Antwerpen was leeg en koud, vermoedelijk horen steden leeg en koud te zijn in januari. Ik was hierheen gegaan om mee te werken aan een spektakelshow over vluchtelingen. Het theater van de politiek kan het best met andersoortig theater worden bestreden. Ik heb me nooit te goed gevoeld voor circus.
Mijn zoontje had ik meegenomen. Hij wilde zien hoe papa werkte, na twee minuten had hij genoeg gezien.
Op een avond stond ik op het punt met hem onze kamer in hotel Banks te verlaten om iets te gaan eten – hij had een liefde voor schelpdieren ontwikkeld – toen ik tegen hem zei: ‘Papa moet nog even plassen.’
Hij begon te krijsen. ‘Papa, niet plassen’, riep hij alsof dit het ergste was wat hem al die tweeëneenhalf jaar was overkomen. Ik plaste toch. Het krijsen nam toe. Telkens herhaalde hij ‘papa, niet plassen.’
Ik dacht: zo kan ik niet met hem naar buiten.
De buren beukten op de muur, het hotel was goed maar gehorig.
De jongen bleef krijsen: ‘Papa, niet plassen.’
Ik riep: ‘Papa zal voorlopig niet meer plassen.’ Ook deze belofte hielp niet.
Ik riep: ‘Zo kun je nooit meer mee op reis. Ik breng je naar een kindertehuis.’
Hij bleef die ene zin krijsend herhalen. Waanzin. De buren aan de andere kant waren ook met bonzen begonnen.
Na anderhalf uur viel hij op mijn schoot in slaap. Zo bleef ik uren met hem zitten. Toch met een gebroken zelfbeeld. Geen beheerste maar een onmachtige ouder. Een ouder die niet kan eten wanneer hij wil eten. Enfin, het kan erger.
Ik wilde hem om vergiffenis vragen voor dat kindertehuis, maar ik begreep dat zwijgend vasthouden beter was.
Midden in de nacht werd hij wakker. Kalm zei hij: ‘Papa, ik wil een boekje lezen.’
Dat hebben we toen maar gedaan.
Source: Volkskrant