningin Juliana heeft ooit al onze schulden kwijtgescholden. Het ging om een hoop geld’

Miep Siegelaer is zonder overdrijven een werkpaard te noemen. Samen met haar man Jan runde ze ruim veertig jaar een eigen zaak voor woninginrichting in hartje Utrecht. Omdat ze er overdag geen tijd voor had, naaide Miep in de nacht kleding voor haar gezin, gordijnen voor klanten en deed ze huishoudelijke klussen die waren blijven liggen. De AOW was een geschenk uit de hemel, want ondanks alle noeste arbeid, hebben zij en haar man geen pensioen kunnen opbouwen. ‘Daar heb ik mij nooit druk om gemaakt hoor’, zegt de 100-jarige.

‘Ik hoef mij nooit te vervelen, vanaf deze plek is er altijd wat te zien buiten, ook ’s nachts.’

‘Ja, in de nacht zit ik hier ook vaak. Ik slaap weinig. Dat is altijd zo geweest. Daar zit ik niet mee. Overdag zie ik mensen onderweg naar de bushalte, de winkels of naar huis. Op het grote veld zijn vaak evenementen, zoals een kermis. ’s Nachts zie je hier eigenlijk alleen jongeren op straat, die staan in groepjes met elkaar te kletsen. Ze doen geen kwaad. Ik zie ook weleens iemand bezig een fiets te stelen. Dan tik ik op het raam, zie hem schrikken en hard wegrennen. Er gebeuren soms rare dingen hier. Op een vroege ochtend zag ik beneden een tentje staan, er stonden politieagenten bij. Mijn buurman bleek uit het raam gesprongen.’

‘Ik heb altijd gewerkt ’s nachts. Mijn man en ik hadden een eigen zaak voor woninginrichting. Hij stoffeerde meubelen en legde vloerbedekking voor klanten. Tot 13 uur stond ik in de winkel, daarna hij – dan ging ik vitrages en gordijnen naaien en was ik met de kinderen. We kregen vijf dochters en een zoon. In de nacht deed ik de huishoudelijke klussen waar ik overdag geen tijd voor had, zoals de was, stoffen en kleding maken voor het gezin. Ook gordijnen naaien ging ’s nachts vaak door. Ik was gewend dag en nacht te werken.’

‘Nee, daar had hij geen tijd voor. Hij was zelfstandig ondernemer, en moest naar klanten toe, het personeel aansturen en meubels stofferen. De kinderen moesten meehelpen in huis, dat was heel gewoon in die tijd. Mijn dochters hielpen met het huishouden en mijn zoon Jan deed de boodschappen. Op zaterdag telden we de inkomsten van de afgelopen week; als er geld over was, moest Jan daarvan een zak kolen van 95 cent kopen.’

Haar zoon Jan vult aan: ‘Het kwam voor dat er geen geld overbleef en ik er dus niet op uit werd gestuurd om brandstof voor de kachel te halen. Dan zaten we thuis met zijn allen in de kou, met dikke wollen truien aan, die mijn moeder had gebreid. Ook dat kon ze.’

Miep: ‘Toen de zaken wat beter gingen, kon ik in de zomer met de kinderen en mijn buurvrouw Mies met haar negen kinderen zes weken op vakantie naar Bakkum. We huurden een vrachtwagen om het hele stel en de hutkoffers te vervoeren. Mijn man kon alleen in het weekend komen. Als hij vertrok, moesten de kinderen elke week weer huilen.’

‘Op mijn 14de ging ik bij een banketbakker in Utrecht werken. Daar kwam iemand vragen of ik belangstelling had voor een baan in het chemisch laboratorium van de universiteit, als schoonmaker. Dat ben ik gaan doen, want het verdiende beter. Ik heb er tijdens de oorlogsjaren gewerkt. Er was een jongen op het lab die een bom wilde maken. ‘Miep, kom je kijken?’, vroeg hij. Op een dag hoorde ik een harde knal. De zaal waar hij aan het werk was, was ontploft. Gelukkig was ik op dat moment ergens anders in het gebouw. Die jongen raakte zwaargewond en blind aan beide ogen. Hoe hij heette? Gerard Tieman.’ (Gerard Tieman was op dat moment 17 jaar. Het verzet had hem gevraagd in het laboratorium explosieven te vervaardigen. Na de explosie vervolgde hij, ondanks zijn visuele beperking, zijn verzetswerk. In 1946 kreeg hij van koningin Wilhelmina het Verzetskruis, red.)

‘Mijn man Jan. In IJsselstein, waar ik ben geboren, kende iedereen elkaar. Mijn moeder zei: ‘Jan is een net jochie, laat hem maar eens thuis komen.’ Zo is het gekomen. Mijn vader was in het begin van de oorlog overleden aan kanker. Ik bleef alleen achter met mijn moeder. Mijn veel oudere broers en zussen uit eerdere huwelijken van mijn ouders waren al het huis uit. Zij steunden ons financieel. Mijn moeder zette in haar eentje de groente- en snoepwinkel voort die ze met mijn vader had. Ik was dus gewend aan een werkende moeder.

‘Jan moest tijdens de oorlog in Duitsland werken. Toen hij met verlof kwam, had ik een onderduikplek in de kelder bij ons in huis voor hem in orde gemaakt. Hij dorstte niet en wilde braaf terug naar Duitsland, maar ik haalde hem over te blijven. Hoe ik dat voor elkaar kreeg, weet ik niet meer. Kort na de oorlog zijn we getrouwd, met een heleboel stellen tegelijkertijd in het stadhuis. Mijn moeder had geld van de melkboer geleend om het koetsje te kunnen betalen dat ons naar de kerk bracht. Ik had een witte trouwjurk gehuurd, die moest om 15 uur weer teruggebracht worden. Op de trouwfoto’s zie je dat die jurk vol kreukels zit.

‘Al snel kwam de tweeling. De hele straat hielp; de buren brachten eieren en melk. Voedsel was nog schaars, alles was op de bon. Mijn man ging na de oorlog als zelfstandige aan het werk. Eerst alleen als stoffeerder en later met een eigen zaak voor woninginrichting. We betrokken een bovenhuis in het centrum van Utrecht. Daar was geen ruimte om de was op te hangen; van een buurvrouw mocht ik haar zolder daarvoor gebruiken. Eén keer in de week huurde ik een wasmachine – die moest elke keer naar boven en beneden worden getild – de rest van de week deed ik de was met de hand.

‘In die tijd deden buren alles voor elkaar. Ik had goede vriendinnen in de straat. Als ik geen geld had, kon ik lenen bij Ria. En als Ria geen geld had, leende ze bij mij. Haar man schakelde mij in als ze weer een miskraam had gehad, wel vijf keer is haar dat overkomen. Dan ving ik haar op. Ria was een vriendin bij wie je je hart kon uitstorten. Ze lustte graag een borreltje en rookte veel, haar vingers waren er bruin van. Ook was ik bevriend met Mies. In de middag, als onze kinderen uit school waren, gingen we met het hele stel naar het plantsoen. Terwijl de kinderen speelden, zaten wij truien voor ze te breien. De vrijdag was de leukste dag van de week, want dan gingen we met de hele buurt de straat schrobben, de sluiswachter bracht emmers water. Dan hadden we de grootste lol.

‘Jan was een lieve man. Hij was veel te aardig voor zijn personeel. Hij had tien man in dienst. Sommigen kwamen vaak te laat opdagen en daar zei hij dan niks van. Toen Jan een keer in het ziekenhuis lag, moest ik het roer overnemen. Tegen knechten die te laat kwamen, zei ik: ‘Dat gaat van je salaris af.’ Toen was het meteen afgelopen met te laat komen.

‘Jan had een vertegenwoordiger die het geld bij de klanten beurde, maar niks afstond, dus alles zelf hield. Daar durfde mijn man niks van te zeggen. Zo kwamen we in de schulden. Ik heb toen een brief aan koningin Juliana geschreven, die vervolgens onze schulden kwijtschold. Het ging om een hoop geld hoor.’

‘Er waren ook klanten die de rekening niet betaalden. Zoals een huisarts, voor wie mijn man een stoel had gestoffeerd. Toen ben ik met drie kleine kinderen in zijn wachtkamer gaan zitten, en de volgende dag weer, net zo lang totdat hij de rekening betaalde. Ik ben ook een keer naar een klant toegegaan die niet had betaald voor de vloerbedekking die mijn man had gelegd. Ik ging naar binnen en scheurde het hele tapijt eruit. We konden niks meer met die vloerbedekking, maar ik vond het onverdraaglijk dat mijn man al dat werk had gedaan zonder dat ervoor betaald was.’

‘Ik geloof het niet hoor. In de jaren vijftig hebben mijn man en ik op het punt gestaan met het gezin naar Canada te emigreren, omdat het leven daar beter en makkelijk zou zijn. We zouden samen met vrienden gaan, hadden al een huurhuis geregeld en zaten op Engelse les. Op het laatste moment besloten we toch in Nederland te blijven. Ik wilde mijn moeder niet alleen achterlaten. Ze at elke dag bij ons en Jan bracht haar iedere avond naar huis. Toen ze ziek werd, heb ik haar verzorgd. Dat had ik anders niet kunnen doen. Dus nee, ik heb er geen spijt van gehad dat we niet naar Canada zijn vertrokken, ook al hadden we het daar financieel waarschijnlijk beter gehad.’

geboren: 10 september 1923, in IJsselstein

woont: zelfstandig, in IJsselstein

beroep: winkelier en naaister

familie: zes kinderen, 20 kleinkinderen, 35 achterkleinkinderen, vier achterachterkleinkinderen

weduwe: sinds 2012

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next