Internationaal gerechtshof Zuid-Afrika wil dat het Internationaal Gerechtshof voorlopige maatregelen treft tegen Israël, om genocide in Gaza te voorkomen. Dit zou een opdracht tot staakt-het-vuren kunnen betekenen.
Kan het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag een onmiddellijk staakt-het-vuren opleggen aan Israël? De uitspraak over de vraag of Israël genocide pleegt in Gaza – zoals Zuid-Afrika betoogt in een zaak die het onlangs aanspande – kan jaren duren. Maar het hof kan alvast een zogeheten voorlopige voorziening opleggen. Die verplicht een staat om te stoppen met bepaalde acties, om zo onherstelbare schade te voorkomen, totdat het hof een definitief vonnis heeft uitgesproken. De uitspraak voor een voorlopige voorziening wordt eind deze maand verwacht.
Het ICJ hield vorige week twee openbare hoorzittingen in het Vredespaleis in Den Haag. Zuid-Afrika beschuldigt Israël ervan de Genocideconventie van 1948 te hebben geschonden tijdens zijn bombardementen en belegering van Gaza. Zowel Israël als Zuid-Afrika heeft dat verdrag ondertekend.
Het Internationaal Gerechtshof wordt, als het enige gerechtelijke orgaan dat is vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, beschouwd als het meest gezaghebbende gerechtshof ter wereld. Het kan ‘controversiële zaken’ behandelen die zijn aangespannen door staten, en deed dat sinds het eerste vonnis in 1948 al bijna 150 keer.
Zuid-Afrika noemt in zijn aanklacht een lijst voorbeelden die zouden onderstrepen dat wat Israël in Gaza doet, wijst op genocide, en waarmee land om die reden moet stoppen. Het gaat volgens Zuid-Afrika niet alleen om het doden van Palestijnen, gedwongen ontheemding en het ontzeggen van toegang tot voldoende voedsel, water, brandstof, onderdak en sanitaire voorzieningen. Maar ook om het „vernietigen van het culturele leven” van de Palestijnen. Het doden van hoogleraren die de geschiedenis kennen van het volk, het vernietigen van bibliotheken, archieven, moskeeën en literatuur.
„Al die voorbeelden gaan over het uitroeien van een volk, zegt Thijs Bouwknegt, senior Onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. „Wat maakt een volk? Dat gaat over culturele uitingsvormen. Het gaat heel diep.” Zuid-Afrika noemt ook het bombarderen van ziekenhuizen, waardoor vrouwen niet naar het ziekenhuis kunnen om te bevallen en babylevens in gevaar komen.
Volgens Bouwknegt vallen alle voorbeelden die Zuid-Afrika noemt onder genocide, en kan het hof dus instemmen met het verzoek, maar dan moeten die acties wel bewezen worden.
Israël ontkent de acties niet, maar zegt dat het een ander oogmerk heeft, namelijk de vernietiging van Hamas en andere organisaties die geweld plegen tegen Israël. „Dit is iets wat in de inhoudelijke zaak veel beter tegen het licht gehouden moet worden”, aldus Bouwknegt.
De bevelen van het ICJ zijn bindend voor staten. Toch worden ze vaak genegeerd. De eerste keer dat een zaak bij het Internationaal Gerechtshof werd ingediend wegens schending van de Genocideconventie was in 1993 door Bosnië tegen Joegoslavië. Het Gerechtshof oordeelde dat Joegoslavië (toen: Servië en Montenegro) moest stoppen met vechten, maar dat kon de genocide in Srebrenica van 1995 niet voorkomen.
De tweede zaak was in 2019 van Gambia tegen Myanmar en de derde de zaak tussen Oekraïne en Rusland. In het bevel tot een voorlopige voorziening in de zaak uit 2022 beval het ICJ Rusland om zijn militaire operaties in Oekraïne onmiddellijk te staken en ervoor te zorgen dat militaire of gewapende eenheden geen militaire operaties zouden uitvoeren. Tot nu toe heeft dat niets uitgehaald.
Het lijkt op basis van het eigen precedent in eerdere zaken duidelijk dat het ICJ ook in de zaak van Zuid-Afrika een voorlopige voorziening moet uitvaardigen. Maar het is volgens Bouwknegt moeilijk voor Zuid-Afrika om uiteindelijk de genocidale intentie van Israël te bewijzen. De vraag is waar het recht op zelfverdediging ophoudt.
Zuid-Afrika heeft wellicht een betere kans bij het Internationaal Strafhof (ICC), ook in Den Haag. Waar het Gerechtshof zich bezighoudt met de verantwoordelijkheid van staten, veroordeelt het Strafhof individuele daders. Bij het Strafhof loopt al sinds de vorige oorlog in 2014 een onderzoek naar oorlogsmisdaden op Palestijns grondgebied door Israël. Zuid-Afrika heeft, samen met andere landen, aan de ICC-aanklager gevraagd om in die zaak extra onderzoek te doen, na de geweldsescalatie sinds oktober. Het gaat daarbij niet alleen om Gaza, maar ook om aanvallen op de Westelijke Jordaanoever, waar ook nu weer Israëlische aanvallen plaatsvinden.
„Aanklager Karim Khan zegt dat hij er heel druk mee bezig is”, zegt Bouwknegt. „Dat hij een team heeft wat zich bezig houdt met het conflict van nu, maar ook met het conflict dat al veel langer lang gaande is.”
Oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zijn makkelijker aan te tonen dan genocide, legt hij uit, want de bewijsdrempel ligt lager. De aanklager hoeft niet te aan te tonen dat er een bedoeling is om een bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk te vernietigen.
Maar het ICC doet eerst feitenonderzoek voordat het iemand aanklaagt, wat lang kan duren. „We weten bijvoorbeeld niet hoeveel onderzoekers Khan heeft, of die toegang hebben tot Israël of de Palestijnse gebieden, en wat zij voor bewijsmateriaal kunnen verzamelen.”
Daarbij heeft Khan gezegd dat hij alleen overgaat tot een arrestatiebevel als hij kans ziet dat de verdachte veroordeeld wordt. Bouwknegt: „In theorie zou dat om [de Israëlische premier Benjamin] Netanyahu kunnen gaan.”
Een recent in het oog springend voorbeeld van bemiddeling via het Internationaal Gerechtshof (ICJ), inclusief inzet van een voorlopige voorziening, is de strijd tussen Armenië en Azerbeidzjan. De twee buurlanden op de zuidelijke -Kaukasus twistten decennia over de door Armenen bestuurde enclave Nagorno-Karabach in Azerbeidzjan. Sinds begin jaren negentig voerden de landen er drie bloedige oorlogen om.
Na een maandenlange blokkade door Azerbeidzjan van de enige verbindingsweg tussen Armenië en de enclave en een bliksemaanval in september 2023 vluchtten circa honderdduizend etnische Armenen uit Nagorno-Karabach. De republiek Artsach, zoals de Armenen de enclave noemen, bestaat niet meer. Duizenden vluchtelingen verblijven nog in opvangvoorzieningen in Armenië.
In september 2021 deed Armenië een beroep op het ICJ, omdat Azerbeidzjan zich schuldig zou maken aan schending van een verdrag tegen raciale discriminatie (International Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination (CERD, van kracht sinds 1969). Azerbeidzjan volgde een week later met een klacht tegen Armenië.
Na drie maanden kwam Gerechtshof met vier voorlopige voorzieningen tegen Azerbeidzjan, één tegen Armenië en één tegen beide landen. Het definitieve oordeel van het Hof kan jaren op zich laten wachten.
Op 17 november 2023 kwam het Hof met een uitspraak over het inmiddels vijfde verzoek van Armenië. Hierin wordt Azerbeidzjan gedwongen om Armeense inwoners van Nagorno-Karabach veilig te laten terugkeren als zij dat wensen. Bij deze uitspraak speelt een verschil tussen theorie en praktijk. Azerbeidzjan zegt dat de Armenen terug kunnen keren, in de praktijk zal dat niet gebeuren. Een eerdere voorlopige maatregel, uit februari 2023, dwong Azerbeidzjan tot opheffing van de blokkade van de Lachin-corridor. Die uitspraak werd door Azerbeidzjan genegeerd.
Source: NRC