Home

Daniël Rovers schreef een boek over zijn nieuwste liefde: ‘Salsa ontkent de regels van het normale bestaan’

Ja, daar gebeurt het al. Bij de tweede vraag begint Daniël Rovers te bewegen. ‘In het basketbal’, zegt de schrijver terwijl hij zijn rechterarm naar achter beweegt, ‘heb je de windmill. Ken je die? De windmolen. Dat is als je zo aan komt zweven, en met je armen zo…’

Je kunt veel over de Nederlandse schrijver en essayist Daniël Rovers (1975) zeggen. Bijvoorbeeld dat hij een zeer rijk oeuvre heeft. Of dat hij een geweldig oog heeft voor detail, waardoor hij de grootsheid waarneemt die zich verschuilt in vrijwel al het kleine. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de verse Texelse koek die hij tijdens dit interview serveert bijzonder smakelijk is. Maar dat de schrijver op Amerikaanse basketballers als Michael Jordan lijkt, of op LeBron James en Stephen Curry? Nee, totaal niet.

En toch, zodra Rovers de windmill en de ankle breaker uitbeeldt, zie je precies die mannen voor je. ‘De ankle breaker gaat zo: als je met een perfecte schijnbeweging je directe tegenstander laat struikelen. En dan, hup, er voorbij.’

Rovers schreef al over veel onderwerpen gedurende zijn carrière. Heel veel onderwerpen zelfs. Hij schreef reisverhalen van Zeeland tot China, een boek over het rooms-katholieke seminarie waar zijn vader in de jaren vijftig heen ging (Walter, 2011), een leesautobiografie (Bakvis, 2018) over schrijvers die hem hebben gevormd. Maar bijvoorbeeld ook een roman (Vergeten meesters, 2022) over vijf rondleiders in een museum dat verdacht veel lijkt op het Amsterdamse Rijksmuseum.

Die veelzijdigheid, zo legt hij uit, komt doordat hij voor weinig dingen meer angst heeft dan voor verveling. ‘Ik verveel me echt niet graag. Dat heb ik vroeger tijdens mijn jeugd in de Achterhoek al veel te vaak gedaan.’

Het gevolg: verhalen met zo veel vaart dat ook de lezer geen kans krijgt zich te vervelen, zinnen met nauwelijks kaf erin en na voltooiing van een boek altijd weer een nieuw onderwerp. Na een lijvige roman over de kunstwereld volgt in de wereld van Rovers dus In één vloeiende beweging, een essaybundel over sport.

Over basketbal, van de ankle breaker, maar ook over voetbal, zwemmen en vooral: over salsa, zijn nieuwste liefde. Weliswaar verandert Rovers op salsales ‘in een zieltogend standbeeld van mannelijke stunteligheid’, maar het is ook de plek waar hij het roodharige meisje met de witte cowboylaarzen gewoon durft aan te kijken, de leeftijdloze dame met wespentaille ten dans vraagt en de stewardess met korte broeken zowaar rondzwiert.

‘Ik had eerder al eens een stuk gepubliceerd over basketbal, dat deels voortkwam uit mijn eigen verlangen ooit te kunnen dunken, maar ook uit de vraag: wat is er toch zo fantastisch aan basketbal? Waarom ben ik er ooit, op de middelbare school, zo verslaafd aan geraakt? Bij het schrijven van dat stuk bleek dat het aantrekkelijke aan basketbal ook de reden is waarom ik graag naar beeldende kunst kijk. Namelijk de vloeiendheid van de bewegingen en het technische meesterschap. Dat is ook het moment waarop basketbal de dans aanraakt.

‘Die constatering wilde ik uitwerken. En inderdaad: tijdens het schrijven van dit boek bleek dat te gelden voor nog veel meer sporten. Of het nu basketbal, voetbal of zwemmen is, ze zijn op hun mooist wanneer ze de dans raken. Daar komt bij dat dans, omdat het zo snel gaat en totaal woordenloos is, ook de moeilijkste kunstvorm is om te beschrijven, dus ik vond het ook voor mijzelf een technische uitdaging.’

‘Dat heeft, denk ik, vooral met zelfvertrouwen te maken. Een schrijver weet dat hij goed kan schrijven, maar meestal kan hij slecht sporten. Dus waarom zou je daarover schrijven? Aan de andere kant: alle schrijvers sporten. En ergens niet de allerbeste in zijn, diskwalificeert je natuurlijk niet om erover te schrijven. Sterker nog: als amateursporter heb je het voordeel dat je vrij gemakkelijk beter kunt worden. Juist dat maakt sporten zo leuk. Dat je opeens denkt: hé, die borstcrawl gaat na deze aanwijzing zoveel beter. Zelfoverwinningen behoren niet voor niets tot de mooiste overwinningen in het leven.’

‘Het is in elk geval de sport die ik op dit moment het meest beoefen. Met voetballen ben ik gestopt toen ik een keer op een veldje finaal door mijn enkel ging. Ik keek toen naar alle jongens om mij heen, allemaal een jaartje of 15 jonger, en dacht: het is genoeg geweest. Het wonderlijke is dat voetbal een heel fysieke sport is die je, in mijn geval, vaak met alleen maar mannen speelt en waarbij je altijd van een tegenstander moet winnen.

‘Bij dansen is dat anders. In plaats van de ander weg te schoppen, moet je het daar samen doen. Een complete omdraaiing dus. Verder gaat dansen over leiden en volgen, waarbij de man traditioneel gezien leidt en de vrouw volgt. Maar wat is leiden dan eigenlijk? De beste leider blijkt niet iemand te zijn die zegt: nu gaan we – ruk – naar links en nu – ruk – naar rechts. Nee, het is iemand die kijkt wat de volger ongeveer doet en daarin meegaat.’

‘Er bestaat natuurlijk een bepaald nabijheidstaboe in onze cultuur. Als je iemand aankijkt, wordt er al snel gezegd: heb ik iets van je aan? En als ik zelf in een lift sta, denk ik ook al snel: nou, je staat wel erg dichtbij. Maar bij salsa is dat allemaal anders. Dat werkt in zekere zin bevrijdend. Het is een bezigheid waarmee je bepaalde regels van het normale bestaan ontkent. Althans, van ons Nederlandse bestaan. Salsa komt uit de Cariben of Latijns-Amerika, waar andere nabijheidsregels gelden. Daarmee is het vergelijkbaar met carnaval: heel anders dan wat we in ons dagelijks leven gewend zijn en precies daarom zo leuk.

‘Salsa is erg spannend als je ermee begint. Dansen in paren, het woord alleen al. Er kleeft de zweem van seksualiteit aan, omdat we geleerd hebben dat aanrakingen en oogcontact de opmaat zijn voor seks. Maar het bijzondere is juist dat je zo dicht bij een ander kunt staan, zónder dat het een opmaat is voor wat dan ook. Ik denk oprecht dat dat bewustzijn veel mensen in het dagelijks leven zou kunnen helpen: dat wanneer je iemand aankijkt, dat niet meteen wil zeggen dat hij iets van je wil.’

‘Het draait om flirten om het flirten zelf, ja. Flirten is immers een soort aantrekken en afstoten, maar dan op een vrolijke manier, en dat is precies wat dansen is. Je haalt iemand naar je toe, je laat diegene weer gaan en dat steeds opnieuw en opnieuw. En als die ene dans is afgelopen, volgt er, zonder onderscheid des persoons, weer een volgende dans en daarna weer een.’

‘De eerste aantekeningen die ik voor dit boek maakte, waren na het dansen en kwamen echt voort uit verwondering. Zo van: dit heb ik nog nooit meegemaakt, dit is iets bijzonders. Opeens kom je tegenover een wildvreemde vrouw te staan, die je aanraakt en met wie je vervolgens gaat dansen. Die ervaring was zo sterk dat ik er automatisch over na begon te denken. Pas later, toen het idee ontstond er een essay over te schrijven, begon ik gestructureerder aantekeningen te maken en anders te observeren.’

‘Ik heb thuis een algemeen dagboek waarin ik zo ongeveer noteer welke boeken ik lees, welke films en voorstellingen ik zie en wat ik meemaak. Verder heb ik vaak een klein aantekenboekje bij me. Maar eerlijk gezegd komen de helderste ideeën bij mij – zeker in een periode van schrijven – rond een uur of vier in de nacht. Dus juist op het moment dat ik het minste nadenk, het meest uitgerust ben en ook een paar uur lang even helemaal geen indrukken heb opgedaan.’

De afgelopen maanden gingen die momenten van helderheid vooral over sport, daarvoor vaak over literatuur of de Nederlandse taal, getuige onder meer Rovers’ leesautobiografie Bakvis, met dertig essays over werken van onder meer Thea Beckman, Hugo Claus, Frans Kellendonk en Hans Faverey en zijn bijdrage aan de bundel Against English – Pleidooi voor het Nederlands, waarvoor hij het essay ‘We gaan toch niet die kuttaal spreken?’ schreef.

‘Dit (Rovers houdt zijn telefoon omhoog) is natuurlijk de allergrootste boosdoener. Ik ben er zelf ook niet vrij van. Sterker nog: ik heb weleens een post-it op mijn iPad geplakt waarop ik ‘duivel’ had geschreven, omdat dat ding je steeds weer wegzuigt uit jezelf. Dat is precies de reden waarom die dingen zo goed werken: het is moeilijk het de hele tijd uit te houden bij jezelf. Het is veel fijner om even sportnieuws te kijken op je schermpje, want er is ook altijd nieuw sportnieuws. Dus ja, dat telefoonverbod op school had er natuurlijk veel eerder moeten komen. Maar misschien is het een idee om nog iets verder te gaan en een algeheel telefoonverbod in te voeren op gezette tijden. Geen autovrije zondag, maar een schermvrije zaterdag.

‘Verder is het doorslaggevend dat leraren, op wat voor niveau ze ook actief zijn, zelf werkelijk geloven dat ze iets belangrijks doen. Ik herinner me van mijn eigen middelbare school een leraar, meneer Thomas, die Paul Celans Todesfuge behandelde. Aan het begin van die les zei hij: soms is het rumoerig in de klas, en dat is oké, maar vandaag wil ik dat het stil is, want dit is echt belangrijk voor mij.

‘Precies daardoor is dat een gedicht geworden dat mij altijd bij is gebleven. Alle kinderen in de klas waren stil en luisterden, omdat iedereen snapte dat er iets groters op het spel stond dan alleen de tekst. Het ging over een man die zijn familie was verloren in een kamp en verwoordde het verschil tussen een deel van de bevolking met mooi blond haar dat gewoon piano mocht blijven spelen, en een ander deel dat er niet langer mocht zijn. Dat stond op dat moment natuurlijk ver van ons af, maar meneer Thomas liet ons de betekenis voelen. Hij zei in feite tegen ons: die literatuur, jongens en meisjes, is van levensbelang.’

Daniël Rovers: In één vloeiende beweging. Wereldbibliotheek; 112 pagina’s; € 20.

Daniël Rovers (Zelhem, 1975) groeide op in het Achterhoekse gehucht Velswijk, studeerde Nederlands en filosofie in Nijmegen en promoveerde in Brussel op een proefschrift over auteursfiguren. Hij schreef meerdere romans en essaybundels. Zijn roman Elf (2010) eindigde op de shortlist van de Ako Literatuurprijs en zijn roman De waren (2017) werd genomineerd voor de ECI Literatuurprijs. Ook vertaalde hij (samen met Iannis Goerlandt) David Foster Wallace’ postume roman De bleke koning. Rovers schrijft met regelmaat essays in De Gids en De Witte Raaf.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next