Van oma zou ik haar gouden tientje erven. Is later voor jou, zei ze altijd, zeker twintig keer heeft ze het tegen me gezegd, en altijd glimlachte ik flauwtjes, alsof aards bezit me onverschillig liet, terwijl oma verbaasd naar mijn onderlip wees, waaraan een meterslange draad van zever was komen te hangen.
‘Wat glinstert daar?’
‘O, een vloeibare stalactiet, oma. Zeg maar een softijspegel.’
Na oma’s overlijden heb ik niets meer over haar gouden tientje vernomen. Gelukkig ben ik schrijver geworden, schrijvers hebben liever teleurstellende verhaaltjes, dan zo’n fucking Willemientje.
‘Het zit wel diep, anders. Je hebt het heel vaak over dat tientje.’
‘Dagelijks?’
‘Wekelijks.’
Van opa erfde ik wel iets, zijn haar. Nou ja, niet zijn haar zelf, voor in een medaillon, en ook niet de worteling ervan, die matig tot slecht was. Vanaf zijn vijftigste had opa het kapsel van Lambik, de befaamde stripheld, te weten: boven elk oor drie haartjes.
‘Wat dan wel,’ vraagt mijn vriendin Jet. Ik toonde haar ooit een pasfotootje van mijn opa, en wat ze mompelde was: ‘Tony Soprano.’ Leek hij wel een beetje op, ja. Sindsdien is ze bang voor de man, en meer nog voor de doorwerking. ‘Net als jouw opa ben jij een slechte man…’ prevelt ze wanneer ik in de studeerkamer een paardenhoofd sta af te zagen.
Wat wel? Kleurvastheid. Een niet te onderschatten feature. Alle zes zijn haren bleven gitzwart, tot aan zijn negentigste. Voor de lol gaf ik wel eens een klets op de badmuts, en zei: ‘Nog steeds niet grijs, opa!’
Het is een zegen, haar dat als een kwaliteitspantalon van de Peek & Cloppenburg ook na drieduizend wasbeurten zijn diepglanzende mahoniehouten kleur behoudt. Buwalda verft het, luidt het officiële jaarclubstandpunt. Ook in die zin heb je niks aan g’noten. Kan ik het net zo goed verven, als ze toch denken dat ik het verf. En misschien ga ik dat ook wel doen, preventief, net als Elvis.
Qua haar hebben de g’noten me lang geleden eens flink de stuipen op het lijf gejaagd. We reden terug van een jaarclubweekend, doorgaans slopende uitjes. (Die keer hadden we op Texel gekampeerd, in een kuil, zo bleek toen we ‘s nachts wakker werden in een bassin, en we hollend door de wolkbreuk met onze matrasjes naar het toiletgebouw renden, waar we half in de wc’s gingen liggen, om er een paar uur later alweer door boze boeren uitgesleept te worden.) Ik zat voorin, en bepaalde g’noten op de achterbank plukten aan mijn kruin. ‘Ai Buwalda’, zeiden ze, ‘o jee, oeps, het begint, de maan schijnt door de bomen, jongen, een kale plek, over een jaar ben je kaal, oei, oei.’
Geen leuke grapjes.
Maar nu heb ik een baard in aanplant. Leek me wel eens leuk, een baardje.
Maar wat gebeurt er? De baard is grotendeels wit. Mijn snor niet, die is zwart, een derde wenkbrauw, welkom, maar alles eronder: kabouterwit. Over een week lijk ik op Jan Slagter, en moet ik snel door, maar dan op Karl Marx, snel weer door, en ten slotte op ZZ Top.
Wat heeft dit te betekenen? Rukt de vergrijzing al tijden, zonder dat ik het doorhad, onderhuids op? Ik heb erover nagedacht, vanaf mijn tarzangladde borst, zou dat kunnen, concentrisch, zoals de moffen na 1941. Maar dan zijn ze er bijna. Voor de Pasen mijn schaamhaar én de berenmuts zelf!
Source: Volkskrant columns