Hans Peter Jung is huisarts in een Limburgs dorp als hij merkt dat hij gedesillusioneerd raakt in zijn beroep. De geboorte van zijn dochter Robin, die meervoudig gehandicapt is, verandert zijn leven en ook hoe hij als arts wil werken.
Als 17-jarige leest hij een vooroorlogse streekroman die zijn verdere leven zal bepalen. In Dorp aan de rivier leeft Hans Peter Jung mee met huisarts Tjerk van Taeke, de spilfiguur in een Brabants dorp: ‘Vooral zijn interactie met de gemeenschap sprak enorm tot mijn verbeelding.’
Na lezing besluit Jung, tweede kind uit een Nijmeegs gezin waarvan de vader een remonstrantse dominee is, alles te doen om huisarts te worden, ‘ook al deed ik op dat moment eindexamen met een alfapakket’. Die achterstand repareert hij in een tussenjaar. Twintig jaar later, in 2000, oefent hij niet alleen zijn gedroomde beroep uit, maar doet dat net als zijn inspirator in een dorp langs de Maas, ‘aan dezelfde rivier, alleen wat meer stroomopwaarts. Als ik me dat realiseer, krijg ik kippenvel.’
In deze serie interviewt Fokke Obbema voor de Volkskrant mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Nog een parallel met Van Taeke: ook Jung, werkzaam in het Limburgse Afferden, raakt in de loop van zijn carrière gedesillusioneerd. Het zorgsysteem dat hem tot steeds meer consulten dwingt, ontneemt hem zijn werkplezier: ‘Toen ik in 1995 begon deed ik er vijfduizend per jaar, vijftien jaar later waren dat er vijftienduizend, zonder dat ik meer patiënten had gekregen.’ Die verdrievoudiging vloeit voort uit maatschappelijke ontwikkelingen als vergrijzing en ontkerkelijking (‘omdat meneer pastoor is verdwenen, komen mensen met allerlei problemen bij mij’). Maar bovenal houdt hij een ‘perverse prikkel’ in het systeem verantwoordelijk: zijn betaling per consult, waardoor hij ‘productiedwang’ ervaart en zijn werkdruk wordt opgejaagd. Jung besluit daartegen te strijden.
Die strijd heeft veel, zo niet alles te maken met het tweede kind van het echtpaar Jung: hun dochter Robin, geboren in 1996. Haar naam dankt ze aan het roodborstje (robin in het Engels) dat in het kinderboek De geheime tuin van schrijfster Frances Hodgson Burnett rondfladdert. Opnieuw richt de werkelijkheid zich in Jungs beleving naar een boek: ‘Onze dochter bleek meervoudig gehandicapt. Ze was blind, verlamd aan armen en benen, had een ernstige verstandelijke beperking en last van epileptische aanvallen. We hebben ervoor gekozen haar thuis te houden. Dat vereiste een enorm beroep op hulpverleners. In de loop der jaren zijn we dat als haar geheime tuin gaan zien: Robin heeft ons geleid naar een wereld van allerlei lieve mensen die met ons meedachten.’
‘Volkomen, ja. Onze toekomst was totaal onzeker, niemand kon ons iets over haar levensverwachting zeggen. Gelukkig is mijn vrouw Simone tot verpleegkundige voor ernstig gehandicapte kinderen opgeleid. Zij en ik wilden de huisartsenpraktijk met zijn tweeën doen, maar Robin had al haar aandacht nodig. Om onze dochter thuis te kunnen houden, hebben we een enorm systeem van thuiszorg opgezet. ’s Nachts moesten we haar ademhaling in de gaten houden, bij een epileptische aanval kon ze stikken in haar braaksel. Zodra haar ademhaling stokte werd een van ons wakker. Het wonderlijke is dat je een biologisch ritme krijgt waarbij als de een te moe is, de ander wakker wordt. Het was ongelofelijk vermoeiend, we hebben het veertien jaar lang volgehouden.’
‘Op haar 14de is Robin aan een longontsteking overleden. Bij haar uitvaart kwamen voor dit kwetsbare meisje vijfhonderd mensen naar de kerk. Simone had in een boekje alle tweehonderdvijftig hulpverleners genoteerd met wie we te maken hadden gekregen. Tijdens mijn toespraak in de kerk liet ik de tweehonderdvijftig mensen links van het gangpad opstaan om naar de mensen rechts te kijken en daarna andersom. Dat maakte aanschouwelijk hoeveel mensen er voor haar hadden gezorgd, het was bijzonder om dat zo tot ons door te laten dringen.
‘Robins geheime tuin omvatte nog meer: ze bracht ons in een wereld waarin andere dingen belangrijk zijn. Ze was zo zonder oordeel, ze wás. Als ze pijn had, had ze verdriet, maar als ze een van onze stemmen hoorde, of die van onze twee andere kinderen, dan kon ze vrij snel schakelen en werd ze blij. Ze leerde ons hoe kwetsbaar een mens kan en mag zijn.’
‘In eerste instantie dacht ik: nu ontstaat er ruimte. Maar het werd me pijnlijk duidelijk dat ik niet alleen van haar moe was geworden. Ik voelde me klem zitten in mijn werk. Een psycholoog raadde me aan een periode van stilte in mijn leven toe te laten. Uiteindelijk heb ik een jaar niet gewerkt. Wat me hielp was een cursus mindfulness. Die leerde me dat mijn dochter mij veertien jaar lang had getraind in het hier en nu zijn. Als je haar eten gaf, moest je een lepel met een bepaalde druk op haar tong leggen, zodat ze kon slikken. Was ik daar niet helemaal bij, dan kon ze gaan braken of een epileptische aanval krijgen. Hoe moe ik ook was, ik moest in het hier en nu zijn. Tijdens die cursus ontdekte ik niet alleen dat ik die les van haar heb geleerd, ook voelde ik meteen dat het een sleutel was: dit moest ik gaan toepassen, wilde ik weer plezier in mijn werk krijgen.
‘Gemiddeld interrumpeert een dokter zijn patiënt na elf seconden, leerde ik uit de wetenschappelijke literatuur. Een vraag van een patiënt herleidde ik met mijn medisch-reductionistische wereldbeeld tot een medisch probleem – de psychologische en sociale aspecten vertaalde ik daarheen. Dat is hard werken, zeker bij oplopende werkdruk. De les van Robin is om open te leren luisteren naar waar de patiënt echt mee zit. Uit onderzoek blijkt dat als je niks zegt er meestal binnen twee minuten een natuurlijke stilte ontstaat. Dan kan een echte verbinding met de ander ontstaan en kan die zeggen wat hem werkelijk bezighoudt. In de meeste gevallen blijkt het probleem niet medisch, maar bijvoorbeeld ruzie met de buren of geldgebrek. Hoofdpijn en buikpijn hebben vaak geen medische verklaring. Zo leren luisteren heeft tot een heel andere manier van werken geleid, waaraan ik veel plezier beleef.’
‘We hebben het geluk gehad dat we met de zorgverzekeraar een experiment hebben kunnen afspreken waarbij we niet langer werden betaald per consult, maar een vast bedrag per patiënt kregen. Dat leidde direct tot minder werkdruk. Doordat we beter naar patiënten konden luisteren, hoefden ze minder vaak terug te komen. Wat daarbij ook hielp, was het concept van positieve gezondheid, ontwikkeld door gezondheidsonderzoeker Machteld Huber. Daarin draait het om de vraag aan de patiënt: wat wil je bereiken? In de zorg zijn we gewend veel energie te steken in datgene waar mensen vanaf willen. Geef je aandacht aan wat ze willen bereiken, dan krijg je een andere energie, met andere gezondheidseffecten. Ik ben bijvoorbeeld gaan wandelen met een groep diabetespatiënten. Spontaan gingen ze dat vaker doen, met positieve effecten zoals gewichtsafname. Dit is goud, dacht ik.’
‘Nee, net als de dorpsavonden die we zijn gaan organiseren om van burgers te horen: wat zou maken dat u zich gezonder gaat voelen? Dat leidde tot meer dan driehonderd reacties die we in dorpsdagboeken hebben vastgelegd. Daaruit blijkt dat mensen aan verbinding met anderen grote waarde hechten voor hun gezondheid. Ook willen ze trots op hun dorp zijn en vinden ze hun band met hun natuurlijke leefomgeving belangrijk. De rol van de dokter blijkt ondergeschikt, hun gezondheid speelt zich grotendeels buiten mijn gezichtsveld af. Dat vond ik een bijzondere conclusie, want als je binnen het systeem werkt denk je dat het om jou draait. Maar idealiter ben je overbodig.’
‘Zeker. We verwezen zo’n 30 procent minder patiënten naar het streekziekenhuis. Dat werd daar gevoeld, ook al omdat het ziekenhuis door andere oorzaken in financiële problemen was gekomen. Er bleek een reddingsoperatie met betrokkenheid van de Haagse politiek en de verzekeraar nodig. Om die te laten slagen, konden wij niet voor elkaar krijgen wat wij wilden: meer huisartspraktijken in onze regio naar ons voorbeeld laten werken. Ons werd gevraagd weer meer patiënten naar dit ziekenhuis te verwijzen, daarna kon er pas over uitbreiding van ons voorbeeld in de regio worden gesproken. Ik heb toen besloten een artikel over deze gang van zaken te schrijven voor Medisch Contact, het blad van artsen. Dat heeft tot veel ophef geleid, er werden zelfs Kamervragen gesteld. Uiteindelijk leidde het gelukkig tot beter contact tussen ons, de zorgverzekeraar en het ziekenhuis en ontstond er ruimte om te kunnen doorgaan met ons project.’
‘Mijn project heeft de wind in de zeilen gekregen. Vanaf dit jaar krijgt elke huisarts in Nederland meer tijd voor zijn patiënten vergoed. Dat zie ik als een eerste stap in de richting van mijn ideaal: een vaste vergoeding per patiënt per jaar, niet alleen voor huisartsen, maar ook voor ziekenhuizen. Waardoor er voor iedereen minder werkdruk komt en meer werkplezier. Maar mijn ideaal omvat nog meer. Vanuit het idee van positieve gezondheid zet ik me ervoor in dat mensen zich met hun leefomgeving verbinden. Ik hoop dat ze straks trots zijn op hun gezamenlijke moestuin, waardoor ze hun eten niet meer in de supermarkt hoeven te kopen. Dat ze weten hoe belangrijk gezonde voeding is. En dat je op landbouwterreinen loopt met mooie wandelpaden, waar de boeren trots zijn op werk dat niet bedreigend is voor de natuur of de gezondheid.’
‘Het mooie van mijn leeftijd, ik ben nu 60, is dat ik radicaler kan zijn, omdat ik me onafhankelijk voel. Wanneer je jong bent kun je ook wel radicaal zijn, maar ben je ook kwetsbaar, want je weet nog niet waar je terechtkomt. Die zorg heb ik niet. Tegelijkertijd voel ik de innerlijke noodzaak, omdat ik zie hoezeer ons bestaan wordt bedreigd.’
‘Mijn ideeën en plannen zijn soms zo talrijk, en ik voel ook zo’n grote verantwoordelijkheid voor hun uitvoering, dat het inderdaad wel eens beangstigend kan zijn. Er zit een oerkracht in me die er maling aan heeft of ik het wel vol kan houden – ze trekt me mee en ik moet aan haar gehoorzamen. Er zit ook iets van een pitbull in me, ook al kan ik flegmatiek overkomen. Zolang ik ook maar een kleine kans zie, blijf ik me inzetten. Mensen zeggen vaak tegen me: ‘Als ik jou was, zou ik het allang hebben opgegeven.’ De kunst is voor mezelf compassie te blijven voelen en voor mijn gezondheid te zorgen. Die oerkracht wordt gevoed door de overtuiging dat ik het juiste spoor te pakken heb. Ik besef dat mijn idealen niet die van een ander hoeven te zijn, dat is deel van mijn remonstrantse achtergrond, maar ik weet ook zeker: het klopt waar ik voor sta. Ik wil ook niet anders. Dat is mijn belofte aan Robin, in haar laatste dagen. Ik wilde iets doen in mijn leven dat zou duidelijk maken dat haar leven de moeite waard is geweest. Dat is dit verhaal.’
De zeven eigenschappen van effectief leiderschap, Stephen Covey
‘Dit boek leerde mij hoe belangrijk het is goed voor mezelf en mijn naasten te zorgen, als voorwaarde om als huisarts van betekenis te kunnen zijn. Het hielp me te focussen op wat ik belangrijk vind, te onderscheiden wat buiten mijn invloedssfeer ligt en wat ik wel kan veranderen.’
Source: Volkskrant