Het komt in een boekenrubriek niet te pas om een tv-serie aan te raden, maar nood breekt wet: jullie móéten Six Feet Under zien. Het is een van de fijnste dramaseries die ik ken, hij staat nu eindelijk op Netflix, en hij heeft mij indertijd (Six Feet Under is al twintig jaar oud, zonder gedateerd te lijken, haast ik mij eraan toe te voegen) van mijn nijpende angst voor de dood bevrijd.
Het gezin Fisher, vader, moeder, twee volwassen zoons en een tienerdochter, drijft een begrafenisonderneming in Los Angeles. We krijgen de (soms verre van) alledaagse beslommeringen van hun leven te zien, met de dood permanent op de achtergrond. Elke aflevering begint met een sterfgeval; van een simpele hartaanval of dood-door-oude-dag tot zelfmoord, wiegedood of spectaculaire ongelukken met bijvoorbeeld een lift, een zwembad of een losgelaten duif.
In de kelder van hun huis bereiden de Fishers de doden voor op hun begrafenis. Dat gaat er in Amerika (vaak) anders aan toe dan bij ons: de lijken worden gebalsemd (dat wil zeggen, hun bloedvaten worden uitgespoeld met een chemische vloeistof), en eventuele verwondingen (dat zíjn er nogal wat, in Six Feet Under) worden cosmetisch hersteld, waarna de dode, keurig gekamd en opgefrunnikt, voor zijn nabestaanden tentoongesteld wordt in een open kist.
Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.
Het opknappen van die lijken is een vak apart, waarvan we de fijne kneepjes uitgebreid te zien krijgen in de kelder van de Fishers. Daar is overigens niets gruwelijks aan; Six Feet Under drijft op zwarte humor en surrealisme, maar het is beslist geen griezelserie. Hij heeft trouwens hele reeksen Golden Globes en Emmy’s gewonnen, dus ik zit hier niet uit mijn nek te lullen.
Ergens in seizoen drie of vier duikt bovendien een boek op, een ontzettend leuk boek, waarvan ik het bestaan al zowat weer vergeten was: Stiff van Mary Roach. Ze beschrijft op grappige en meeslepende wijze wat er allemaal gebeurt, of kán gebeuren, met een lichaam na de dood. Neem alleen al de eerste zin (het boek is vreemd genoeg nooit vertaald, maar het is vrij simpel Engels):
‘The way I see it, being dead is not terribly far off from being on a cruise ship. Most of your time is spent lying on your back. The brain has shut down. The flesh begins to soften. Nothing much new happens, and nothing is expected of you.’
Beeldend, nietwaar? Maar zo saai hóéft de dood niet te zijn, vervolgt Roach. Waarna ze opsomt waarvoor lijken allemaal nog nuttig kunnen zijn: als oefenmateriaal voor medische studenten (vooral het vasthouden van een stijve, dode hand schijnt er emotioneel nogal in te hakken) en voor forensische wetenschappers (maden, véél maden) of als orgaandonor: een los, levend hart, las ik, pompt zó heftig dat het weleens uit de handen van de chirurg springt en op de vloer valt (geeft niks, ze spoelen het af en gebruiken het alsnog).
Plastisch chirurgen oefenen graag op dode hoofden, die ze los opgediend krijgen in een soort braadpan, tegen het lekken. Roach: ‘The human head is of the same approximate size and weight as a roaster chicken. I have never before had the occasion to make the comparison, for never before today have I seen a head in a roasting pan.’ Fascinerende materie, al meen ik me te herinneren dat een menselijk hoofd tussen de 4 en 5 kilo weegt. Dat is wel érg zwaar voor een braadkip, maar ja, in Amerika is nu eenmaal alles groter.
Lees Stiff en kijk naar Six Feet Under. Wees niet bang voor de dood. De dood kan nuttig zijn, of grappig, of allebei, en zelf ben je er, te zijner tijd, tóch niet meer bij.
Source: Volkskrant