Na de burgeroorlog in Sierra Leone was er niets meer over van de eens zo rijke vertelcultuur in het West-Afrikaanse land. Maar met een voor iedereen herkenbare voorstelling over het chaotische openbaar vervoer weet Wan Roof Theater weer volle zalen te trekken.
‘Hingggggg, hing, hing, hing, hing’, sputtert de motor van het volgepropte minibusje. De lange reis van provinciestad Makeni naar de Sierra Leoonse hoofdstad Freetown is nauwelijks begonnen of de pastoor staat al op om een preek af te steken, zwaaiend met zijn bijbel. Als de jonge pastoor de andere passagiers een bijdrage ‘for the ministry’ aftroggelt, om die met een tevreden blik in zijn broekzak te steken, stijgt gelach op in de zaal.
Voor het publiek is het niet zomaar een drukkend warme zaterdagavond. In plaats van hangen in het theehuis, voetbal kijken in het café of dansen op afrobeat-hits, wonen deze jongeren uit Makeni voor het eerst in hun leven een theatervoorstelling bij. Als regisseur Bilal Jalloh de zaal vraagt wie er weleens ‘drama’ heeft gezien, gaan een paar handen aarzelend de lucht in. Bij doorvragen blijkt dat ze Nigeriaanse televisieseries bedoelen.
Over de auteur
Carlijn van Esch is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze woont en werkt in Sierra Leone.
In de jaren tachtig had Sierra Leone een levendige theatercultuur, maar die is, net als veel andere kunstvormen, volledig ingestort. Politieke repressie en een diepe economische crisis vormden de opmars voor een verwoestende burgeroorlog, die tussen 1991 en 2002 aan 50 duizend mensen het leven kostte en de helft van de bevolking op de vlucht deed slaan. Bijna alle theaters en cultuurhuizen brandden af, om nooit meer te worden herbouwd.
Theatergroep Wan Roof wil het Sierra Leoonse theater nieuw leven inblazen en jonge mensen een platform geven om maatschappelijke problemen te bespreken. Poda Poda is pas hun tweede toneelstuk, maar trekt al volle zalen. Na een tiental optredens in de hoofdstad trekt de groep het land in. Iedereen is welkom, ‘pay as you can’, luidt de uitnodiging.
In de witte balzaal van het Wusum Hotel, waarvan het met palmbomen omgeven zwembad en de gesloten nachtclub aan betere tijden herinneren, zitten voornamelijk tieners in schooluniform en twintigers in flitsende uitgaanskleding (compleet met zonnebril). Zelfs de 32-jarige Ishmael Koroma kent theater alleen van horen zeggen. ‘Vroeger kwamen rondreizende theatergroepen naar ons dorp. Men zegt dat het hele dorp dan kwam kijken’, vertelt hij.
‘Verhalen vertellen, theater en muziek vormden een belangrijk onderdeel van de Sierra Leoonse cultuur’, zegt theatermaker Charlie Haffner (71) op een schoolplein in een armere wijk van Freetown. Hij bezoekt jaarlijks zo’n vijftig scholen met zijn groep de Freetong Players, in 1985 opgericht om theater in Sierra Leone te professionaliseren. ‘Theater was overal waar mensen samenkwamen. Mensen gingen gewoon bij elkaar zitten, sommigen traden op, andere mensen deden mee.’
Tijdens de oorlog ontvluchtte hij het land om bij terugkeer te ontdekken dat theater uit de samenleving was verdwenen. ‘Er waren zoveel mensen ontheemd geraakt, zoveel mensen gevlucht of gedood. Mensen waren hun eigen gemeenschap kwijt’, vertelt Haffner terwijl gillende kinderen om hun heen zwermen om zijn dreadlocks en schelpen armbandjes te bewonderen. ‘We moesten weer helemaal opnieuw beginnen.’
De Sierra Leoonse burgeroorlog is berucht vanwege de enorme schaal waarop geweld tegen de gewone bevolking gepleegd werd. Legerfacties en rebellengroepen plunderden en verwoestten ontelbare dorpen en maakten zich schuldig aan amputaties, verkrachting, ontvoering en moord. Hierbij werden bovendien ruim tienduizend kindsoldaten ingezet.
Na de oorlog ging alle aandacht uit naar de fysieke wederopbouw van scholen, wegen en ziekenhuizen en het aanzwengelen van de economie. Veel minder aandacht was er voor de psychische gevolgen van de oorlog, voor het herstel van het onderlinge vertrouwen en de culturele tradities die de samenleving van oudsher hielpen functioneren. Onderzoek toont aan dat zowel slachtoffers als daders tot op de dag van vandaag worstelen met trauma en depressie, terwijl er nauwelijks over de oorlog wordt gepraat.
Juist daarin ziet Haffner een grote rol voor theater weggelegd. ‘Theater is een instrument voor educatie, voor verandering, voor vrede. Als je over tienerzwangerschappen wilt praten, moet je het verwerken in een optreden. Zo werkt onze cultuur.’ Zijn voorstelling voor honderden kinderen opeengepakt in een krappe ruimte – de school heeft geen aula – gaat over de geschiedenis van Sierra Leone en de burgeroorlog, over ongesteldheid, goed gedrag op school en meer. Sommige leerlingen hebben een rol in het optreden.
Zelf ontdekte Haffner theater op school, maar het is geen onderdeel meer van het curriculum. Hij geeft docenten dramales, zodat zij weer theatergroepjes kunnen opzetten. Volgens Haffner is het probleem niet dat de bevolking geen interesse heeft in theater, maar dat de regering het belang ervan niet inziet. Sierra Leone heeft geen ministerie of overheidsbeleid op het gebied van kunst en cultuur. ‘Maar een land dat zijn eigen cultuur verwaarloost, is als het bouwen van een huis op los zand.’
Beginnende groepen als Wan Roof Theater lopen mede daardoor tegen allerlei obstakels aan. ‘Het is moeilijk om mensen te vinden die iedere repetitie komen opdagen’, vertelt co-regisseur Carlos Velazquez (36). ‘Je moet elke dag je eten zien te vinden, er zijn hier zoveel dagelijkse problemen die je aandacht opeisen en repetities naar de achtergrond duwen.’ Het zou helpen als acteren brood op de plank zou brengen, maar in een van de armste landen ter wereld is dat een utopie.
Ook lukt het nauwelijks om plekken te vinden om te repeteren en op te treden. ‘Er is geen ruimte voor kunst in Freetown’, zegt James Fortune (26), die de rol van onbeschofte buschauffeur speelt. Het recent herbouwde stadhuis is officieel bedoeld voor optredens, maar de huurprijs bedraagt 15 duizend (ruim 600 euro). Zonder grote sponsoren is dat onbetaalbaar aangezien het gemiddelde publiek maar een paar leones entree kan ophoesten.
Tot slot zijn er nog veel technische beperkingen. Het toneelstuk Poda Poda bestaat eigenlijk uit één akte: een ritje in het bekende minibusje, voor veel mensen de enige betaalbare optie om van A naar B te komen. De enige decorstukken zijn een tiental stoelen, in rijtjes opgesteld om de bankjes van de bus uit te beelden. Toch waant het publiek zich direct in zo’n vrolijk beschilderd busje, met tassen, meubelstukken, trossen bananen en geiten op het dak gebonden.
Sommige scènes zijn door herhaaldelijke stroomuitval enkel verlicht door telefoons, maar ook dat kan het publiek niet deren. ‘Het was fantastisch! ‘Het scenario is vermakelijk, grappig en leerzaam ineen’, reageert de 25-jarige Umar Barrie als het applaus is uitgedoofd. Hij heeft alvast besloten om volgend jaar auditie te doen. Ook Aminata (12) vond het ‘heel erg grappig’. ‘Ik wil vaker dit soort optredens zien.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden