De mail begon nog heel vrolijk. ‘Dag allemaal, op 20 januari ben ik jarig!’ In tegenstelling tot vorig jaar zou de jarige dit niet vieren met een uitgebreid etentje, maar zou hij de hele dag bij zijn ‘favoriete bakker’ zitten. Hij nodigde ons allemaal uit om op enig moment die dag langs te komen voor een saucijzenbroodje en een kop koffie.
Ik las verder, in de volstrekt normale en terechte verwachting informatie te krijgen over hoe deze favoriete bakker dan heette en waar die favoriete bakker gevonden kon worden. Die kwam niet. Wel kwam er een PS: ‘Als je niet weet wat mijn favoriete bakker is, dan zijn we vreemden voor elkaar, en weet ik eigenlijk niet wat je zou komen doen op mijn speciale dag.’
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Dit was natuurlijk een grapje. Maar ook weer niet. Ik geloof dat ik deze vriend goed ken. We zien elkaar regelmatig en hebben dan fijne gesprekken. Ik ben al eerder op zijn verjaardagen geweest. Ik was op zijn verlovingsfeest. Ik heb hem vastgehouden toen hij huilde. Ik ken zijn twijfels, zijn angsten en zijn afkeur van witte wijn en mozzarella. Maar niet zijn favoriete bakker.
Mocht ik dan nu niet komen? Los daarvan: waarom moeten mensen nu opeens weer een favoriete bakker hebben? Is detailhandel een categorie die ook al gerangschikt moet worden? Kun je niet gewoon wel of niet naar een bakker of een supermarkt of een kledingwinkel gaan en het daarbij laten?
Weet je, dacht ik, dan kom ik maar niet. Steek die bakker maar in je hol. Maar voordat ik dat kon antwoorden, had ik alweer twee nieuwe mailtjes binnen. ‘Iemand enig idee? Die bakker?’, stuurde een vriend, die blijkbaar ook geen vriend was. Het andere mailtje was een antwoord daarop en afkomstig van de vriendin/verloofde. ‘Voor alle mensen die koortsachtig nadenken welke bakker in hemelsnaam wordt bedoeld’, schreef ze, waarna ze de bakker in kwestie noemde.
Ik liet mijn grieven voor wat ze waren en kocht een cadeau: mijn favoriete kookboek van mijn favoriete kookboekenauteur, dat ik bij mijn favoriete kookboekenwinkel kocht. ‘Eerlijk zeggen’, zei ik toen ik eenmaal binnen was tegen een van de aanwezigen. ‘Wist jij dat dit zijn favoriete bakker was?’ Ja, dat wist ze. ‘Wist jij dit?’, vroeg ik een andere vriend, samenzweerderig. Wist hij. ‘En jij, wist jij dit? Kom op. Eerlijk zeggen.’ Er werd geknikt, driftig. ‘Natuurlijk.’
Ik at een stuk gebak en nog een. En nog een. Ondertussen vestigde ik mijn laatste hoop op de broer van de jarige. Zeker weten dat hij deze charade, deze collectieve waan, dit toneelstuk zou kunnen doorprikken met een nuchter ‘nee man, natuurlijk niet’. Maar de broer was er niet en zou ook niet komen. Hij was, zo had hij gezegd, in het buitenland. Natuurlijk. Dat zou ik ook zeggen.
Source: Volkskrant