Home

‘Zelfs bij doden is soms niets wat het lijkt’

‘Ik liep stage bij de Rijkspolitie op het bureau in Vries, een dorp tussen Assen en Groningen. Daar logeerde ik in een mooi, oud hotel aan de Brink. Op een nacht belde de meldkamer me wakker: ik kon mee naar een ernstig ongeval met minimaal twee zwaargewonden.

‘Snel kleedde ik me aan en wachtte buiten op de stoep in de regen. Het was donker en vies weer, het stormde, het was koud. Rond 2 uur ’s nachts kwam er een Volkswagenbusje aan scheuren, met de zwaailichten aan. Twee collega’s haalden me op. We reden richting Norg, waar een auto uit de bocht was gevlogen. Een voorbijganger had de politie gebeld.

‘Wij kwamen als eersten aan. Een Opel was over de kop gevlogen en lag op z’n zijkant rond een boom gekronkeld. We renden ernaartoe, het zag er ernstig uit. Op de achterbank zat een man vreselijk te gorgelen, alsof er bloed in zijn keel zat. Voorin hing iemand bewegingloos over het stuur. In de verbrokkelde voorruit zat een bult waar duidelijk iemand van binnenuit loeihard met zijn hoofd tegenaan was geknald.

‘Mijn collega’s bevoelden de polsen van die inzittenden, op dat moment kwam de ziekenwagen eraan. Een van de twee ambulancemedewerkers liep naar die man voorin en zei vrij snel: ‘Deze is overleden.’ Toen haalden ze de man achterin die nog leefde uit de auto, legden hem op een brancard en voerden hem af.

‘Het was mijn eerste dode – die vergeet je nooit. In de Volkswagenbus belde een van mijn collega’s onze groepscommandant: ‘We hebben een dodelijk ongeval.’ Ik dacht: waarom bel je die ouwe uit bed? Deze man is toch dood? Daar is toch niks meer aan te doen?

‘Tegelijk met de groepscommandant arriveerde ook een lijkwagen, met zo’n grijze, polyester doodskist. Het regende, het stormde, ik stond daar in mijn dunne regenjasje en dacht: inpakken en wegwezen.

‘Maar nee, de groepscommandant keek naar die dode en zei: ‘Bel de technische recherche maar.’ Ik dacht: waarom? Het gaat een eeuwigheid duren voordat die er zijn en onderzoek hebben gedaan, en het is al zo koud. Ondertussen veegde ik het glas op, en stortte het zand weer terug in de berm. Mijn collega’s tekenden een situatieschets op papier.

‘Tegen 4 uur ’s nachts kwamen er twee technisch rechercheurs. Zij maakten foto’s, namen vingerafdrukken van het stuur en van die dode, onderzochten die hele bende en toen ze klaar waren, zeiden ze: ‘We hebben genoeg materiaal, wat ons betreft kan hij weg.’

‘Samen met een collega en die begrafenisondernemer moest ik de dode optillen en in de kist leggen. Het was voor het eerst dat ik een dode aanraakte, dat maakte grote indruk. Zij pakten hem bij zijn lijf, ik bij z’n benen. De begrafenisondernemer deed het deksel op de kist en reed ermee weg.

‘Op de terugweg zei ik tegen mijn collega’s: ‘Waarom moest die ouwe worden gebeld, en vervolgens ook nog die rechercheurs met hun hele procedure?’ Een van hen reageerde: ‘Niets is wat het lijkt, jongen.’ Ik vroeg: ‘Wat bedoelt u?’ En hij antwoordde: ‘Die vent die achter het stuur zat, heeft niet gereden.’

‘Ik was verbijsterd. Wat bleek nou? In die Opel zat, tussen de twee stoelen voorin, zo’n tunnel met een versnellingspook. Die collega had gezien dat een been van de man die achter het stuur zat, over die tunnel bungelde. ‘Dat is onmogelijk’, zei hij. Bovendien had die dode zijn nek gebroken, maar die bult in de versnipperde ruit zat aan de bijrijderskant, niet bij het stuur.

‘Later hoorde ik van de recherche dat het ging om twee zwagers, die tijdens een vrijgezellenfeest flink dronken waren geworden om het aanstaande huwelijk te vieren van de man die uiteindelijk dood over het stuur lag. Ze hadden geen vingerafdrukken van de dode gevonden op het stuur of de versnellingspook, maar wel van de man die achterin zat. Die heeft bekend dat hij zijn zwager achter het stuur had gelegd en zelf achterin was gaan zitten, om niet te worden beschuldigd van zijn dood.

‘De uitspraak ‘Niets is wat het lijkt’ is me altijd bijgebleven. Vooral toen ik hoofd was van het Rampen Identificatie Team. Daar werden geregeld mensen aangemeld als zijnde dood of vermist, terwijl ze nog leefden of zich ergens schuilhielden. Meestal had dat met belastingschuld of verzekeringsgeld te maken. Dat vergt gedegen onderzoek.

‘Van dit ongeval heb ik geleerd dat je altijd honderd procent zeker moet zijn van een doodsoorzaak, ook als er bijvoorbeeld vier verbrande lijken in een auto zitten. Hoewel het niet terecht is, heb ik daardoor meer begrip gekregen voor het ongeduld van nabestaanden of van journalisten, als ze niet begrijpen waarom het onderzoek naar een dode vaak langer duurt dan ze verwachten. Omdat ik dat die nacht in Norg zelf heb meegemaakt.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next