Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Naast de mens Theo van Gogh, die zich hulde in uitersten, verklaart Jaap Cohen in het vlot geschreven De bolle Gogh ook de filmer. Diens vroegste filmpjes gingen verloren toen een vriendin ze in de gracht mieterde, zo leert de deze week verschenen biografie. Maar Van Goghs eerste lange filmscript over een fatale liefde bleef wel bewaard, Reuma bloedkanker d’attaq. De biograaf: ‘Alleen al het uit elkaar houden van de vele masturbatievisioenen was vrijwel onbegonnen werk.’
Na te zijn afgewezen door de Filmacademie (directeur Anton Koolhaas stelde de aspirant-student voor om eens met een psychiater te praten), maakte Van Gogh alsnog een spetterende entree als regisseur, toen zijn debuutspeelfilm in première ging op de Nederlandse Filmdagen. Luger, met jeugdvriend (en latere vijand) Thom Hoffman in de hoofdrol als een sadistische psychopaat en vrouwenhater, die ook nog twee katjes in een wasmachine propt – goed voor een nationale rel.
Het is een heerlijk opgetekende anekdote: hoe Van Gogh, die het vanwege de premièrezenuwen op een drinken heeft gezet, in 1981 laveloos de verkeerde filmzaal binnenwandelt, in de veronderstelling dat hij daar een nagesprek moet voeren. En die vanaf het podium naar het publiek gilt dat Luger ‘géén fascistische film is!’, terwijl de mensen in de zaal zaten te kijken naar Frans Weisz’ oorlogsdrama Charlotte. Later, als hij alsnog zijn eigen publiek treft, fluimt Van Gogh een kritische redacteur van het filmblad Skoop recht in het gezicht.
Dat hoort niet. Maar als je het allemaal zo leest, ga je toch verlangen naar wat meer rumoer binnen de Nederlandse filmwereld. Zo af en toe mag er best een enfant terrible opstaan.
Cohen maakt inzichtelijk hoe Van Gogh zijn eigen films ook voortdurend ondermijnde, door overal vijanden te ontwaren of bijvoorbeeld echtgenotes van producenten te beschimpen. Medewerkers poogden hem weg te houden van de montage: anders lardeerde de regisseur de boel weer met flauwiteiten en persoonlijke pesterijtjes. Ook ging hij vaak al filmen als het scenario nog rammelde.
Maar soms, als de Grote Scenarioschrijver Hierboven hem gunstig gezind was, viel alles op z’n plek. Zo kreeg Van Gogh kort voor de draaitijd van Blind Date zomaar de dan nog onontdekte dialoogschrijver Kim van Kooten in de schoot geworpen.
In het wrange slotstuk van zijn biografie vult Cohen de laatste gedachten van zijn onderwerp in, als Van Gogh op 2 november 2004 over de Linnaeusstraat fietst. Hoe de filmmaker mogelijk mijmerde over de geplande serie voor de Moslimomroep, of de door Ronald Giphart geschreven ‘lesbische roadmovie’, zijn volgende film.
Misschien kan de NPO weer eens wat films van Van Gogh uitzenden: Een dagje naar het strand, Blind Date, Interview. Of op het eigen platform plaatsen. Nu is daar niks van de cineast te zien, en dat is zonde.
Source: Volkskrant