Home

Voor heroïne waren we vroeger te jong en te schijterig, maar er was één meisje bij dat alles durfde

Ik ging naar het Stedelijk Museum in Amsterdam om Nan Goldin te zien, en dan vooral haar Ballad of Sexual Dependency, een diavoorstelling met muziek, waarin ze haar vriendenkring portretteert van de late jaren zeventig tot in de jaren tachtig, in New York en Berlijn.

Het was een aangrijpende vertoning. Op de een of andere manier had Goldin haar bonte verzameling vrienden zo ver gekregen dat ze zich onbeschroomd lieten portretteren bij alles dat ze indertijd zoal deden; niet alleen schaken, slapen, pissen, douchen, roken en drinken, maar ook neuken en heroïne spuiten. Een groot deel van die mensen zou kort daarop sterven aan aids.

Over de auteur

Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Dat klinkt grimmig, en dat was het ook, maar mijn allesoverheersende gevoel bij het bekijken van die dia’s was toch vooral herkenning en heimwee. Het was fijn om weer eens mensen te zien met vet haar, magere en/of slappe lichamen en slordige gebitten op afgeleefde meubels in vunzige cafés. In dat verduisterde zaaltje kon ik weer bijna ruiken hoe het leven toen rook.

Ik ben tien jaar jonger dan Goldin, dus toen zij haar foto’s maakte was ik in mijn tienerjaren. Ook mijn vrienden en ik waren smoezelige jongelui die zwaar rokend in kroegen hingen. Alleen van ons maakte niemand foto’s, want fotograferen was indertijd duur, en voor dat geld kochten we liever drank en drugs.

Drugs, dat wil zeggen hasj en wiet, want voor heroïne waren we te jong en te schijterig. Maar er was één meisje bij dat alles durfde: Sandra, een pezig punk-vampje met woeste ambities. Al gauw verruilde ze haar gymnasiumvriendjes met hun gratuite weltschmerz voor oudere, ruigere jongens. Ze begon heroïne te gebruiken en verdween van de radar.

Toen ze een paar jaar later weer opdook had ze aids. Dat was toen nog een mysterieuze ziekte, waarvan de besmettelijkheid niet helemaal duidelijk was. Sommige mensen durfden een patiënt niet eens aan te raken. Mijn vrienden en ik vonden die mensen dom en bekrompen. Terwijl Sandra steeds zieker werd, bleven wij met haar omgaan als voorheen.

Maar op een dag, een paar maanden voor haar dood, bood Sandra mij een slok aan uit haar glas bier. Ik aarzelde, maar ik wilde niet kinderachtig zijn. Ik nam het glas aan, draaide het een kwartslag zodat mijn mond niet met haar speeksel in aanraking zou komen, en nam toen pas een slok.

Aan haar wrange glimlach zag ik dat ze me doorhad. Het is maar goed dat Nan Goldin niet in de buurt was om een foto van ons te maken, want ik schaam me er nog steeds voor.

Source: Volkskrant

Previous

Next