Home

Abel van Santen is 100: ‘Ik heb gezien dat de bijstandswet hele generaties heeft verpest met nietsdoen’

Abel van Santen is 100 jaar. Hoe kijkt de Groninger, die zijn leven lang bij de sociale dienst werkte, terug op de eeuw die achter hem ligt?

Abel van Santen is een gepassioneerd verteller. Op YouTube circuleren filmpjes waarin hij schoolkinderen in Groningen vertelt over de Tweede Wereldoorlog, uitlegt waarom hij zich laat vaccineren tegen corona, en hoe hij 100 wist te worden (spoiler: ‘Er is geen geheim’). Bij het bezoek van de locoburgemeester van Groningen op zijn 100ste verjaardag deed Van Santen haar de suggestie haar oor vaker te luister te leggen bij ouderen, met hun levenservaring. ‘Als je raad nodig hebt, kom je maar langs’, klonk het genereus.

‘Dat zij niet bepalen hoe ouderen moeten wonen, maar zich afvragen: wat willen ouderen zelf? Geef ze inspraak en verantwoordelijkheid. Waar ik sinds kort woon zijn verschillende woonblokken: een voor zelfstandig wonende ouderen, een voor dementerenden, een villa met een privékok, alles kan. Ik zit hier in een appartement zonder medische indicatie, ik moet zelf voor eten, onderhoud en hulp zorgen.’

‘Dat is precies wat ik bedoel. In de serviceflat waar ik toen woonde, moest je de warme maaltijd afnemen van de cateraar die de directie had uitgekozen. Je mocht niet eens je eigen potje koken. Dat eten vond ik niet lekker, daarom liet ik maaltijden van een andere cateraar bezorgen. De directie verbood dat en legde een boete van 500 euro op voor elke dag dat ik bij een andere cateraar bestelde – ze sleepte mij zelfs voor de rechter toen ik die boete weigerde te betalen. Het werd een rel tot in het absurde. Het kwam op tv en er werden zelfs vragen over gesteld in de Tweede Kamer. Op een gegeven moment zat ik te bridgen toen ik een stoet scooters zag komen aanrijden met pizza’s: een steunbetuiging van de ouderenbond Anbo aan alle bewoners die zelf wilden bepalen wat ze eten. De wethouder van Groningen organiseerde een bemiddelingsgesprek. Daarna hoorden we niks meer, en konden we doen en laten wat we wilden.’

‘Het ging mij er simpelweg om dat ik zelf wil kunnen bepalen wat ik eet. Het betuttelen van ouderen moet stoppen.’

‘Als een eerlijke jongen, die niet van smoesjes houdt. Ik erger mij gauw, maar alleen aan dingen die essentieel zijn, zoals onrecht en een man die met mijn vrouw flirt. Doordat ik mij erg kan opwinden, ben ik een maagpatiënt geworden. Ik ben geopereerd en heb nog een halve maag.

‘Ik heb altijd bij de sociale dienst gewerkt en heb de verzorgingsstaat zien groeien, nieuwe wetten zien komen, zoals de Algemene Bijstandswet. Je zult zo wel horen hoe ik daar ben terechtgekomen.’

‘Ik was de jongste van zes kinderen. Mijn vader werkte bij het gerecht. Hij droeg een uniform en moest gevangenen die werden voorgeleid uit de gevangenis ophalen en naar de rechtbank vervoeren. Hij zat achter op de boevenwagen, twee paarden liepen voorop. Mijn ouders waren apolitiek, lazen geen krant en er werd in ons gezin nooit gediscussieerd. We gingen nooit op vakantie of uit eten. Dat was normaal.

‘Toen ik 14 jaar was, zag ik voor het eerst een auto door de straat rijden. Vol bewondering rende ik erachteraan. Als jongere was je gezagsgetrouw. Je was als de dood voor een politieagent. Je kreeg al een bekeuring als je op het gras liep of als het achterspatbord van je fiets niet wit was.’

‘Op een dag, ik was 18 en zat op de hbs, zei mijn vader: ‘Ga niet naar school, want ze gaan alle jongens oppakken.’ Hij was goed op de hoogte, hij zat dieper in de ondergrondse dan ik kon vermoeden. In 1943 kreeg ik een brief: ik moest om 21.00 uur ’s avonds bij de trein staan. Als ik niet zou gaan, zouden ze mijn vader oppakken. Ik moest werken in een machinefabriek in Hamburg, waar ik de hele dag gaten in ijzeren blokken moest boren, rotwerk. Ik sliep met meer dan honderd man in de kelder onder een soort herberg, in stapelbedden van wel vier hoog. In de avond gingen we soms naar de rosse buurt St. Pauli, met rode oortjes liep ik daar rond. Als je 19 of 20 bent denk je een grote jongen te zijn, maar tijdens de vele bombardementen was ik heel bang.

‘Toen ik thuiskwam voor twee weken verlof, bleek dat mijn vader een onderduikadres voor mij had geregeld. 1,5 jaar lang, tot het einde van de oorlog, heb ik ondergedoken gezeten op een kamertje van 2 bij 2. Ik heb in mijn leven nooit zo veel roomboter gegeten als in die tijd; het verzet had die buitgemaakt.’

‘En nu ga ik er wat van maken na al die gemiste jaren, dacht ik, waarin ik niet ongedwongen met leeftijdgenoten had kunnen omgaan, puberstreken had kunnen uithalen en geen meisjes had leren kennen. Ik zat stikvol energie. Maar ik wist niet wat ik wilde worden. Ik meldde mij als vrijwilliger voor het leger in Nederlands-Indië. Ik had gehoord dat Nederlandse soldaten daar door misdadigers werden vermoord. Ik wilde ze verdedigen. Met zo’n achthonderd man in het ruim van een schip voeren we naar Indië. De stank in het ruim was enorm, iedereen deed daar zijn behoefte.

‘Indië werd één grote teleurstelling. Al die tijd heb ik mij mateloos geërgerd. We kregen geen uniform en er waren zelfs geen wapens. Moesten we met stokken vechten in de jungle?! Ik ga geen enkele gruweldaad van Nederlandse soldaten goed praten. Ik kan van mijzelf zeggen dat ik nooit in zo’n situatie ben geweest. Normale jongens van de straat, zoals ik, gingen er niet heen als moordenaars.

‘Na drie jaar ben ik teruggekeerd naar Nederland. Toen kwam de volgende frustratie: ik ging werk zoeken, maar werd nergens aangenomen omdat ik als soldaat in Indië was geweest. Het arbeidsbureau in Groningen bood mij een baan aan bij de sociale dienst, dat was iets nieuws. Na de oorlog ontstond een beweging die een maatschappij wilde zonder werkloosheid: een hemel op aarde dus. Ik nam de baan aan, ik moest toch wat.’

‘De eerste vijftien jaar zat ik bij de buitendienst. Elke aanvraag voor steun werd onderzocht. Nu is het: eerst betalen, dan terughalen. Wie in de jaren vijftig steun vroeg, moest eerst zijn familie om geld vragen, dan instanties als de kerk en Humanitas en pas als dat allemaal niks opleverde, kon je bij de sociale dienst aankloppen. Steun was een gunst. Het waren vaak grote gezinnen met een werkloze vader. Ik correspondeerde met familieleden of ze konden bijspringen. Wie kon maar weigerde, moest voor de kantonrechter verschijnen. Het was een idiote toestand.

‘In 1965 werd de Algemene Bijstandswet ingevoerd, waarvoor ik een speciale opleiding had gekregen via het ministerie. Ik volgde ook een opleiding voor maatschappelijk werk en werd chef van de afdeling die bijstand moest verstrekken.’

‘Die wet leverde idiote situaties op. Ik ken de tekst nog uit mijn hoofd: ‘Aan iedere Nederlander hier te lande die niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten voor het bestaan, wordt bijstand verleend.’ Komt er een vrouw bij mij die zegt: ‘Mijn man is weg, ik heb geen geld en mijn vijf kinderen hebben schreeuwende honger.’ Hoe kon ik bewijzen dat zij niet kon voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan? En wat verstaan we daaronder? Het is toch idioot dat één ambtenaar in zijn eentje over steun beslist? Omdat ik dat een onmogelijke opgave vond, keurde ik alle aanvragen goed. Wat moest ik anders? Moest ik tegen iemand die beweerde geen geld te hebben, zeggen: je krijgt niks?

‘Ik zag de situatie ontstaan dat de ene zich veertig uur per week het schompes werkte voor een minimumloon en de ander 100 gulden per week kreeg met nietsdoen. Hele groepen dachten: waarom zou ik gaan werken als ik bijstand kan krijgen – dan doe ik er wat zwarte klussen bij. Deze idiotie heeft me veel emotionele ellende opgeleverd, met maagbloedingen tot gevolg.’

‘Ik heb gezien dat de bijstandswet hele generaties heeft verpest met nietsdoen. De regeling is gestoeld op een idee van een ideale wereld waarin iedereen eerlijk is. Neem van mij aan: er zijn veel mensen die misbruik maken van zulke regelingen. De huidige regels ken ik niet, en die wil ik ook niet weten, ik was blij dat ik met pensioen kon. Ik durf te zeggen dat er generaties aankomen die het niet zullen pikken als zulke regelingen worden afgeschaft, want voor hen is het heel gewoon. Maar het is niet meer te betalen. Ik vind dat mensen zonder inkomsten een baan moeten aanvaarden. Dat stond ook in de bijstandswet, artikel 2 of 3, maar dat is nooit toegepast. Het was een politieke keuze: we gaan leuke dingen doen voor de mens. Met de vondst van de gasbel van Slochteren was er geld genoeg.’

‘Ik ben een nuchtere jongen die buiten zijn schuld op de wereld is terechtgekomen, die zijn best heeft gedaan er wat van te maken en er trots op is dat hij zijn kinderen alle vrijheid heeft gegeven. Nu ik oud ben, hoeven zij zich niet op te offeren door van alles voor mij te doen. Dat ik een goede relatie met hen heb, is het positieve in mijn leven.’

geboren: 31 augustus 1923 in Groningen

woont: zelfstandig, in Haren

beroep: maatschappelijk werker

familie: twee kinderen

weduwnaar: sinds 2015

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next