Ik heb een zwak voor de metro, want die brengt je razendsnel naar plaatsen waar je doorgaans nooit komt. Dan zie je weer eens wat anders dan je eigen bakker op de hoek, bijvoorbeeld de bakker op iemand ánders’ hoek.
Zo belandde ik in Amsterdam-Noord, door het IJ gescheiden van de rest van de stad. Dat IJ was een soort Styx voor hoofdstadbewoners, die Noord vaak alleen kenden van horen zeggen, tot de Noord-Zuidlijn de voormalige Hades opeens heel dichtbij bracht. Je hóórde de huizenprijzen stijgen, een urgent, tikkend geluid, als een verwarmingsbuis op een koude winterochtend.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Ik liep het zogeheten Vliegenbos in. Dat is een wat onfortuinlijke naam, al gaat het hier niet om insecten, maar om een keurige ingenieur, Willem Vliegen, die het bos zowat een eeuw geleden aanlegde om de arbeiders te verheffen, in een tijd dat arbeiders nog verheven wilden worden. Nog mazzel dat die man geen Wespen, Spinnen of Processierupsen heette trouwens.
Ik stuitte op een verlaten camping. In het zeiknatte gras stonden lege blokhutten met kale stapelbedden, de kranen in de openbare wc gaven geen water en eetcafé ‘The Roundabout’, (‘tosti boerenkaas met pesto € 5,50’) was dicht en donker.
Niet zonder beklemming sjokte ik over het drassige terrein, toen ik achter me een dringend miauwen hoorde, gevolgd door zacht gestomp tegen mijn knie. Een kat! Een mooie, grijsgestreepte kat, die mijn been kopjes gaf alsof hij jaren aan kopjes moest inhalen, zijn staart als een antenne in de lucht.
‘Hee, poes’, zei ik stompzinnig. Bij wijze van antwoord verhevigde het dier zijn kopjesoffensief: hij nam er aanloopjes bij, als een stier die een torero aanvalt. Het begon te regenen. De druppels glinsterden in de kattenvacht, maar hij wist niet van ophouden. Kopje, kopje, kopje... ‘Ik moet verder, hoor’, zei ik, en voegde de daad bij het woord, waarop hij, onder klaaglijk gemiauw, achter me aanliep. Zijn gezichtje stond verontwaardigd. Ik tilde hem op en hij begon ronkend te spinnen.
‘Ben je helemaal alleen? Wil je mee naar huis?’, vroeg ik. Ik zag me al zitten, in de metro met een poes op schoot. Hoe zou ik hem noemen? Vlieg? Toro? Metro? Hades? De kat kneep zijn ogen genoeglijk dicht en het tweetaktmotortje in zijn keeltje knetterde, tot hij opeens verstrakte en uit mijn armen sprong, de bosjes in.
Even later verscheen hij weer, met een muis in zijn bek, die hij krakend verslond. Mij keurde hij geen blik waardig meer. Ik moest alleen naar huis. Dat was trouwens maar goed ook: mijn eigen katten hadden me zien áánkomen.
Source: Volkskrant