Home

‘Hé pap, pak de naald en geef jezelf een injectie’: hoe Alistair vanuit Nederland zorgt voor zijn dementerende vader in Londen

Als zijn vader alzheimer blijkt te hebben, wil Alistair Moore er voor hem zijn. Maar hij woont in Ouderkerk aan de Amstel, zijn vader in Londen. De it-specialist hangt het huis van zijn vader vol met camera’s en microfoons. ‘Ga je me bespieden?’

PERSOON BIJ VOORDEUR.

Vanaf zijn eettafel in Ouderkerk aan de Amstel kijkt Alistair Moore (51) via de camera naar Errin van de thuiszorg, die bij de bungalow van zijn vader in Groot-Londen aanbelt.

Waarom doet zijn vader niet open?

Errin belt nog een keer, tevergeefs. Daarna draait hij zich om en loopt het tuinpad af.

Wat nou! Errin moet naar binnen, zijn vader helpen. Zorgen dat hij zijn injectie tegen zijn beenmergziekte krijgt. Erop toezien dat hij de juiste medicijnen inneemt. Aan de muur boven de pillendispenser hangt een wit vel, waarop hij alle pillen heeft geplakt, met plakband. Zijn vader kan precies zien op welk tijdstip hij welke moet innemen. Maar de apotheek verandert soms van merk, zodat de pillen een andere vorm of kleur hebben. Medicijnvergiftiging kan voor zijn vader ernstige gevolgen hebben.

Errin loopt de straat op en verdwijnt uit beeld.

Waarom belt Errin hem niet? Misschien is er wat met zijn vader gebeurd. Als er iets niet in orde is, moeten ze contact met hem opnemen. Ook al woont hij in Ouderkerk aan de Amstel.

Alistair is de enige verantwoordelijke. Enig kind. Het zit in de familie. Zijn vader was het en zijn moeder Peggy in wezen ook. Haar Ierse moeder bracht haar naar het tehuis, toen ze een nieuwe vent kreeg.

Alistair zoekt in zijn telefoon naar camerabeelden van de verschillende ruimtes, terug in de tijd.

08.40 uur: PERSOON BEWEEGT IN KEUKEN, PERSOON BEWEEGT IN WOONKAMER, PERSOON BIJ VOORDEUR.

Zijn vader loopt om kwart voor 9 doodleuk de deur uit. Even later ziet hij hem in zijn oude Mitsubishi Lancer passeren. Hij belt hem.

‘Waar ben je naartoe?’

‘Ik moet bloed laten prikken.’

‘Waarom heb je dat niet gezegd? Errin van de thuiszorg kon er niet in. Ik heb zijn baas gebeld en een klacht ingediend. Ik moet altijd weten waar je bent.’

‘O, sorry, heb ik het weer verknald?’

Anderhalf jaar geleden was zijn vader met een vreemd gevoel in zijn hoofd wakker geworden. Er was iets gebeurd dat zijn leven voorgoed veranderde. Hij kon zich dingen niet meer herinneren. Wat precies kon hij niet zeggen. ‘Als een herinnering is verdwenen, weet je dus niet wat je vergeten bent’, zei hij.

Onderzoek in de geheugenkliniek wees uit dat zijn vader leed aan alzheimer en vasculaire dementie. De neuroloog legde het uit, maar zijn vader had het niet begrepen. ‘Hij sprak met een zwaar Indiaas accent, dat ik niet verstond. Het is nog erger dan Schots’, zei hij over de telefoon tegen zijn zoon.

Alistair was met zijn hond Blu, een Rhodesische ridgeback, naar Londen gereden. Hij las de brief met de diagnose en legde het aan zijn vader uit. Die hoorde het met een treurig gezicht en hangende schouders aan.

Hij richtte een werkplek in zijn vaders huis in. Als it-consultant was hij verantwoordelijk voor de datahuishouding van multinationals. Zijn werk bestond grotendeels uit het houden van videocalls met it-teams wereldwijd. Hij blurde zijn achtergrond, zodat zijn collega’s zijn schuifelende vader niet zagen.

Na twee weken nam hij afscheid van zijn vader.

‘Kun je niet altijd hier blijven en voor me zorgen?’, vroeg die.

De opmerking trof hem in zijn hart. Maar hij moest naar huis, zijn 15-jarige dochter Pepper had zijn aandacht nodig. Ze had een moeilijke periode achter de rug met een verbroken liefde. Hij deelde de opvoeding met zijn ex Sylvia. Ze waren al lang uit elkaar, maar hadden een goede verstandhouding.

Hij keek nog even naar zijn vader, die met geheven arm in de deuropening stond. De eerste kilometers onderweg naar huis waren een strijd tegen de tranen. Zijn vaders ziekte zou steeds ernstiger vormen aannemen. Hij was alles gaan lezen over de verschillende stadia van dementie, over de gevaren voor een alleenwonende patiënt.

Zijn vader was gebeld door een bankmedewerker met een nette stem, die vroeg of hij een televisie had besteld, want er was een bedrag van zijn rekening afgeschreven. Zijn vader zei dat hij helemaal geen tv had gekocht, waarop de nette man uitlegde dat er was gefraudeerd met een van zijn vier creditcards. Hij zou een koerier sturen om ze op te halen. Zijn vader had ze netjes in een envelop meegegeven, inclusief pincodes.

Oplichters. Na dit voorval installeerde Alistair gesprekscreening op zijn vaders telefoon. Een computerstem vroeg de beller om zijn naam. Deze werd doorgegeven aan zijn vader. ‘Wilt u deze beller accepteren?’ Het werkte. Zijn vader werd niet meer over de telefoon lastiggevallen.

Alistair wilde zijn vader hetzelfde gevoel van veiligheid bieden als hij in zijn jeugd had ervaren. Toen hij na ruzie met een lokale bende met een toegetakeld gezicht was thuisgekomen – ‘Oké, dat doet de deur dicht’, zei zijn moeder – hadden ze het huis in Forest Hill verkocht en waren naar het betere Bromley getrokken. Alistair ging naar de gerenommeerde privéschool St. Dunstan’s en werd lid van de rugbyclub, net als zijn vader en grootvader.

Zijn vader woont er nu alleen. Peggy is zes jaar geleden overleden. Uitgezaaide kanker aan haar ruggemerg. De laatste vijf dagen was ze thuis, had Alistair haar verzorgd en de morfine toegediend. Zijn vader kon het niet. Die bleef in zijn werkkamer.

Die allerlaatste nacht aan haar bed zei Alistair wat hij al lang had willen zeggen, maar wat ongebruikelijk was in hun gezin. ‘Ik hou van je, mam.’

‘Ik ook van jou, jongen.’

De volgende ochtend was hij van de logeerkamer, die hij die laatste dagen met zijn vader deelde, naar de hare gelopen. Hij zag het meteen.

‘Mama is dood.’

‘O.’ Zijn vader bleef in zijn stoel zitten.

Die kon niet met het verdriet overweg. Niet toen zijn eigen vader longkanker kreeg, niet toen zijn vrouw ziek werd, en ook niet nu hij zelf die dementie heeft. Zijn vader is meer het type dat, als hij hoort dat zijn arm eraf is, zegt: ‘Geeft niet. Ik heb er nog een.’

Alistairs huis in Nederland hangt vol met technische snufjes. Als hij zijn hand voor de vuilnisbak houdt, gaat die vanzelf open. Blu kan met zijn poot een knop indrukken, waarna een digitale stem om een hondenkoekje vraagt. Als iemand aanbelt, roept een vriendelijke vrouwenstem dat om in de woonkamer.

Bij zijn volgende bezoek aan Engeland installeerde hij een camera in de slaapkamer van zijn vader, eentje in de keuken, de woonkamer, de werkkamer en bij de voordeur. Allemaal met groothoeklenzen en microfoons, zodat hij met zijn vader kon praten als het nodig was. De camera’s begonnen op te nemen zodra iets bewoog in de ruimte. Dat alles werd opgeslagen op zijn telefoon.

‘Ga je me bespieden?’, vroeg zijn vader.

‘Nee, pap. Op deze manier kan ik altijd zien hoe het met je is.’

‘Als je dan minder zorgen om mij hebt, vind ik het goed.’

Hij vindt het fijn dat er altijd een wakend oog is, dacht Alistair.

Toen Alistair terugkwam uit Londen en Sylvia hun dochter kwam brengen, liet hij haar de camera’s zien. Sylvia was onder de indruk van de kwaliteit van de bewegende beelden.

‘Zeg maar wat tegen Michael’, zei Alistair.

‘Hello Michael, it is Sylvia here. Good people.’

Ze zag hoe Alistairs vader in de woonkamer wat verbaasd om zich heen keek.

‘Oh, hello Sylvia, how are you?’

Ze dronken samen koffie, spraken over Pepper en zo nu en dan keken ze naar het bewegen van Michael door zijn woning. Soms verdween hij even uit beeld.

‘Waar is hij?’, zei Alistair.

Even later verscheen hij alweer in zijn slaapkamer. Stond hij een hele tijd bewegingloos in de ruimte.

‘Waarom blijft hij daar zo lang?’

‘Hij mag toch wel even staan nadenken.’

Daarna liep zijn vader uit beeld, de badkamer in. Sylvia probeerde mee te kijken, maar Alistair drukte de telefoon tegen zijn borst. Zijn vader bukte voorover met zijn broek op zijn enkels. Je kon alles zien.

PERSOON BEWEEGT IN SLAAPKAMER 1.

Alistair kijkt hoe zijn vader zich in bed omdraait.

‘Het is bijna 9 uur, pap.’

‘Ik mag toch wel een keer uitslapen?’

‘De thuiszorg komt. Je moet de deur voor ze opendoen.’

Op zijn telefoon verschijnen nieuwe berichten: PERSOON BEWEEGT IN WOONKAMER, gevolgd door PERSOON BEWEEGT IN KEUKEN.

Toen zijn contract afliep, besloot Alistair een paar maanden vrij te nemen om aan zijn eigen huis te werken. Hij heeft de gewoonte om twintig keer per dag te kijken wat zijn vader aan het doen is.

Een tijdje terug had die het koffiezetapparaat op het nog brandende gasstel gezet en had de boel vlam gevat. Er komen continu berichten binnen van zijn verplaatsingen door het huis. Als het om potentieel gevaarlijke plekken gaat of als er iemand aan de voordeur staat, bekijkt Alistair de camerabeelden. Als hij de bezoeker niet kent, zegt hij: ‘Hallo, wie bent u?’ Daarna belt hij zijn vader en geeft de naam door. ‘Dat is oké’, zegt zijn vader meestal. ‘De krantenjongen.’

Zijn vader belt hem een paar keer per dag. ‘Weet je waar het dienblad is?’

Alistair kijkt de beelden in de keuken terug en ziet hoe zijn vader alle laden en kastjes opentrekt, maar juist die ene la waar het dienblad ligt, niet.

‘In de la waar hij hoort te liggen.’

Zijn vader begint opnieuw de verkeerde laden open te trekken.

‘Nee, niet die. Eentje lager. Nee. Eentje hoger.’

Die ene ochtend, waar hij niet graag aan terugdenkt, had hij ook op zijn telefoon gekeken.

PERSOON BEWEEGT IN SLAAPKAMER 1. Alistair zag zijn vader zich in bed omdraaien.

Even later was de schoonmaakster aan de deur gekomen. Alistair had dit bericht gemist. Omdat vader niet opendeed, had ze de sleutel bij de buren gehaald. Toen ze binnenkwam, zag ze dat het mis was. Een kwartier later werd zijn vader met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

‘Een hartaanval’, zei ze over de telefoon.

Toen wist Alistair dat het plaatsen van de camera’s een goede beslissing was. Als de schoonmaakster niet was gekomen, had hij na een half uur weer op zijn telefoon gekeken. Als zijn vader nog roerloos in bed had gelegen, had híj de ambulance gebeld.

Alistair had wekenlang bij zijn doodzieke vader aan bed gezeten. Longontsteking, bloedvergiftiging. Waarschijnlijk door rotte kip, schadelijke bacteriën die in zijn longen waren terechtgekomen. Ze spraken met de arts af dat, als het zover was, ze zijn vader niet zouden reanimeren.

Wonder boven wonder was hij na zes weken zo goed hersteld dat hij weer naar huis kon. Onderweg vroeg Alistair zijn vader of hij niet bij hem in Ouderkerk wilde komen wonen. Konden ze gewoon met elkaar praten, in plaats van via de camera. Nog een mooie tijd samen hebben, Pepper, Michael en hij.

‘Goed, misschien is dat het beste’, zei zijn vader.

Alistair was opgelucht. Dan hoefde hij niet langer heen en weer te reizen. Daar moest hij toch mee stoppen als hij weer aan het werk ging. In zijn branche vroeg je geen vrij om voor je vader te zorgen. Hij miste het werk, het ritme, collega’s. Zijn wereld was klein geworden.

Hoe sneller zijn vader naar Nederland zou komen, hoe beter. Nu zijn geheugen nog redelijk goed was, kon hij wennen aan een nieuwe omgeving. In zijn eentje in Londen zou zijn vader snel aftakelen en uiteindelijk zichzelf verliezen.

Hij vroeg Pepper hoe zij het zou vinden als opa bij hen in een huisje in de tuin zou komen wonen. Ze wilde er een paar nachten over slapen, zei ze. Ze hield veel van haar opa. Eerder mailden ze elkaar, maar sinds een paar maanden kreeg ze geen antwoord meer.

‘Hij heeft zijn hele leven in dat huis in Londen gewoond, bij zijn vrienden en de rugbyclub. Waarom moet hij nu bij ons komen wonen, en tot wanneer? Tot hij naar een tehuis moet? Straks gaat hij ineens dood en staat dat gebouw waar hij stierf hier in de tuin.’

Alistair legde haar uit dat als opa daar iets overkwam, hij hem niet kon helpen. Als hij bij hen kwam wonen wel. Konden ze eindelijk weer familiedingen doen, het weekend eropuit gaan, Sylvia en haar moeder meevragen en als een grote familie op pad.

Later, als het slechter met hem zou gaan, hij zichzelf niet meer kon verzorgen, zouden ze uitkijken naar een verpleeghuis. Vond ze dat goed?

Pepper was het belangrijkste. Ze had nog een heel leven voor zich. Ze mocht geen schade oplopen door het wangedrag van zijn dementerende vader.

Pepper stemde in. Ze zag hoezeer de zorg voor zijn vader hem in beslag nam. Dat heen en weer reizen putte hem uit. De zorg voor zijn vader, ontnam haar de hare.

Alistair verkeert de hele dag in staat van paraatheid. Soms schuift hij zijn telefoon van zich vandaan, maar zodra het bericht PERSOON BEWEEGT IN KEUKEN verschijnt, kijkt hij toch.

Zijn vader en de verzorgende staan bij de pillendispenser. De verzorgende, een vrouw over wie hij toch al zijn bedenkingen heeft, is bezig pillen uit een flesje te halen om aan zijn vader te geven. Verkeerde pillen.

‘Ho, stop!’, roept hij door de microfoon. ‘Wat doe je?’

De verzorgende kijkt in de camera. ‘Je vader gaf me dit flesje.’

‘Mijn vader is zijn verstand aan het verliezen. Je moet hem alleen de pillen uit de dispenser geven.’

Ze weet van vaders kwetsbare gezondheid, zijn beenmergziekte en zijn hartfalen.

Het is de zoveelste aanvaring met de verzorgenden. Elke vrijdag moeten ze de koelkast controleren op eten dat over de datum raakt. Voedselvergiftiging kan fataal worden. Laatst vond hij kant-en-klaarmaaltijden die drie weken over de datum waren. In de broodtrommel lag groen uitgeslagen brood. Zijn vader let er niet op. Die pakt gewoon wat en eet het op.

Vorige week zag hij, na het bericht PERSOON AAN VOORDEUR, de verzorgende na het aanbellen de deur openduwen. Zijn vader had niet opengedaan. Die deur was dus de hele nacht niet op slot geweest. Ieder kwaadwillend persoon had zó naar binnen kunnen lopen. Elke keer diende hij een klacht in bij de particuliere zorginstelling, die hem 1.500 pond in de maand kostte. Maar verbetering kwam er niet.

Een dag later wilden ze een invaller sturen, omdat de vaste verzorgende met vakantie was en de ander griep had. Alistair wilde geen vreemde gezichten in huis, die zijn vader van zijn stuk brachten.

‘Laat maar’, zei hij. ‘Ik doe het zelf wel.’

Zijn vader hoorde hem uitvallen tegen de thuiszorgmedewerker.

‘Hoe gaat het eigenlijk met me, Alistair?’

Wat moest hij zeggen? Hij keek in de keukencamera naar de vragende blik van zijn vader. ‘Je doet het heel goed, pap. Je bent 85. Je bent mobiel. Zorgt zelf voor je eten. Kijk hoe je vrienden op de rugbyclub eraan toe zijn: John heeft parkinson en krijgt zijn eten niet meer in zijn mond. Gary heeft darmkanker en loopt met een stoma en David valt steeds flauw, vanwege zijn lage bloeddruk. Alle drie slikken ze een hele hoop pijnstillers. Jij niet, je hebt geen pijn. Het gaat goed.’

Om 9 uur ’s ochtends zei Alistair via de microfoon op de keukencamera tegen zijn vader dat hij naar de koelkast moet lopen.

‘Alistair, ben jij het jongen?’

‘Natuurlijk pap. Pak de naald en geef jezelf een injectie.’

Hij moest duidelijke opdrachten geven, geen ruimte laten voor twijfel.

‘En neem nu je medicijnen.’

Hij keek hoe zijn vader zat te hannesen met het bakje van de machine.

‘Je moet het kantelen, pap. O, kom op. Kantelen!’

Toen leek zijn vader het te begrijpen en vielen de tabletten op het keukenblad.

Na 11 uur werd het kalm. Zat zijn vader in zijn leunstoel in de werkkamer voor het grote scherm sport te kijken. Hij betaalde 180 pond per maand voor alle sportkanalen. Soms verscheen het bericht PERSOON BEWEEGT IN WOONKAMER, gevolgd door PERSOON BEWEEGT IN KEUKEN. Zag hij zijn vader een pak koekjes pakken. Altijd en eeuwig die koekjes. Daarna nestelde zijn vader zich weer in zijn stoel. Net als de dag ervoor. Alle dagen van zijn vader verliepen identiek, op de minuut af. Altijd in zijn eentje in die stoel, kijkend naar sport, bij voorkeur rugby.

PERSOON IN WOONKAMER. PERSOON IN KEUKEN. Alistair keek weer op zijn telefoon. De keukendeur stond open. Zijn vader was nergens te zien. Wat was hij aan het doen? Het was half 4. Waarschijnlijk een maaltijd halen, uit de koelkast in de garage. Moest zijn vader drie treden af, met die regen waren ze spiegelglad. Hij bleef de keukendeur in de gaten houden.

Waar bleef zijn vader nou? Dat hoefde toch maar even te duren?

Was hij iets anders aan het doen? Zag hij net via de voordeurcamera de buurvrouw haar vuilnis naar de straat brengen? Wat voor dag was het? Woensdag. Morgenochtend werd het opgehaald.

Hij moest, straks in Londen, een camera in de achtertuin plaatsen. En iets doen aan de dode hoek in de hal bij de voordeur. En zijn vader zeggen dat de struiken in zijn tuin waren verwijderd, om ruimte te maken voor zijn huisje. Hem eraan herinneren dat hij naar Ouderkerk komt.

Soms lijkt zijn vader in de volgende fase van dementie beland. Alsof de emmer vol is, en elke nieuwe gedachte een andere verdrijft.

Hij wil met hem over de auto praten. Zijn vader rijdt veel te langzaam. Achterliggers zitten boven op zijn bumper. Hij kan de afstand tot geparkeerde auto’s niet inschatten. Waarom moet hij nog in de auto stappen? Zijn vrienden pikken hem thuis op als ze op zondag naar de rugbyclub gaan. De buurman haalt alle verse boodschappen.

Laatst zag hij hem de deur uitlopen en even later de Mitsubishi voorbijrijden. Kwam hij een half uur later terug met een paar boodschappen onder zijn arm. PERSOON BIJ VOORDEUR, PERSOON BEWEEGT IN WOONKAMER, PERSOON BEWEEGT IN KEUKEN. Daar stalde hij de boodschappen uit. Alistair zag hem ernaar staren. Toen draaide zijn vader zich om. PERSOON BEWEEGT IN WOONKAMER, PERSOON BIJ VOORDEUR. Liep hij het tuinpad af, naar zijn auto. Kwam hij een half uur later weer aanzetten, met een pak koekjes in zijn hand.

Na twee dagen zonder thuiszorg vroeg zijn vader of Alistair hem niet altijd op afstand wilde blijven verzorgen.

‘Ik moet mijn eigen leven leiden.’

Voor die diagnose was gesteld, hadden ze normaal contact. Belden ze elke zondagavond en spraken ze een half uur over elkaars bezigheden. Dat was goed, warm, gelijkwaardig. Op weekdagen stuurde zijn vader hem iedere ochtend een mail. ‘Alles goed hier op nummer 3.’

Nu was alles anders.

De komende maanden worden zwaar, met de bouw van het huis in zijn tuin, het leegruimen en de verkoop van het ouderlijk huis. Hij moet een goede ouderenarts, een hartspecialist, oncoloog en een neuroloog voor zijn vader vinden. Die zullen hem opnieuw willen onderzoeken. Hij wil alles hebben gedaan vóór hij in april weer aan het werk gaat. Het zorgt voor veel stress. Hij zoekt afleiding, gaat wandelen met de hond, een eindje rijden. Of hij leest een boek, fantasy. Maar zodra hij het boek dichtslaat, zijn al die zorgen er weer.

Zijn oudste vriend Nick kent Alistair van St. Dunstan’s en de rugbyclub. Toen Nick zes jaar geleden met vakantie op Lanzarote een hartaanval kreeg, was hij de eerste die het vliegtuig nam en aan zijn bed op de intensive care zat. Een tijdje terug had Alistair hem in paniek opgebeld, of hij naar zijn vader wilde gaan kijken, omdat de camera’s waren uitgevallen. Was hij in een half uur die kant op gereden en vond hij Michael ontspannen in zijn stoel voor de tv.

Volgens Nick vertrok Alistair in 1999 naar Amsterdam om uit de schaduw van zijn vader vandaan te komen. Eigenaar van een grote, goedlopende meubelzaak, de sportman waar iedereen tegenop keek, die in zijn vrije tijd de rugbyclub runde. Daar was Alistair altijd Mickeys zoon geweest. Nooit Alistair. Hij moest weg, om uit te vinden wie hij zelf was.

Nu dreigt hij opnieuw overschaduwd te worden door zijn vader.

Nick vraagt zich af of die camera’s wel zo verstandig zijn. ‘Je ziet de hele tijd van alles. Stel, Alistair ziet zijn vader vallen en zijn hoofd stoten, of nog erger. Hij zit 500 kilometer verderop in Ouderkerk. Wat doe je jezelf aan?’

De moeder van een andere vriend is al verder weggezakt in haar dementie. Haar zoon woont op een half uur rijden en heeft ook camera’s opgehangen om haar in de gaten te houden. Die zit op zijn werk en ziet op zijn telefoon hoe zijn moeder in haar blootje de tuin in loopt om haar behoefte te doen. Ze heeft haar dag- en nachtritme omgedraaid en loopt ’s nachts aangekleed door het huis. Elke keer krijgt hij een bericht op zijn telefoon: 03.00: PERSOON BEWEEGT DOOR WOONKAMER. Zijn moeder hoort in een tehuis voor mensen met dementie, maar ze heeft geen eigen vermogen en haar zoon wil niet de jaarlijks benodigde 60 duizend pond betalen.

Alistair kan niet wachten om zijn vader naar Ouderkerk te verhuizen. Als het zover is, zal hij vaders vrienden van de rugbyclub laten weten dat Mickey zijn laatste bier komt drinken. Hij wil er geen groot vaarwel van maken, geen spandoeken. Gewoon samen wat drinken. Er zal een wedstrijd zijn die voor afleiding zorgt. Zijn vrienden zullen vast iets willen zeggen of zingen, maar laat het niet te uitbundig zijn. Dat past niet bij een afscheid als dit.

De laatste keer dat hij zijn vader over de verhuizing sprak, zei hij dat hij hier voorlopig nog goed zat.

‘Ik zeg ook niet dat je moet verhuizen zodra het huis af is. Je mag het zelf bepalen. Ik wil gewoon dat we klaar zijn als het nodig is. Je weet wat de weg is, dat die zal eindigen in een verpleeghuis, pap. Bij ons kun je langer thuis wonen.’

‘Mijn geheugen is nog prima. Je kunt me vragen wat voor dag het is. Maandag.’

‘Dat zal over een tijdje veranderen.’

‘Ik leef nu. Ik heb geen zin om me al zorgen te maken over hoe ik er over een jaar aan toe kan zijn.’

Alistair stelt voor om samen een video op te nemen, waarin ze afspreken wanneer het moment komt dat zijn vader niet meer zelfstandig kan wonen. Als het zover is kunnen ze de video terugkijken.

Voorlopig zal hij de zorg via de camera’s blijven doen.

Op dit moment zijn er in Nederland 290 duizend mensen met dementie. In 2050 zijn dat er naar verwachting 625 duizend (bron: Alzheimer Nederland). In Amsterdam bundelen huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde van zeven verpleeginstellingen hun krachten in het NOA (Netwerk Ouderengeneeskunde Amsterdam). ‘Huisartsen kunnen een beroep op ons doen als ze advies en ondersteuning nodig hebben in de zorg voor hun oudere, zeer hulpbehoevende patiënt’, zegt Karolien Biesheuvel, specialist ouderengeneeskunde. ‘Anders ligt dat in de provincies Groningen en Friesland, waar huisartsen minder laagdrempelig de expertise van de specialist ouderengeneeskunde kunnen inroepen en het gebruik van technische hulpmiddelen als camera’s een uitkomst kan bieden.’

‘Je kunt met veel middelen proberen te voorkomen dat er iets met iemand gebeurt, maar moet je elk risico wel willen vermijden? Of hebben ouderen, ook als ze kwetsbaar zijn, het recht op hun eigen ongeluk? In hoeverre is het gewenst dat iemand komt te overlijden? Mag dat gebeuren? Sommige mantelzorgers willen hun moeder het liefst ingepakt in bubbeltjesplastic in bed leggen, zodat er niets kan gebeuren. In het andere uiterste laat je iemand in zijn onderbroek de deur uit stappen. Ergens daartussenin moet je zeggen: wat doen we wel en waar moet je loslaten? Dat is een voortdurende afweging, en elke keer een goed gesprek waard tussen arts en familie.’

Dit artikel is tot stand gekomen met financiële steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next