Home

Waarom het zo vaak fout ging met zaaddonorbanken en 'sjoemeldoktoren'

Samenvatting gemaakt met behulp van AI.

Deze week werd bekend dat de administratie van de donorbank van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) niet op orde is. De donorbank was tot 2004 actief. Van zeker tachtig donorkinderen is niet duidelijk wie hun donorvader was. Daarnaast konden negen spermadonoren meer biologische kinderen verwekken dan de grens van 25. LUMC-topman Martin Schalij wil een landelijk onderzoek.

Een week daarvoor kwam naar buiten dat een medewerker van een vruchtbaarheidskliniek in Leiden tussen 1979 en 1984 zijn eigen zaad heeft gebruikt voor behandelingen. De man kan zich aansluiten in een rij van beruchte 'sjoemeldoktoren'.

Dat klopt. En dat heeft alles te maken met het feit dat in 2004 een wet voor zaaddonatie is ingevoerd: de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Tot 2004 waren er wel afspraken en ongeschreven regels door de beroepsgroep waren opgesteld, maar geen wet om onwenselijk gedrag te bestraffen.

De wet maakte een einde aan de zogenoemde 'donoranonimiteit'. Tot 2004 hadden donorkinderen geen recht op informatie over hun donorvader. De wet regelde dat registratie van donoren verplicht werd en ook kon worden opgevraagd door donorkinderen. Daarvoor werd de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (SDKB) door de overheid opgericht. Via de stichting kunnen donorkinderen gegevens over hun donorvaders opvragen.

Vóór de jaren negentig was er een groot taboe op mannelijke onvruchtbaarheid en daarmee ook op oplossingen daarvoor, zoals spermadonatie. De algemene opvatting was dat je donorkinderen niet met dat soort informatie moest lastigvallen.

Dat is ook waarom veel van de sjoemeldoktoren in die periode actief waren. Beschermd door donoranonimiteit en zonder groot risico op strafrechtelijke vervolging konden ze hun gang gaan, ook al was wat ze deden wel degelijk tegen de regels. De Leidse sjoemeldokter had bijvoorbeeld een genetische aandoening.

Veel van die beruchte sjoemeldoktoren, die vaak tientallen kinderen illegaal verwekten, kwamen pas de afgelopen jaren in het nieuws. Dat komt doordat steeds meer donorkinderen sinds 2017 via internationale DNA-banken op zoek gaan naar genetische verwanten.

Die DNA-banken kunnen uitgebreide stambomen opstellen en verwanten terugleiden naar een gemeenschappelijke voorouder. Soms komen ze door middel van meerdere DNA-matches zo een sjoemelarts op het spoor.

Door gebrek aan (goede) registratie van donorgegevens zijn veel archieven van spermabanken tot 2004 hoogstwaarschijnlijk nog altijd onjuist en onvolledig. Stichting Donorkind en expertisecentrum Fiom lieten dinsdag weten dat de chaos in de Leidse archieven vermoedelijk "het topje van de ijsberg" is.

LUMC-topman Schalij waarschuwde zelfs dat sommige archieven en dossiers van ná 2004 mogelijk ook niet op orde zijn. Toch heeft de wet uit 2004 een hoop opgelost. Want doordat donoren hun gegevens moeten achterlaten, wordt sjoemelen moeilijker en worden archieven veel nauwkeuriger bijgehouden.

Expert- en belangenorganisaties als Fiom en Stichting Donorkind wijzen op enkele punten waar de huidige wet tekortschiet. Ze noemen als belangrijkste voorbeeld het belang van centrale registratie van donorgegevens.

Nu houdt de SDKB de gegevens per zaaddonorbank bij. Maar het is niet wettelijk geregeld dat de stichting alle gegevens van alle banken bij elkaar mag voegen. Daardoor kunnen zaaddonoren nog altijd bij meerdere spermabanken tegelijk doneren, waardoor ze in totaal veel meer kinderen verwekken dan de toegestane 25 per donor.

Er ligt een wetsvoorstel dat de SDKB de mogelijkheid biedt om alle donorgegevens centraal te registreren. In 2021 was dat voorstel al klaar, maar het is nog altijd niet behandeld door de Tweede Kamer.

Ook moet het nieuwe voorstel de donorlimiet wettelijk vastleggen. Nu is de grens van 25 kinderen per donor nog een richtlijn die spermabanken volgen. In het wetsvoorstel wordt een limiet van twaalf vrouwen per donor voorgesteld.

De grens is op 25 gesteld om de kans op inteelt zo klein mogelijk te maken. Als twee mensen dezelfde donorvader hebben, hebben ze mogelijk ook dezelfde genetische eigenschappen van hem geërfd. De kans dat ze die doorgeven aan een kind dat ze samen krijgen, is groter dan wanneer de partner niet verwant is.

Naast de huidige mazen in de Nederlandse wet ontbreekt er ook Europese regelgeving om te voorkomen dat zaaddonoren in verschillende landen kinderen kunnen verwekken. Nederlandse spermabanken gebruiken veel zaad uit andere landen, bijvoorbeeld uit Denemarken, omdat er een tekort is aan Nederlandse donoren.

Maar een spermabank in Denemarken kan het zaad van één persoon ook leveren aan andere landen, zoals België of Duitsland. Daardoor bestaat de kans dat één persoon alsnog een heleboel kinderen verwekt.

Source: Nu.nl algemeen

Previous

Next